Translate

zondag 2 december 2018

Viktor E. Frankl legt de morele lat hoog in De zin van het bestaan



BOEK
Viktor E. Frankl  De zin van het bestaan. Een psycholoog beleeft het concentratiekamp & een inleiding tot de logotherapie. AD. Donker, Rotterdam. 18e druk, 2018.








Het leven heeft zin. Altijd. Elk mens heeft namelijk de vrijheid en de verantwoordelijkheid om de zin van het leven, inclusief het lijden dat daaraan inherent is, te ontdekken. Oók onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Daarmee legt de auteur de morele lat hoog. Zo verzet hij zich ook tegen het plegen van zelfmoord. Frankl heeft recht van spreken want hij was zelf gevangene in een concentratiekamp. In dit boek combineert hij zijn dagelijkse ervaringen in dat kamp met zijn inzichten als logotherapeut. De essentie van logotherapie is het bieden van een heroriëntatie op de zin van het leven. Niet alleen in het kamp maar ook in zijn professionele context vond Frankl die heroriëntatie door vrijheid aan verantwoordelijkheid te verbinden. Het meest indringend zijn de noties over de betekenis van het lijden, hoewel die de lezer ook met vragen achterlaten.




"Ten slotte is het de mens die de gaskamers van Auschwitz heeft uitgevonden, maar het is ook de mens die deze gaskamers waarlijk heeft betreden ….", aldus de laatste zin van dit boek. De mens is beest en weldoener tegelijk, wil Frankl maar zeggen. En de grens tussen beide loopt niet parallel met het onderscheid tussen gevangenen en bewakers van het concentratiekamp. "... daarom trof men ook af en toe een fatsoenlijk mens aan onder de bewakers".


Hoge morele lat

Dit is slechts één van de dagelijkse ervaringen van Frankl. Hij groepeert deze aan de hand van de drie fasen die elke gevangene in een kamp doorloopt: shock, onverschilligheid en depersonalisatie. Waar de eerste fase zich kenmerkt door een veelheid aan -soms ook tegenstrijdige- gedachten, is de fase van de onverschilligheid gericht op zelfbescherming en een -wat Frankl noemt- emotionele dood. Zelfs het aanschouwen van het afknijpen van de bevroren tenen van een kind of van lichamen die zichzelf verteren, beroert de gevangene dan niet. De fase van depersonalisatie kenmerkt zich dan weer door totale wezenloosheid. "Wij hadden het vermogen tot blijdschap letterlijk verloren en moesten het langzaam opnieuw aanleren".

Kortom: de ervaringen van Frankl tonen hoe weerzinwekkend het leven in zijn concentratiekamp is geweest. Je zou een zekere mildheid verwachten naar zijn medegevangenen die dat leven niet langer konden dragen. Een zeker mededogen naar hen die zelfmoord pleegden of dat overwogen. Niets van dat alles. Frankl legt, met twee enkele zinnetjes op pagina 102, de morele lat hoog.

"Een mens die zich bewust wordt van zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van een ander, of van een onvoltooid werk, zal nooit in staat zijn een einde te maken aan zijn leven. Hij kent de reden waarom hij leeft, en hij zal dus vrijwel alle levensomstandigheden kunnen verdragen." 

Helaas maakt Frankl geen melding van de omstandigheden die zelfs voor hem ondraaglijk zijn of die zelfmoord zouden legitimeren.


Verwantschap met Sarte


Naast verantwoordelijkheid stelt Frankl vrijheid centraal. In elke situatie, hoe beroerd ook, kan de mens immers zijn eigen houding bepalen. Hij noemt dat het concept van de laatste menselijke vrijheid. Met het centraal stellen van verantwoordelijkheid en vrijheid doet Frankl onvermijdelijk aan Sartre denken. Ook Sartre is van mening dat de mens zijn vrijheid en verantwoordelijkheid niet kan afschuiven op omstandigheden, zelfs niet in extreme situaties (zie www.filosofie.nl en www.nl.m.wikipedia.org). Maar waar de mens volgens Sartre zichzelf 'verzint' of 'ontwerpt', is er bij Frankl sprake van het 'ontdekken' van zijn eigen essentie. Frankl neemt op dit punt afstand van Sartre. Maar hij werkt dat 'ontdekken',  dat als een rode draad door dit boek loopt, nergens systematisch uit. Het verschil tussen beiden wordt dan ook niet scherp.



Logotherapie

In het tweede deel van dit boek zet Frankl de beginselen van de logotherapie uiteen. Dit is een vorm van psychiatrie waarin Frankl zich als psychotherapeut, psychiater en hoogleraar heeft bekwaamd. Deze introductie zorgt voor een breuk in het boek, de overgang van het concentratiekamp naar de professionele praktijk van Frankl is wel erg groot. Dat is even wennen. Echter, vanwege de verwantschap tussen zijn ervaringen in dat kamp en de therapeutische beginselen blijkt die breuk overkomelijk.

Die verwantschap zit in het centraal stellen van verantwoordelijkheid en vrijheid. Dat is namelijk wat logotherapie ook doet. Logotherapie biedt de cliënt een heroriëntatie op de zin van het leven door hem of haar met het bestaan te confronteren. Een al te egocentrische houding van de cliënt wordt daarmee voorkomen. Frankl probeert afstand te nemen van de psychoanalyse maar evenals bij Sartre wordt dat verschil niet scherp.



Vragen over gronden van het lijden


De eerder geciteerde pagina 102 biedt één van de interessantste passages van het gehele boek. Op die pagina neemt Frankl afstand van het plegen van zelfmoord. Hij doet dat door het lijden te legitimeren. Waar een gevangene wellicht van mening is dat hij niets meer van het leven te verwachten heeft, draait Frankl de redenering om: wat heeft het leven, ondanks al uw lijden, nog van u te verwachten? Het kan zo maar zijn dat iemand na uw vrijlating uit het concentratiekamp op u zit te wachten dan wel dat u nog een groot werk, bijvoorbeeld het schrijven van een boek, dient te voltooien. Die twee, medemens en werk, vormen voor Frankl gronden om het lijden te dragen.

Dat vond ik een interessante redenering. Frankl gaat dus niet zo maar uit van een a priori lijden zoals dat in de christelijke leer wordt aangehangen, maar koppelt dat lijden aan externe factoren. Medemens en werk, ja, je kunt je voorstellen dat die het leven in een concentratiekamp draaglijk maken. Toch roept deze redenering ook meteen vragen op. De belangrijkste luidt: mag je ook van een gevangene zonder familie en zonder levenswerk verwachten dat hij verantwoordelijkheid voor zijn leven en het bijbehorende lijden neemt? En géén einde aan zijn leven maakt? Die kardinale vraag beantwoordt Frankl niet.


Paul Strijp, 2 december 2018





zondag 4 november 2018

De wereld van gisteren van Stefan Zweig: prachtig gelaagde, dramatische en ambivalente autobiografie


BOEK
Stefan Zweig  De wereld van gisteren. Herinneringen van een Europeaan. Vertaald door Willem van Toorn. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam - Antwerpen. privé-domein. Negende druk, 2016. Met een reactie van Casper Hartman.


Een onweerstaanbare drang naar vrijheid die welhaast als een plicht voelde. Een diepe verbondenheid met zijn geboorteland Oostenrijk, met Europa en met het jodendom. En een levensloop die bijna 'dwingend' moest leiden tot een succesvol schrijverschap. Zie hier de drie verhaallijnen in deze autobiografie. Deze wordt ook nog eens doorspekt met interessante historische analyses. Dat geheel, gevoegd bij de dramatische lading die deze autobiografie later zou blijken te bevatten, maakt het lezen ervan tot een overrompelende ervaring. Onderdeel van die ervaring is dat de lezer met een aantal vragen blijft zitten. Er schuilt een zekere ambivalentie in dit laatste werk van Zweig.



Wie was Stefan Zweig?


Zweig was van joodse afkomst. Hij werd in 1881 in Wenen geboren in een welgesteld gezin als zoon van een uit Moravië afkomstige vader en een moeder uit Ancona. Hij studeerde Germanistiek, Romaanse kunst en filosofie. Reeds tijdens zijn studententijd gaf Zweig gedichten uit, maar zijn grootste roem als schrijver bereikte hij met zijn novellen. In de jaren twintig van de vorige eeuw gold hij als een van de meest succesvolle Duitstalige schrijvers. Behalve het in deze recensie besproken De wereld van gisteren werden ook werken zoals Jeremias (1917) en Sternstunden der Menschheit (1927) zeer veel gelezen. In 1920 trouwde hij met Friderike von Winternitz, van wie hij in 1938 scheidde. Een jaar later hertrouwde hij met Elisabet Charlotte "Lotte" Altmann. Zie ook: https://nl.wikipedia.org/wiki/Stefan_Zweig






Plicht tot vrijheid

Het verdedigen van zijn vrijheid, vooral in tijden van oorlog, om daarmee trouw te kunnen blijven aan het woord. Zie hier de belangrijkste rode draad in het leven van Stefan Zweig. Deze hang naar vrijheid kreeg hij van zijn vader mee. Het dwingende schoolklimaat waartegen hij zich verzette deed een extra duit in het zakje. Je proeft bij Zweig een zekere dwangmatigheid. De hang náár werd een plicht tòt vrijheid. Hij zou en moest zijn overtuigingen tot uitdrukking brengen. Voor zijn gevoel heeft hij hiervoor een levenslange strijd geleverd. Ook zijn geografische levensloop is door deze 'vrijheidsplicht' bepaald. Zowel de terugkeer naar zijn geboorteland Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog als zijn vlucht naar Engeland na de machtsovername door de nationaalsocialisten in 1933 had tot doel om trouw te blijven aan het woord.


Verbondenheid met Oostenrijk, Europa en het jodendom

De ziel van Zweig kende een drieledige verbondenheid.

Allereerst met zijn geboorteland. Oostenrijk was het land waar hij een zorgeloze, maar achteraf bezien ook wat naïeve jeugd beleefde. Met haar bijna religieuze geloof in de vooruitgang bestempelde hij dit land in de periode vóór de Eerste Wereldoorlog als een luchtkasteel. Toch keerde hij er na die oorlog dus terug, wat Zweig zelf ervoer als een onverklaarbare plicht. Later, toen Oostenrijk haar naïviteit allang had afgeschud, leed hij met het land mee. Oók wanneer hij zich buitenslands bevond. Naar eigen zeggen was zijn lijden dan groter dan dat van zijn vrienden ìn Oostenrijk.

Dan zijn verbondenheid met Europa. Deze kwam voort uit datgene wat Zweig als hoogste goed beschouwde, de gemeenschap. De intellectuele en culturele eenheid van Europa vormde de apotheose daarvan. Een belangrijke inspirator voor Zweig was de Franse schrijver Romain Rolland, door hem omschreven als de man die op het beslissende ogenblik het geweten van Europa zou zijn. Zijn eigen bijdrage aan Europa zag Zweig als het leveren van toekomstig wederzijds begrip. In het begin van de twintigste eeuw ontwaarde hij nog een groot geloof in en gemeenschapsgevoel voor Europa. Daar lagen met name de stijgende rijkdom en de vooruitgang in de techniek aan ten grondslag. Aan het einde van zijn leven was Zweig verbitterd over zijn Europese ideaal. Zijn meest wezenlijke taak, de vreedzame vereniging van Europa, was voor hem te schande gemaakt.
"Wat ik meer had gevreesd dan mijn eigen dood, de oorlog van allen tegen allen, was nu voor de tweede keer ontketend."

Met het joodse lot voelde Zweig een in het donker van bloed of traditie gewortelde verbondenheid.
"Was het niet dit volk van mij dat steeds weer door alle volkeren was belegerd, steeds weer, steeds weer, en dat toch stand had gehouden door een geheimzinnige kracht - juist de kracht de nederlaag om te zetten in iets anders door de wil hem steeds weer te overleven?".
Vaak wordt verondersteld dat het verwerven van materiële rijkdom de hoogste joodse ambitie is. Zweig bestrijdt dat. Wat joden volgens hem echt drijft is opklimmen naar een geestelijk, intellectueel ideaal. Dat bracht voor hem ook wel een zekere druk met zich mee. Zo verwachtte zijn familie dat hij een doctorstitel zou behalen, n'import in welke richting. Maar voor het overige overheerst bij Zweig toch vooral het gevoel dat het jodendom en de Weense bevolking zo goed bij elkaar pasten. De wederopstanding van de Oostenrijkse cultuur aan het einde van de negentiende eeuw waar Zweig zijn loopbaan voor een groot deel aan te danken heeft, schrijft hij toe aan het joodse milieu in Wenen. Daar komt bij dat hij als jood in Oostenrijk nooit enige tegenwerking of antisemitisme heeft ervaren.


Dwingende levensloop naar succesvol schrijverschap

Zweig moet over een bovengemiddeld en aangeboren schrijverstalent hebben beschikt. Immers, zonder dat talent zou hij nooit zo succesvol zijn geworden. Zelf beschouwt hij zijn vermogen om te schrappen, om teksten van overbodige ballast te ontdoen, als zijn grootste kwaliteit. Zijn autobiografie maakt duidelijk dat behalve dat talent ook zijn levensloop aan dat succes heeft bijgedragen. Zijn schooltijd, zijn ontmoeting met een groot aantal schrijvers van wereldfaam en een aantal toevallige gebeurtenissen waren cruciaal voor zijn vorming tot een groot schrijver. 

De schooltijd van Zweig kenmerkte zich door verveling. Deze kwam met name voort uit een hyper-technocratisch onderwijssysteem. Géén variatie, géén creativiteit, géén speelsheid. Juist die tekorten wakkerden de belangstelling van de scholieren voor alles buiten de school alleen maar aan. En laat Zweig nu juist in een klas hebben gezeten met fanatieke, kunstminnende leerlingen. Hij omschreef het culturele klimaat in zijn klas en op de Weense scholen met de trefwoorden endemische artistieke productiviteit, een sterke preoccupatie voor literatuur, literaire vroegrijpheid en monomanie voor kunstfanatisme. Dat ".. is misschien wel beslissend geweest voor mijn hele levensloop". Daar kwam bij dat zijn vader hem geenszins dwong om de lessen op school wèl te volgen. Immers, ".. theater en literatuur hoorden bij de 'onschuldige' passies' van het leven. Kortom: als schrijver heeft Zweig veel profijt gehad van het feit dat tijdens zijn schooljaren culturele en artistieke prevaleerden boven intellectuele en cognitieve waarden.

Gedurende zijn leven ontmoet hij dan niet de eersten de besten. Een werkelijk onwaarschijnlijke keur aan topschrijvers trekt aan hem voorbij. Von Hofmannsthal, Herzl, Hille, Steiner, Verhaeren, Bazalgette, Rilke, Rodin, Valéry, Proust, Rolland, Shaw, Wells en Joyce. Met de één leek het contact dieper te gaan dan met de ander. Zo heeft hij met sommige schrijvers vriendschappen voor het leven ontwikkeld. Maar het belangrijkste van al deze ontmoetingen leek te zijn: Zweig leerde van elk van hen! Of wist in elk geval ieder van hen op zijn unieke waarde te schatten. Zo liet Bazalgette hem alle hoeken van de kamer zien waar het ging om de kwaliteit van zijn werk. En zoals Zweig over Rilke schreef: onopvallendheid was het diepste geheim van zijn wezen, zijn ingehouden gedrag oefende morele kracht uit. Je voelt ten diepste de bewondering en het respect dat Zweig voor Rilke heeft gehad. Daar moét Zweig zelf ook inspiratie aan hebben ontleend.

Tot slot hebben zich in het leven van Zweig een aantal gebeurtenissen voorgedaan waarvan je achteraf zou zeggen: dat kan geen toeval zijn, in de sterren stond geschreven dat deze man een groot schrijver moest worden! Zoals de plotse dood van een aantal acteurs. Die verhinderde bij herhaling dat zijn stukken werden opgevoerd. Naar eigen zeggen hebben deze gebeurtenissen hem behoed voor een vroegtijdige en daarmee onterechte bekendheid bij het grote publiek.


Historische analyses

Zijn positie als schrijver van gedichten en novellen weerhoudt Zweig er niet van om zijn licht te laten schijnen over actuele politieke ontwikkelingen. Meestal houden deze verband met de machtspolitieke gang van zaken rondom de beide wereldoorlogen. In retrospectief blijken dit interessante historische analyses.

Zoals zijn analyse dat -achteraf bezien- aan het begin van de twintigste eeuw de ondergang van de individuele vrijheid begonnen is. Door zijn culturele preoccupatie heeft Zweig dat in die periode zelf niet in de gaten gehad. Maar de corpsstudenten die in opdracht van de Duits-nationalen met grof geweld politieke zaken probeerden af te dwingen waren een duidelijk symptoom. Als fervent aanhanger van die vrijheid voel je de pijn van Zweig bijna van het papier afspatten.

Ronduit verrassend vond ik zijn verklaring voor het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Bijna wanhopig lijkt hij zijn handen ten hemel te slaan: er is gewoonweg geen zinnige reden voor het uitbreken van die oorlog te bedenken. Er was immers géén ideologische richtingenstrijd of een slag om een gebied. Bijna ten einde raad zoekt hij die verklaring dan maar een in overschot aan energie. Alsof de betrokken naties van gekkigheid niet meer wisten wat ze met hun rijkdom moesten ondernemen en de oplossing voor hun verveling toen maar in de oorlog zochten. Zoals je ook wel eens ziet bij kleine kinderen die zich vervelen, die gaan dan maar ruziemaken. Een verklaring die ik in elk geval nog nooit eerder ben tegengekomen.

Interessant is ook zijn analyse dat het woord, voor Zweig een zeer groot goed, tijdens de Eerste Wereldoorlog nog enig effect had en tijdens de Tweede in het geheel niet meer. In moreel opzicht sloeg hij de Eerste Wereldoorlog dan ook hoger aan. Deze constatering klinkt bijna apocalyptisch in het licht van wat na het verschijnen van zijn autobiografie bekend zou worden over zijn verdere levensloop. De Tweede Wereldoorlog was gewoonweg te veel gevraagd voor Zweig.


Hoe zat dat precies?

Zweig laat de lezer met een aantal vragen achter.

De meest fascinerende vraag gaat wel over zijn opstelling op een  cruciaal moment tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zweig onderhield contacten met de componist Strauss. Hij wilde hem graag 'dienen'. Strauss zelf bleef trouw aan Zweig, maar heulde ook met Hitler en Goebbels.
"Voor mij waren zulke concessies aan de nationaalsocialisten natuurlijk in hoge mate pijnlijk. (…) Daarom hield ik het van mijn kant voor juist, zwijgend af te wachten en de dingen hun loop te laten nemen".
Hoezo juist? Hoezo zwijgen? Het woord vormde voor Zweig toch het hoogste goed?

Een andere vraag betreft de afstand die Zweig als autobiograaf betracht tot zijn persoonlijke gevoelens. Als het gaat om Oostenrijk, Europa, het jodendom en zijn relatie met andere schrijvers is hij zeldzaam openhartig over die gevoelens. Maar over zijn huwelijk, zijn scheiding en zijn gezinsleven toont hij zich zo gesloten als een oester. Dat geldt bijvoorbeeld ook over zijn sexualiteit tijdens puberteit en adolescentie. Hij beschrijft uitvoerig hoe die in die jaren in algemene zin beleefd werd, maar licht nergens een tipje van de sluier op over zijn eigen gevoelens op dit vlak. Waarom eigenlijk niet? Mogelijk dat zijn van zijn vader meegekregen neiging tot privacy en anonimiteit hieraan ten grondslag ligt.


Laatste raadsel waarmee Zweig zijn lezers achterlaat: wat was nu eigenlijk zijn werkelijke hiërarchie van waarden? Wat vond hij nu ècht belangrijk? Het ene moment is dat zijn individuele vrijheid, het andere de gemeenschap. Niet dat die twee elkaar uitsluiten, maar toch lijkt er een zekere ambivalentie in zijn werk te schuilen. De indruk bestaat dat hij niet goed weet tussen welke waarden hij moet kiezen. Diezelfde moeite heeft hij met het benoemen van de gebeurtenissen in zijn leven die van beslissende invloed zijn geweest. Het ene moment is dat het culturele klimaat op de Weense scholen, het andere de plotse dood van een aantal acteurs. Zweig gebruikt erg makkelijk grote woorden of superlatieven.


Overrompelend en dramatisch

Aan het einde van deze autobiografie duizelt het de lezer. Die blijft overrompeld achter, niet in de laatste plaats door de subtiele en prachtige gelaagdheid. Maar behalve overrompelend is de autobiografie van Zweig ook dramatisch. Naar eigen zeggen heeft Zweig waarachtig geleefd, hij heeft immers hoogte- en dieptepunten meegemaakt. Ook spreekt hij van de zeer veel levens die hij heeft geleid. In tegenstelling tot zijn ouders heeft hij aan den lijve ervaren dat elke nieuwe dag het leven kan vernietigen. Uit deze mijmeringen lijkt berusting te spreken, een instemming met het leven waarop hij terugkijkt. Maar die suggestie wordt kort na de voltooiing van zijn autobiografie in 1942 gelogenstraft. Zweig maakt dan samen met zijn vrouw een einde aan zijn leven. Hij mag dan waarachtig hebben geleefd, de verschrikkingen van een wereldoorlog kan hij kennelijk niet een tweede keer dragen.

Paul Strijp, 4 november 2018




Reactie van Casper Hartman


Zweig: Een waarden-spiegel voor de lezer

 
Aan het einde van zijn bespreking benoemt Paul Strijp een aantal vragen waarmee hij als lezer achter blijft:

“Wat was nu eigenlijk zijn werkelijke hiërarchie van waarden? Wat vond hij echt belangrijk? Is dat individuele vrijheid of de gemeenschap? Niet dat die twee elkaar uitsluiten, maar toch lijkt er een zekere ambivalentie in zijn werk te schuilen. De indruk bestaat dat hij niet goed weet tussen welke waarden hij moet kiezen.”

Mijn vraag zou zijn: valt er wel te kiezen tussen die waarden? Ligt het accent bij Zweig juist niet op het feit dat hij die waarden zo krachtig verwoordt?  Een imposant en meeslepend boek uit 1942 dat je juist nu raakt. Waar zit hem dat in?

Naar mijn mening in de ‘waarden’ spiegel die je als lezer voorgehouden wordt. Een voortdurende herkenning van waarden die ook nu weer onder druk staan en die we in het Europa van nu politiek en maatschappelijk zo lastig weten te beschermen.

Immers, wat gebeurt er als er gemorreld wordt aan de morele vrijheden van mensen en aan de verworvenheden van de rechtstaat? Daarvan schetst Zweig - met het ontstaan van twee wereldoorlogen - een onthutsend beeld, waarbij hij zelf allerminst gespaard wordt. Hij is de centrale figuur, waarin hij zijn persoonlijke en professionele ontwikkeling beschrijft in een roerig tijdsgewricht. Persoon en context, figuur en achtergrond ineengevlochten, briljant uitgewerkt vanuit de eigen ervaring.

Wat zijn de ‘waarden’ parels?

Allereerst op persoonlijk niveau. Prachtig is het te lezen wat kameraadschap vermag in zijn relaties met anderen. Paul Strijp somde al een aantal auteurs en kunstenaars op waarmee hij steeds contact onderhield in binnen- en buitenland.  Opmerkelijk is met welk ontzag en voorkomendheid hij hen bejegende. Hij laafde zich aan hen, trok zich aan hen op, maar hield hen bovenal in ere ook al namen zij gedurende de eerste wereldoorlog soms een andere - Duitsgezinde - positie in. Nergens kom je op persoonlijk niveau iets tegen wat doet denken aan ‘jalousie de metiér’ of verkettering.

Wat vervolgens opvalt is dat Zweig in zijn relatie tot de gemeenschap eigenlijk een wereldburger en Europeaan ‘avant la lettre’ was. Hij reisde veel, had een scherp oog voor de ontredderde staat van Europa in die tijd, sprak meerdere talen en was wars van allerlei nationalistische gevoelens. Steeds zie je als kernwaarden bij Zweig het nastreven van persoonlijke vrijheid en het zoeken naar eendracht en gemeenschappelijkheid. En dat in een periode gekenmerkt door massa-hysterie en politiek/maatschappelijke/ financiële chaos.

Kom daar maar ’s om in onze tijd van Europese verdeeldheid, opkomende nationalistische gevoelens en inperken van journalistieke vrijheden.

De Brexit onenigheid, het opkomen van populistische partijen en het morrelen aan de rechtsstaat in sommige landen van de Europese Unie. Moeten we die gaan zien als een boosaardige voorbode van wat ons nog te wachten staat als we onze morele waarden verbonden aan een rechtstaat niet beschermen? Zweig heeft in elk geval voor de onverschilligheid voor dit soort ontwikkelingen gewaarschuwd.

 
Casper Hartman, 16 november 2018













vrijdag 25 augustus 2017

De Stamhouder van Alexander Münninghoff: meesterlijke autobiografie die de lezer verbijsterd achterlaat


BOEK
Alexander Münninghoff  De Stamhouder. Een familiekroniek.  Prometheus, Bert Bakker. Amsterdam, zeventiende druk, 2016.


Na 200 pagina’s gooit hij zijn journalistieke jas verre van zich. Dan laat hij zijn emoties zien en rept over een groeiend gevoel van malaise en over de bittere armoe van mijn moeder die de speelsheid uit zijn leven verdrong. Die emoties zijn de eerste 200 pagina’s vrijwel niet aan de orde. Als journalist beschrijft Münninghoff dan koel-analytisch de verwikkelingen en relaties rondom zijn grootvader en vader vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Die worden gedomineerd door het in elkaar storten van het zakenimperium van zijn opa en door de toetreding van zijn vader tot de SS. Zodra de auteur emotioneel de remmen losgooit, voeren eenzaamheid en het gemis van huiselijke warmte de boventoon. In een meesterlijke autobiografie laat Münninghoff schrijnend zien hoe bizarre omstandigheden ervoor zorgen dat hij geen enkele relatie met zijn vader en een moeizame verhouding met zijn moeder heeft.


In het eerste deel, De Herenkamer geheten naar het vertrek waar zijn grootvader zakelijke besprekingen met relaties voerde, beschrijft Münninghoff vooral de levens van zijn vader Frans en zijn grootvader in de periode tijdens en rondom de Tweede Wereldoorlog. Enigszins verbitterd vertrekt opa -om voor de auteur onduidelijke redenen- naar Letland. Frans verzet zich in alles tegen het hem opgelegde Nederlanderschap, zijn hart ligt in Riga in Letland. Het gevolg is een vervreemding tussen vader en grootvader. Die wordt alleen maar groter, zeker na het ineenstorten van het zakenimperium van opa na de Duitse inval in Polen in 1939. Vanaf dat moment wordt vader Frans door zijn ouders vergeten en verwaarloosd. Zijn toetreding tot de Duitse SS laat niet lang op zich wachten.









Prelude

Münninghoff beschrijft het allemaal alsof het ook om een andere familie had kunnen gaan. Afstandelijk, zakelijk en analytisch, als de journalist die hij is. Met het nodige gevoel voor understatement ook. Bijvoorbeeld bij de ontmoeting van zijn vader met ene John Kennedy.

“Omdat Frans niet bij machte was om zijn gedachten in behoorlijk Engels om te zetten, zag hij wijselijk van enig weerwoord tegen de latere president van de Verenigde Staten af, maar inwendig steeg zijn verzet tot het kookpunt.”

Maar het is natuurlijk niet zo maar een familie waarvan Münninghoff de geschiedenis beschrijft, het is zijn familie. Die afstandelijke toon wordt slechts een heel enkele keer, op pagina 92 bijvoorbeeld, onderbroken door iets van emoties jegens zijn vader.

“Als mijn vader mij later, tijdens de eindeloze zondagochtendsessies in de keuken wanneer hij om acht uur zijn eerste borrel ophad, over de Russische veldtocht vertelde, schoten zijn grote bruine ogen binnen de kortste keren vol tranen, die naarmate ik puberaler werd steeds minder mijn mededogen wisten op te wekken”.

Dit eerste deel van het boek leest dan ook als een prelude die nodig is om de gevoelswereld van de auteur te kunnen duiden. Die komt volop in het tweede en derde deel aan bod en wordt vooral bepaald door zijn relatie met drie personen: zijn grootvader, zijn vader en zijn moeder. Die twee laatsten zijn dan overigens inmiddels gescheiden.


Relatie met zijn grootvader: stamhouderschap vóór alles

De auteur, de ik-figuur in dit boek, heeft een speciaal plekje in het hart van zijn grootvader. Dat heeft hij te danken aan het stamhouderschap van de familie. Voor opa vertegenwoordigde dat een buitengewoon grote waarde. Omgekeerd is Münninghoff kritisch naar zijn opa. Opa gunde zijn schoondochter, de moeder van de auteur, het licht werkelijk niet in de ogen en had voor haar een vernietigingsplan op de plank liggen. Dat was geen plan in de letterlijke maar in de figuurlijke betekenis: de tijd en energie om haar uit zijn leven te laten verdwijnen. De manier van zakendoen van zijn grootvader omschrijft Münninghoff met termen als manipuleren en ondoorzichtig. Dat is toch allemaal niet bepaald warm of positief te noemen. Ondanks deze diskwalificaties werpt Münninghoff op enig moment de vraag op “… waarom mijn grootvader niet een of andere koninklijke onderscheiding heeft gekregen voor alles wat hij in de oorlog heeft gedaan”. Daaruit blijkt toch ook wel weer respect en waardering. Een zekere ambivalentie lijkt er dan ook wel in de verhouding tussen kleinzoon en opa te zitten.

Persoonlijk verraste deze vraag naar de onderscheiding mij wel. Immers, Münninghoff laat in alles zien hoe de inspanningen van zijn grootvader tijdens de oorlog maar één hoger doel dienden: het terugkrijgen van zijn verloren gegane Letse bezittingen. Ook was hij niet te beroerd om de witwaspraktijken van de oom van de tweede vrouw van zijn zoon Frans te verdonkeremanen. Verdient zo’n man een onderscheiding, ongeacht de goede zaken die hij ook heeft gedaan? Overigens heeft Münninghoff zelf er ook wel begrip voor dat die onderscheiding nooit is toegekend.


Relatie met zijn vader: keihard negatief oordeel

Vader Frans was een nog grotere opportunist dan de grootvader van de auteur. Met één verschil. Waar grootvader zakelijk succesvol was, beschikte Frans over het vermogen om alles waaraan hij begon in een mislukking te laten eindigen. Münninghoff kan werkelijk nergens ook maar een begin van begrip of mededogen voor zijn vader opbrengen. Dat was wel denkbaar geweest, die vader immers is in zijn eigen jeugd ook vergeten en verwaarloosd. Münninghoff beschrijft dat opvoedingsproces van zijn vader uitvoerig, maar is in zijn oordeel keihard: zowel in zijn professionele (“Mijn vader was een naïeve Draufgänger”) als in zijn rol van vader en opvoeder (geen blijk van werkelijke vaderambities) heeft hij gefaald. Waarbij die wekelijkse zondagochtendontmoetingen met zijn vader, die zich kenmerkten door 100% één-richtingsverkeer, de ware dieptepunten voor Münninghoff waren.


Relatie met zijn moeder: moeizaam maar geheeld door de tijd

“Het gaat er vooral om hoe iemand zich in je geest heeft genesteld. En daarin zat het tussen Wera en mij niet goed”,  verzucht de auteur aan het einde van het boek. Met die twee zinnen vat hij de relatie tot zijn moeder samen. In die relatie zit een duidelijke ontwikkeling.

Als jongen van zeven jaar verzeilt hij samen met haar in vrij treurige materiële omstandigheden. Die verdrongen al snel alle speelsheid uit zijn leven en bezorgden hem een tijd van eenzame vrijheid. Maar, zo voegt Münninghoff er aan toe “…. ondanks alles waren wij een team, een tweespan”. Dat tweespan wordt vervolgens wreed gescheiden, het voogdijschap gaat namelijk over naar zijn vader. Wat volgt is een periode van achttien jaar waarin Münninghoff geen contact meer heeft met zijn moeder. En dat belast de relatie, regelmatig worstelt hij met de vraag waarom zijn moeder niets van zich laat horen. Tijdens het weerzien stelt hij echter vast dat haar materiële omstandigheden zo mogelijk nog verder zijn verslechterd. Die vaststelling leidt tot een prachtig staaltje mededogen bij Münninghoff.

“De resten van het avondmaal op de ongedekte formica tafel, de geur van futloze berusting, de vale kleding, de troosteloze rommel overal en vooral hun gezichten: moedeloos, niet meer openstaand voor impulsen of ideeën, passief op weg naar het einde – dit alles pleitte haar vrij van welke schuld dan ook”.

Wat hem bij zijn vader dus niet lukt, mededogen opbrengen voor de ander met het oog op diens situatie en achtergrond, krijgt hij bij zijn moeder wel voor elkaar. Dat alles neemt niet weg dat hij ook dan nog van mening is dat hem door zijn moeder onrecht is aangedaan. Bij een volgend weerzien, weer vele jaren later, krijgt Münninghoff te horen dat zijn moeder tot het laatst van haar man Frans is blijven houden, zelfs vele jaren na de echtscheiding. Meermalen benadrukt Münninghoff vooral haar schoonheid en kwetsbaarheid. “Want ze was mooi en romantisch, en daarbij zeer naïef. En ze hunkerde naar liefde.” Hij verzoent zich met de relatie met zijn moeder, de tijd heelt alle wonden.




foto auteur, ontleend aan binnenzijde van omslag om boek



Een meesterlijke autobiografie

Aan het einde van dit boek blijf je als lezer verbijsterd achter. Dat is onvermijdelijk. De familiegeschiedenis die Münninghoff optekent is zonder meer schrijnend. Daarbij schieten allerlei vragen door je hoofd. Zoals: hoe is het mogelijk dat iemand in zijn leven dit allemaal voor zijn kiezen krijgt? Maar ook: hoeveel emotionele beschadiging kan een mens verdragen? Is het überhaupt mogelijk om met die beschadiging een bestaan op te bouwen, een relatie aan te gaan en zelf kinderen op te voeden? De auteur laat er mondjesmaat iets over los. Hij is gehuwd en heeft kinderen. Maar ook hier heeft het lot hem niet onberoerd gelaten, twee kinderen overleden op zeer jeugdige leeftijd. Maatschappelijk is Münninghoff succesvol. Als journalist won hij de Prijs voor de Dagbladjournalistiek en schreef hij het boek Tropenjaren in Moskou (1991) over zijn tijd als correspondent in de Sovjet-Unie.

Deze autobiografie is meeslepend van het begin tot het einde. Münninghoff wordt nergens sentimenteel en onderneemt evenmin een poging om mededogen op te wekken voor zijn persoonlijke situatie. Het motief voor het schrijven van dit boek laat hij overigens onvermeld. Daarnaast kenmerkt deze familiegeschiedenis zich door een hoge mate van geloofwaardigheid. Slechts een heel enkele keer fronste ik de wenkbrauwen. Op pagina 225 bijvoorbeeld. Op bezoek bij een vriendje uit de straat besloot Münninghof “…vooralsnog niets over mijn vader te zeggen. In de eerste plaats was hij er niet, dus konden mijn woorden over de Kaukasus en het Ijzeren Kruis – (…) – licht als grootspraak geduid worden. Is een jongen van zeven jaar tot een dergelijke inschatting in staat? Ik heb mijn twijfels, maar dat is toch echt een detail.

Een meesterlijke autobiografie!


Paul Strijp, 25 augustus 2017

maandag 14 augustus 2017

Kind van de verzorgingsstaat van Rob van Essen: de perfecte mix van analyse, ironie, zelfkritiek en nostalgie



BOEK
Rob van Essen  Kind van de verzorgingsstaat. Opgroeien in een tijdloos paradijs.  Uitgeverij Atlas Contact. Amsterdam / Antwerpen, 2016.


Zijn jeugd in Rijssen, zijn jaren daarna in Amsterdam, de verzorgingsstaat van de jaren tachtig, een reflectie over herinneringen en hoe die nu eigenlijk werken, een nuchtere terugblik op zijn vroegere jaren. Zie hier de vijf verhaallijnen die ik in dit boek van Van Essen kon ontdekken. Die lijnen zijn meesterlijk beschreven. Als analyticus doorziet hij de diepere mechanismen van de verzorgingsstaat. Zijn eigen jaren in Amsterdam beschrijft hij met de nodige ironie en zelfspot. Tenslotte weet hij een prettig nostalgisch gevoel op te roepen voor iedereen die die jaren in Amsterdam zelf ook bewust heeft meegemaakt.


Een auteur met hetzelfde geboortejaar die ook in de jaren tachtig naar Amsterdam toog. Dat moet toch een band geven, zou je zo zeggen. Dus ging ik er eens even goed voor zitten. Van Essen heeft mij niet teleurgesteld.


Foto auteur, achterzijde boek



Zijn jeugd in Rijssen

Van Essen is geboren in Amstelveen maar zijn ouders waren niet wars van verhuizen. Het grootste deel van zijn jeugd bracht hij in het oosten van het land door, om precies te zijn in Rijssen. Daar groeide hij op in een streng gelovig milieu. Van Essen laat zien hoe het leven beheerst werd door angst en onwetendheid. Het beeld dat zijn beschrijving oproept is er een van stress. Je moest goed je best doen om aan alle verwachtingen van de kerk te voldoen, je moest die inspanningen vooral laten zien zonder dat je eigenlijk wist waarom.


"Zo vormde zich om het geloof een dikke schil van aangekoekt bijgeloof, bestaand uit opgelegde en ingesleten gewoontes en verboden. Als je die schil weg pelde, trof je daar waar het geloof zich zou moeten bevinden in de meeste gevallen een bescheiden leegte aan, een kleine holte, net groot genoeg voor een angstige muis".



Zijn jaren in Amsterdam

Dan tuigt Van Essen vanuit zijn ouderlijk huis naar Amsterdam. Een plaats waar hij vage herinneringen aan heeft omdat hij er als kind wel eens bij een oom en tante kwam. Waar hij zich had voorbereid op een Carmiggelt-iaanse traag deinende zee van steeds meer van hetzelfde, bleek Amsterdam zich vooral te kenmerken door -in mijn eigen woorden- naargeestigheid en surrealisme.

Veertien jaar woonde hij in de Czaar Peterstraat. Samen met de omliggende straten omschrijft hij die als een somber negentiende-eeuws wijkje. Uit eigen ervaring weet ik dat dit eufemistisch is uitgedrukt. Mijn moeder barstte spontaan in huilen uit toen zij mij in 1987 opzocht in mijn etage aan de belendende Conradstraat. Zoveel treurigheid had zij in heel haar leven niet gezien, dat haar zoon daarin terecht moest komen. Mistroostig of naargeestig lijkt mij dan ook een betere typering dan somber.

Maar Amsterdam was bovenal surrealistisch. Het door de politie getolereerde systeem waarin de aankoop van een fiets gepaard ging met het verkrijgen van een betonschaar voor het doorknippen van het slot van een andere fiets zodra die van jou weer gestolen was, laat zich met niets vergelijken. Handhaving en sanctie ontbraken te enen male, niemand keek er vreemd van op. Je werd al als een halve fascist beschouwd wanneer je goed werkende verlichting op je fiets had. Dat surrealisme zat in zekere zin ook in de krakersrellen. Van Essen beschrijft de interactie tussen krakers en mobiele eenheid als een spel tussen kat en muis. Een systeem dat zichzelf in stand hield. Als de een zich terugtrok, kroop de ander weer uit zijn schulp.


Reflecties over de verzorgingsstaat

De socioloog Cees Schuyt omschreef het grote manco van de Nederlandse verzorgingsstaat wel eens als lankmoedigheid. Als er ooit bewijsmateriaal voor deze stelling is aangedragen, dan is het wel met dit boek van Van Essen. 

Waar uitkeringsgerechtigden tegenwoordig geacht worden 'iets te doen' gold in de tijd van Van Essen het bestaan als enige tegenprestatie. Met andere woorden: het feit dat je er was volstond voor het verkrijgen van een uitkering. Twee citaten spreken in dit verband boekdelen.


"Solliciteren was bijna iets abstracts; geen handeling die erop gericht was daadwerkelijk een baan te vinden, maar een terugkerende voorwaarde om je uitkering weer voor enige tijd veilig te stellen. Telkens wanneer ik een vacature tegenkwam waarin eisen werden gesteld waaraan ik niet voldeed, reageerde ik opgelucht (...)"

"Een bevriend schrijver vertelde me dat hij in de jaren tachtig naar de Sociale Dienst was gegaan om de uitkering op te zeggen die hij na zijn afstuderen had aangevraagd. Inmiddels verdiende hij als freelancer zoveel dat hij het zonder bijstand afkon. Ja, ja, had zijn contactpersoon gezegd, dat is erg mooi dat u nu zelf uw geld kunt verdienen, maar weet u wel zeker dat het zelf gaat lukken? Wat als u het zonder ons niet redt? Zou u niet liever bij ons blijven?"

Ook hier gold dus kennelijk: het systeem van de verzorgingsstaat met zijn bijbehorende uitkeringsmachine was er vooral op gericht zichzelf in stand te houden. Hoe treurig ook met terugwerkende kracht, de tranen liepen over mijn wangen bij het lezen van deze passages. Eén detail als het over die verzorgingsstaat gaat. Van Essen hanteert het jaartal 1977 voor de invoering van de WAO, dat moet toch echt tien jaar eerder zijn.


Reflectie over herinneringen

Van Essen blikt terug op een periode in zijn leven. Wat hij daarbij knap doet, is dat hij zich rekenschap geeft van de vervormingen die herinneringen met zich brengen. Herinneringen als een vreemd goedje.


"De herinnering is een ui die door de jaren heen steeds weer van nieuwe rokken wordt voorzien, terwijl het binnenste wegrot en verdwijnt; het geheugen is een holle rotte ui".

"Herinneringen zijn honden die wild door elkaar rennen, blaffend en hijgend. Onderweg verliezen ze een poot, of een oor. Ze veranderen van kleur en ras. Ze veranderen in katten, of in glanzend gelakte trapauto's. Ze schieten weg en komen terug als je er het minst op verdacht bent. Terwijl je ze weer begroet ben je er heilig van overtuigd dat ze niet veranderd zijn". 

Van Essen is zich dus zeer bewust van het risico dat er onjuiste informatie in zijn beschrijving over het verleden sluipt. Ook laat hij regelmatig zijn -wat ik zou willen noemen- toenmalige binnenwereld aan het woord. Wat ging er in hem om als kind, als uitkeringsgerechtigde of als sympathisant van de krakersbeweging? Die gevoelens voorziet hij meteen van relativerende kanttekeningen.


"... en als ik door Plan-Zuid loop, voel ik nog steeds een echo van die uiteindelijk geruststellende combinatie van geborgenheid en melancholie die ik misschien zou moeten overwinnen maar die ik niet als een nederlaag beschouw".

"Achteraf gezien onderhielden we een vreemde relatie met de alledaagse tragiek die uit de stukjes van Carmiggelt sprak (...) We herkenden ze als zaken die betrekking hadden op het leven in het algemeen. Zo betrokken we de tragiek en de tevergeefsheid niet op onszelf, maar op de wereld - en zo plaatsten we ons dus buiten die wereld; (...)


Een terugblik, streng voor zichzelf

Vanuit die relativeringen komt hij uiteindelijk in retrospectief ook tot een oordeel over de jaren tachtig. Hoewel de kloof tussen arm en rijk vandaag de dag toeneemt, is Amsterdam er op vooruit gegaan. Dat geldt ook voor de Czaar Peterstraat, hoewel dat nog steeds een lange, grauwe straat is. Ook over de verzorgingsstaat is hij helder. Dat was een stelsel voor dromers en voor mensen met levensangst, in elk geval voor mensen die niets hoefden te ondernemen. De verzorgingsstaat was geen heelmeester, hij was een voorzichtige badmeester. Zowel voor Amsterdam als voor de verzorgingsstaat lijkt het er dus op dat Van Essen een vooruitgang in de geschiedenis waarneemt.

Charmant is dat hij zichzelf bij dat oordeel niet spaart.
"Dat we links waren had minder te maken met bestudeerde ideologieën dan met vage idealen en een gebrek aan mensenkennis. Bij mij in ieder geval wel, als iemand mij vroeg mijn opvattingen uit te leggen kwam ik doorgaan niet erg ver, behalve dan dat er veel dingen niet klopten in de wereld." 

Ook zijn bekentenis dat hij tijdens de krakersrellen toch vooral meer waarnemer dan deelnemer was, doet zelfkritisch en daarmee sympathiek aan. 


Tot slot

Van Essen schetst een fascinerend tijdbeeld. Soms lees je passages over Amsterdam of over het systeem van uitkeringen waarvan je denkt: dit kan niet waar zijn!! Maar die passages berusten dus wel op waarheid en beschrijven periodes die niet eens zo heel ver achter ons liggen. Als Nederlands burger maakt zich soms een plaatsvervangende schaamte van je meester: hoe hebben wij dit kunnen laten gebeuren? Aan de andere kant: je staat ook wel weer versteld van de snelheid waarmee een samenleving en een stad kunnen transformeren naar een gezondere toestand.

De verdienste van Van Essen is dat hij deze transformaties op een buitengewoon luchtige en amusante, maar gelijktijdig ook vlijmscherpe wijze heeft beschreven. Die beschrijving maakt pijnlijk duidelijk waar de tekortkomingen van de stad Amsterdam en van de verzorgingsstaat in een bepaalde periode van onze nationale geschiedenis hebben gezeten.

Paul Strijp, 14 augustus 2017   

vrijdag 11 augustus 2017

Hartmut Rosa levert in Leven in tijden van versnelling een scherpe diagnose maar een halfbakken oplossing


BOEK
Hartmut Rosa  Leven in tijden van versnelling. Een pleidooi voor resonantie. Vertaling: Huub Stegeman. Bezorging: Marli Huijer. Boom. Amsterdam, 2016.



Ons moderne leven lijdt aan een ongewenste versnelling. Die zorgt voor vervreemding wat ons goede leven weer in de weg staat. Dat is in essentie de boodschap van Rosa. Hij noemt twee oorzaken voor die versnelling: het allesoverheersende principe van de concurrentie en het onverzadigbare verlangen van de mens om tijdens dit aardse leven maar vooral zo veel mogelijk te genieten. Om die vervreemding te lijf te gaan introduceert Rosa een alternatief: resonantie. Dat is toch een moeilijk te vatten concept dat op zijn hoogst enig tegenwicht zou kunnen bieden aan het grenzeloze genieten, maar in het geheel geen antwoord biedt op de dominantie van de concurrentie.





Foto auteur, ontleend aan achterzijde boek


Het was voormalig minister Margreeth de Boer die het begrip in 1997 muntte. Onthaasting. Getuige de vele positieve reacties, ook nu nog, raakte zij een zeer gevoelige snaar. Des te opmerkelijker is het dat ons levenstempo op geen enkele manier een politiek item vormt. In verkiezingscampagnes noch in een regeerakkoord. Politiek kennelijk niet interessant genoeg. Ook Rosa komt tot deze vaststelling. Er wordt nooit een politiek debat gevoerd over de macht van de deadline of het imperatief van de snelheid, stelt hij. De politiek stelt alleen het concurrentievermogen veilig, maar werkt niet aan de vorming van een gemeenschap.

Juist die laatste vaststelling werkt Rosa niet uit en dat is doodzonde. Werkelijk een gemiste kans. Waarom?


Vervreemding: uit vrije wil iets niet werkelijk willen

Rosa heeft de ambitie om het begrip vervreemding te rehabiliteren. Kennelijk is dat wat in de vergetelheid geraakt na het werk van de Frankfurter Schule en Habermas in de jaren zestig en zeventig. Rosa ziet vervreemding als een maatschappelijk effect van versnelling. Beide begrippen, zowel vervreemding als versnelling, conceptualiseert hij uitvoerig. Zo definieert hij vervreemding als de toestand waarin we datgene wat we doen, niet werkelijk willen, ook al handelen we uit vrije wil. Dat is een kernachtige en krachtige definitie die bij velen herkenning zal oproepen. Hoe vaak komt het immers niet voor dat mensen op hun werk -waar ze in beginsel uit vrije wil heengaan- administratieve en bureaucratische werkzaamheden verrichten waar ze een broertje dood aan hebben en die ze dus zeker niet werkelijk willen?


Resonantie: onbegrijpelijk alternatief

Met die vervreemding wil Rosa afrekenen. En dus introduceert hij een alternatief dat -naar eigen zeggen- het andere is van de vervreemding. Dat alternatief heet resonantie. Zo helder als hij vervreemding definieert, zo diffuus is zijn omschrijving van resonantie. Ik zou werkelijk niet in eigen woorden de essentie kunnen weergeven. Resonantie, zo schrijft de auteur, is datgene wat in het moment tussen twee actoren of entiteiten ontstaat. Om daar vervolgens een hele reeks elementen aan toe te voegen. Zoals: een zich eigen maken van de wereld, subject en de wereld bereiken elkaar wederzijds zodat een antwoordrelatie ontstaat die transformatieve effecten tot stand brengt, een subject wordt door iets of iemand anders geraakt terwijl het daarop antwoordt en het gevoel krijgt zelfredzaam te zijn. Voor de volledigheid: resonantie laat zich niet afdwingen of instrumenteel voorschrijven. Begrijpt u het nog?


Het alternatief van de achterflap

Gek genoeg is de achterflap van het boek veel helderder en scherper over resonantie. We moeten openstaan voor ervaringen waarin de wereld weer op zichzelf zin heeft. Hiervoor hebben we volgens Rosa drie bronnen ter beschikking: religie, kunst en natuur. Kijk, daar krijgt een mens direct een voorstelling en een gevoel bij. Resonantie lijkt mij dan een staat van bewustzijn waarin de mens samenvalt met de wereld zoals die zich aan ons aandient. Misschien komt de omschrijving een flow tussen twee mensen of tussen iemand en de wereld nog wel het meest in de buurt van wat Rosa bedoelt? Hoewel ik mij bij die omschrijving op de achterflap dan wel afvraag waarom spel bijvoorbeeld ook niet een bron zou kunnen zijn.


Kunst, religie en natuur als alternatief voor het oneindige genieten

Die definitie-van-de-achterflap is als alternatief voor vervreemding temeer interessant omdat hij een adequaat antwoord biedt op één van de twee factoren die bijdragen aan datgene wat de vervreemding veroorzaakt, namelijk versnelling. Op dit punt is Rosa juist weer buitengewoon helder. De versnelling van ons leven leidt tot vervreemding, stelt hij. En die versnelling wordt weer veroorzaakt door enerzijds het allesoverheersende principe van de concurrentie in het economisch verkeer en anderzijds het onverzadigbare verlangen van de mens om maar vooral tijdens zijn leven zo veel mogelijk te genieten. Twee zeer rake observaties. Kunst, religie, natuur en eventueel spel kunnen aan die drang om maar grenzeloos te genieten zeker tegenwicht bieden. Laat u vooral niet opjagen door alle piekervaringen die op Facebook voorbij komen en probeer vooral met die bronnen wat innerlijke rust te vinden, zou dan de boodschap zijn. Kan ik helemaal volgen.


Wat is het alternatief voor concurrentie?

Maar dan nog. Dan nog blijven we met die vermaledijde concurrentie zitten. Kunst, religie en natuur zijn daarvoor geen alternatief, de concurrentie raast wel door zoals Rosa zelf ook een aantal malen opmerkt. Zij houdt ons in een ijzeren greep. Om daar aan te ontsnappen zou het concept gemeenschap inderdaad verder uitgewerkt kunnen worden. Nogmaals, jammer dat Rosa deze notie heeft laten liggen.


Tot slot: laten we niet kniezen!

Al met al is de diagnose van Rosa sterker dan de voorgestelde oplossing. Die diagnose maakt dit boek dan ook zeker de moeite van het lezen waard. Wat niet wegneemt dat de leesbaarheid van de uit het Duits vertaalde teksten zo hier en daar (pagina 115 bijvoorbeeld) sterk te wensen overlaat. En verder grossiert Rosa in thesen. Een these is een centrale stelling in een betoog die bewezen of beargumenteerd moet worden. Daarvan heb je er doorgaans één of twee. Ik heb ze niet geteld, maar Rosa bedient zich wel zeer royaal van de thesen. Dat komt de kracht van zijn argumentatie niet ten goede.

Maar laten we vooral geen kniesoor zijn. Misschien moeten we zijn boodschap over de religie, de kunst en de natuur gewoon even in herinnering roepen als we weer eens te veel uit dit aardse leven willen slepen.

Paul Strijp, 11 augustus 2017



donderdag 10 augustus 2017

Joseph Jaworski roept in Synchroniciteit herkenning en vervreemding op met ideeën over leiderschap


BOEK
Joseph Jaworski  Synchroniciteit. De innerlijke weg naar leiderschap. Met een inleiding door Peter Senge. Indigo. Zeist, 2000. Vertaling: Gerdie Brongers.


Kosmologische verbondenheid als noodzakelijke voorwaarde voor leiderschap. Met noties als heelheid, het meebuigen met het patroon van het universum, het creëren van voorspelbare wonderen en het samensmelten van de individuele vrijheid en de lotsbestemming. Jaworski introduceert nogal wat spirituele noties om zijn ideeën over leiderschap uiteen te zetten. Die maken soms een zweverige indruk maar dwingen door hun natuurwetenschappelijke fundering ook wel weer respect af. Een aantal van die noties herken ik, tot een aantal andere voel ik afstand. Taal vormt hierbij een belangrijke barrière, door zaken anders te formuleren zou meer herkenning ontstaan. Maar de nederigheid gebiedt ook te erkennen dat Jaworski een staat van bewustzijn in zijn leven heeft bereikt die voor veel leidinggevende stervelingen -in elk geval voor ondergetekende- waarschijnlijk niet is weggelegd.



Boeken over leiderschap? Ze kunnen mij maar zeer matig boeien! Uiteindelijk zijn ze allemaal tot dezelfde kernpunten terug te voeren. Ken uzelf, ken uw medewerkers, ken uw doelstellingen en ken uw omgeving. Elke leiderschapsgoeroe verwerkt deze punten in een bepaalde mix tot een model dat vervolgens de naam van diezelfde goeroe vermag te dragen. Het meest dramatisch blijkt dit tijdens sessies zoals MBA in één dag van Ben Tiggelaar. Die laat alle grote denkers op het gebied van leiderschap, meestal van Amerikaanse afkomst, de revue passeren. Uiteindelijk blijkt zijn voordracht telkens weer een variatie op het thema.










Tot een tijdje geleden. In de marge van een cursus Wijsheid in Leiderschap van de Comenius Leergangen liet een medecursist, directeur van een lokale Rabobank, zich ontvallen dat de hoogste baas van die bank, Wiebe Draijer, een boek had gelezen dat zijn leven ingrijpend had veranderd. Nou, dat is toch niet niks. Draijer is niet de eerste de beste en een leven dat onder invloed van een boek ingrijpend verandert, dat hoor je toch ook niet elke dag. Het boek Synchroniciteit van Jaworski, met een uitvoerig voorwoord van Peter Senge, dan toch maar eens gelezen. En ... beviel het? Ik hoor het u vragen. Mijn antwoord: het viel mij niet tegen.


Kwetsbaar

Om te beginnen. De auteur stelt zich in dit boek kwetsbaar op. En dat valt te prijzen. Jaworski heeft op zijn levenspad een aantal kluiven voor zijn kiezen gekregen. Zoals een moeizame relatie met zijn vader, een echtscheiding en een op het nippertje verijdelde moordaanslag. Daarover is hij openhartig. Die scheiding gaf hem de aanzet om naar zichzelf op zoek te gaan. Na vele jaren zag hij het licht in een verbondenheid met het universum. Die verbondenheid is de dragende gedachte achter de leiderschapstheorie die hij in dit boek etaleert.


Leiderschap volgens Jaworski

In essentie ziet die gedachte er als volgt uit. Voor Jaworski zijn relatie en betrokkenheid de ordenende principes voor leiderschap. Door ons open te stellen voor anderen, door lief te hebben en door onszelf te zien als onderdeel van een groter geheel, komen dingen spontaan tot stand. Voor dat grotere geheel verwijst hij naar gesprekken die hij gevoerd heeft met Bohm, een vriend en collega van Einstein. Bohm liet Jaworski inzien dat alles en iedereen in het universum met elkaar verbonden is. Er is dan ook een voortdurende wederzijdse beïnvloeding tussen dat universum en ogenschijnlijk op zichzelf staande gebeurtenissen. Anders geformuleerd: niets gebeurt "zo maar". 

Vanuit deze achtergrond komt hij tot de keuze voor de titel van zijn boek: synchroniciteit. Dat beschouwt hij als het ogenschijnlijk toevallig samenkomen van twee zaken die causaal geen verband met elkaar hebben in een gebeurtenis die zowel hoogst onwaarschijnlijk als hoogst belangrijk lijkt". Zo'n gebeurtenis is bijvoorbeeld de toevallige ontmoeting van mensen die je nodig hebt voor je doel. In die stroom moet je meegaan en de gelegenheid grijpen wanneer die zich voordoet. Op die manier worden we deel van een zich ontvouwende werkelijkheid. Daarin hoeven leiders zelf niet meer al te actief te zijn, als vanzelf komen voorspelbare wonderen tot stand. Zij moeten er volgens Jaworski vooral zijn en veel minder doen. Een goed gevoel voor timing en kleine ingrepen, dat zijn de belangrijkste leiderschapskwaliteiten. Maar dan is ook heel veel mogelijk!

Deze gedachten roepen bij mij zowel herkenning als ook afstand en vervreemding op.


Herkenning

Die herkenning zit in het feit dat een aantal gedachten van Jaworski aansluiten bij mijn persoonlijke ervaring als leidinggevende. Bij het lezen van een notie als 'er vooral zijn en minder doen' denk ik: "ja, dat klopt, die ervaring heb ik ook". Die ervaring is overigens mede gestoeld op de cursus Wijsheid in Leiderschap waar ook het taoïstische gedachtegoed voorbij kwam. Leiderschap is het ruimte bieden aan datgene wat ten diepste vanzelf gaat.


Afstand en vervreemding

Maar voor het overige is er toch ook veel afstand en vervreemding tot Jaworski. Het geheel maakt op mij ook wel een wat ongrijpbare indruk. Ik heb me de vraag gesteld wat daarvan de oorzaak zou kunnen zijn. Een aantal mogelijke verklaringen.


Je moet het zelf meegemaakt hebben

Je voelt dat Jaworski iets groots te pakken heeft. Iets waar je zelf nog niet aan toe bent en waar je mogelijk je hele werkzame leven wel niet aan toe zult komen. Het verhaal van Jaworski is een individuele getuigenis. De man doet in de loop van zijn leven een aantal spirituele inzichten op en verklaart die van toepassing op leiderschap. Die inzichten kunnen juist door het persoonlijke karakter moeilijk betwist worden. Het zijn zìjn inzichten en ervaringen. Maar juist dat spirituele en persoonlijke karakter creëert ook afstand. Je moet het allemaal zelf meegemaakt hebben om hem echt te kunnen volgen, was een gedachte die regelmatig in me opkwam bij het lezen.


Een reeks magische momenten of gewoon een goede netwerker?

Daar komt bij dat zijn taal die afstand nog verder vergroot. Jaworski zelf wijst aan het einde van zijn boek uitvoerig op het belang van taal. Die bepaalt veranderingen in onze waarneming en daarmee ons handelen. Door middel van taal creëren we de wereld. Maar juist met zijn taal schiet hij aan zijn doel voorbij. Zo spreekt hij over het zorgen voor voorspelbare wonderen. Dat klinkt nogal pathetisch. Zelf zou ik liever spreken over het creëren van condities waarin het toeval tot stand kan komen. En als dat toeval zijn werk eens een keer niet doet, is dat ook geen probleem. Kortom, iets meer nuchterheid. Ander voorbeeld. Op meerdere plaatsen in zijn boek steekt Jaworski de loftrompet over de interessante mensen die hij regelmatig ontmoet. Hij noemt dat een aaneenschakeling van magische ontmoetingen. Zouden die ontmoetingen ook niet gewoon een gevolg kunnen zijn van het feit dat Jaworski een begenadigd netwerker is?

Niek Jan van Kesteren, de voormalige directeur van werkgeversorganisatie VNO-NCW en in die hoedanigheid een toplobbyist, verklaarde bij zijn afscheid: "Je staat als een reiger langs de kant van de sloot en wacht af tot de vis voorbij komt. Ze moeten je niet zien" (de Volkskrant, 30 maart 2015). Zie hier hoe je met een krachtige metafoor duidelijk kunt maken dat niets doen soms beter is dan actief zijn. De kans is groot dat Jaworski en Van Kesteren hetzelfde bedoelen, maar de metafoor van de reiger werkt voor mij toch krachtiger dan die van het meebuigen met het universum.


Zou het echt?

Behalve het nederige besef dat Jaworski in zijn persoonlijke ontwikkeling wellicht verder is gekomen dan voor menige sterveling is weggelegd -in elk geval voor ondergetekende- is er nog een laatste verklaring voor de afstand die ik tot zijn gedachtegoed voel. Elk mens heeft recht op zijn eigen carrièrestap. Zo ook Jaworski. Maar op enig moment in zijn loopbaan maakt hij de overstap van het door hem opgerichte American Leadership Forum naar Shell. Ook die stap wordt met zeer veel pathetiek omgeven. Shell werkte in de jaren tachtig van de vorige eeuw aan een zeer veelbelovende methodiek van scenario-planning. Die zal zeker zijn aantrekkingskracht op Jaworski hebben uitgeoefend. Maar om die stap nu mede te verklaren vanuit een veldentheorie waarin onzichtbare krachten de ruimte en ons gedrag beïnvloeden? Het voert mij allemaal erg ver. Was het niet gewoon een interessante nieuwe functie met een vorstelijk salaris?


Tot slot

Met dank aan de medecursist van de Rabobank. Dit boek vormt zeker een positieve uitzondering op de reeks boeken over leiderschap die ik gelezen had. Blijf ik natuurlijk zitten met de vraag wat er met Wiebe Draijer is gebeurd.

Paul Strijp, 10 augustus 2017