Translate

vrijdag 12 juli 2019

Yuval Noah Harari biedt in Homo Deus een lege agenda voor de mensheid


BOEK
Yuval Noah Harari Homo Deus  Een kleine geschiedenis van de toekomst. Met een voorwoord van Bas Heijne. Vertaald door Inge Pieters. Thomas Rap, achtste druk, september 2017.


De nieuwe agenda van de mensheid. Niets meer en niets minder. Dat is waar Harari met dit boek een bijdrage aan wil leveren. Waarom? Omdat we nog een keuze hebben als het om nieuwe technologieën gaat. Die hoeven ons niet te overkomen, aldus de auteur. Echter, wat de vrijheidsgraden en handelingsopties bij die keuze zijn maakt hij niet of nauwelijks duidelijk. Zijn eigen bijdrage bestaat uit een adembenemend relaas van dik 400 pagina's over de vraag hoe mens, God en dier zich door de eeuwen heen tot elkaar verhouden hebben. De komende eeuwen meldt zich nog een vierde partij: het algoritme. Kort en goed: waar de mens zal proberen om met onsterfelijkheid op God te lijken, krijgen data en het algoritme uiteindelijk de absolute macht.







Een nieuwe agenda voor de mensheid is volgens Harari nodig omdat we honger, ziekte en oorlog inmiddels voldoende onder controle hebben. Deze drie factoren hebben de agenda eeuwenlang beheerst. Langs drie verhaallijnen schetst Harari vervolgens een evolutionaire ontwikkeling die de machtsverhoudingen in onze wereld op zijn kop zal zetten.


Strijd tussen entiteiten

De eerste verhaallijn is die over de strijd, het conflict en de machtsverdeling tussen drie entiteiten: God, mens en dier.

De afgelopen 70.000 jaar was de mens de baas. En wel in de persoon van de Homo Sapiens. Zonder dat hij zich daar waarschijnlijk bewust van was heeft de mens door het uitroeien van andere mensen en van dieren het natuurlijke systeem op aarde ingrijpend veranderd. Waar dat systeem voorheen bestond uit afzonderlijke ecologische zones, zijn die nu allemaal met elkaar verbonden. Met andere woorden: de mens heeft voor een onderlinge afhankelijkheid van de verschillende ecosystemen gezorgd. Zo kunnen flora en fauna en klimaatverandering nergens op aarde geïsoleerd, dat wil zeggen los van de toestand op andere plaatsen, bestudeerd worden.

Met God sloot de mens een zogeheten agrarische deal. Als de mens maar goed zorgde voor de natuur en de dieren, dan verkreeg hij van God ook de zeggenschap over die dieren. En dat is iets waar Harari zich groen en geel aan ergert. Het hele boek door. Waarom? Omdat er voor die machtsverhouding tussen mens en dier geen enkele legitimatie is. Zo is het een drogreden om te veronderstellen dat de mens over een eeuwige ziel beschikt en het dier niet. Mens en dier verschillen niet zo heel veel van elkaar, zo stelt de auteur. Het enige wat dieren niet kunnen is flexibel samenwerken in grote groepen. Mensen kunnen dat wel omdat ze elkaar verhalen vertellen. Verhalen hebben een stabiliserende functie in menselijke gemeenschappen.

Zo staat de mens er in de driehoeksverhouding met God en het dier nog goed op. Maar dat gaat veranderen. Er is namelijk ook een andere strijd gaande. Daarin delft de mens het onderspit.


Strijd tussen instituties

Dat is de machtsstrijd tussen een viertal instituties: wetenschap, religie, humanisme en liberalisme. Deze vormt de tweede lijn in het boek.

Volgens Harari heeft de mens ten diepste behoefte aan verhalen en verzinsels. Je zou ook kunnen zeggen: de mens zit niet op de waarheid te wachten. In die behoefte aan fictie komt de wetenschap de mens tegemoet. Want ook de wetenschap is niet in staat om mythen door feiten te vervangen. Net zo min als religie. Religie immers is in de kern een allesomvattend verhaal dat wetten, normen en waarden een bovenmenselijke superioriteit verschaft. Daarmee vormen wetenschap en religie een monsterverbond: beide zijn méér gericht op orde en macht dan op waarheid. Hoewel ik deze stelling niet ten volle 'doorvoel', zou mijn reactie zijn: sic, nogal boud! De wetenschap die niet op waarheid is gericht?

Van de godsdiensten noemt Harari het humanisme in het bijzonder. Na de dood van God heeft deze de mensheid van de totale ondergang gered. Het humanisme heeft de mens heilig verklaard en haar 'bevolen' om zin te geven aan een zinloze wereld. Mensen werden de vervangers van God, de menselijke beleving de ultieme bron van zingeving en gezag.

Toen volgden de jaren zeventig. Het liberalisme diende zich aan als een serieus en geloofwaardig alternatief. Maar ook het liberalisme heeft zijn langste tijd gehad, zo stelt de auteur. Waarom? Omdat haar fundamenten worden ondermijnd door de wetenschap van de 21e eeuw en meer in het bijzonder door post-humanistische technologieën. De vrijheid van de mens blijkt een illusie. De mens heeft niets te kiezen want al haar keuzen zijn het gevolg van biochemische processen. Van zogeheten patronen van vurende neuronen. Mensen verliezen hun economische waarde omdat intelligentie niet langer is voorbehouden aan het menselijk bewustzijn. Dat is een regelrechte bedreiging voor het liberalisme.

Wetenschap, religie, humanisme en liberalisme: vier instituties die het volgens Harari allemaal gaan afleggen tegen een nieuw kid on the block. Daarmee dient zich de derde verhaallijn aan.


De winnaars van de strijd: algoritme en dataïsme

De ontwikkeling van nieuwe intelligentie waarover de mens niet beschikt (de zogeheten niet-bewuste intelligentie) is mogelijk door algoritmen. Deze presteren beter dan de mens in het herkennen van patronen. Een algoritme kent een mens dan ook beter dan hij of zij zichzelf ooit zal kennen. De soevereiniteit van het individu zal oplossen in een wereldwijd netwerk van algoritmen. Dat netwerk stuurt de menselijke biochemische processen, niet de mens zelf. 

Als de Homo Sapiens daarmee zijn betekenis verloren heeft zouden we volgens sommigen (de zogeheten techno-humanisten) een nieuw superieure mens moeten creëren: de Homo Deus. Een onsterfelijke mens die zich staande houdt naast het niet-bewuste algoritme. En er is een stroming die nòg verder gaat: het dataïsme. Haar boodschap: de waarde van een entiteit wordt bepaald door haar bijdrage aan het proces van dataverwerking. Alle goeds is afkomstig van data, de mens als primaire bron van zingeving en autoriteit verdwijnt. De mens is niet méér dan een kleine chip in een gigantisch systeem dat niemand nog begrijpt. De dataïsten zijn dus in tegenstelling tot de techno-humanisten veel pessimistischer over de positie en betekenis van de mens.


Lege agenda voor de mensheid

Als we een beetje bekomen zijn van deze adembenemende vergezichten, rijst de vraag: maar hoe zit het nu met die agenda voor de mensheid? Want daar was het toch allemaal om begonnen? De mensheid zou nog iets te kiezen hebben. Met andere woorden: tot welke handelingsperspectieven leiden de drie hiervoor uitgewerkte verhaallijnen?

En dan blijft het jammer genoeg toch stil. In het begin van zijn boek reikt Harari nog wel een aantal projecten aan die een invulling van die agenda zouden kunnen zijn. Zo zouden we voor ons geluk minder hoge verwachtingen moeten koesteren. Want verwachtingen blijken bepalender dan de objectieve omstandigheden. Maar Harari werkt dat niet verder uit, zodat de lezer met lege handen achterblijft.

Het vervolg leest als een onvermijdelijke evolutionaire ontwikkeling. De technologische ontwikkelingen komen in een duizelingwekkend tempo op de mens af. Niemand weet waar de rem zit, zo stelt Harari op pagina 62. Met andere woorden: opties voor vertraging zijn er niet. Wat moet de gewone sterveling dan, zeker als zijn wil ook nog eens biochemisch gedetermineerd blijkt? Op pagina 374 houdt hij nog even een zeer kortstondig pleidooi om méér te dromen en te twijfelen. Kijk, op dat type aanbevelingen zitten we te wachten.

Aan het einde van zijn boek, op pagina 407, laat de auteur nog een levensgrote kans liggen.
"Een en dezelfde technologie kan heel verschillende soorten maatschappijen opleveren. (...) Kijk naar Zuid-Korea en Noord-Korea. Die hebben toegang tot exact dezelfde technologie, maar ze hebben voor heel verschillende toepassingen gekozen".
Wat zegt Harari hier? Is technologie slechts een willoos instrument in handen van willekeurig welk regime? Of hebben we -zoals hij in het begin poneert- echt iets te kiezen? Wat zijn dan de keuzes die Noord- en Zuid-Korea hebben gemaakt en in hoeverre kunnen deze model staan voor de agenda van de mensheid?

Uiteindelijk moet de lezer genoegen nemen met een drietal vragen.
Normaal gesproken kunnen vragen van grote wijsheid getuigen. Maar na de initiële belofte van de auteur en na 400 pagina's duizelingwekkend betoog was een aantal contouren van een handelingskader wel op zijn plaats geweest.


Paul Strijp, 11 juli 2019

dinsdag 7 mei 2019

Briefwisseling Joseph Roth en Stefan Zweig in 'Elke vriendschap met mij is verderfelijk' getuigt van onvoorwaardelijke vriendschap met donker randje


BOEK
Joseph Roth en Stefan Zweig  Elke vriendschap met mij is verderfelijk. Brieven 1927 - 1938. privé-domein 300. Vertaald door Els Snick. Met een nawoord van Heinz Lunzer. Uitgeverij De Arbeiderspers. Amsterdam - Antwerpen, 2018.


Eigenlijk was hun vriendschap onmogelijk. Immers, de afhankelijkheid die Joseph Roth door zijn financiële problemen van Stefan Zweig had, zorgde voor een grote ongelijkwaardigheid. En op hetzelfde moment was hun vriendschap ook weer onvoorwaardelijk. De briefwisseling tussen beide auteurs stoelt op deze paradoxale spanning. Alcoholproblemen en voortdurende bedelverzoeken van Roth, soms harde wederzijdse oordelen, een fysieke afstand en een fundamenteel verschil in opvatting over de gewenste protestvorm tegen het opkomende nationaalsocialisme in Duitsland: al deze factoren belemmerden die vriendschap in het geheel niet. Dat neemt niet weg dat Zweig buiten de aan Roth gerichte brieven om, ook blijk geeft van een zekere minachting voor zijn vriend. Daarmee kent hun relatie ook een verborgen en donker randje.







Over beide auteurs

Stefan Zweig (1881 - 1942) was van joodse afkomst. Hij werd in 1881 in Wenen geboren in een welgesteld gezin als zoon van een uit Moravië afkomstige vader en een moeder uit Ancona. Zweig studeerde Germanistiek, Romaanse kunst en filosofie. Reeds tijdens zijn studententijd gaf hij gedichten uit, maar zijn grootste roem als schrijver verwierf hij met zijn novellen. In de jaren twintig van de vorige eeuw gold Zweig als een van de meest succesvolle Duitstalige schrijvers. Werken zoals zijn autobiografie De wereld van gisteren (1944), Jeremias (1917) en Sternstunden der Menschheit (1927) werden zeer veel gelezen. In 1920 trouwde hij met Friderike von Winternitz, van wie hij in 1938 scheidde. Een jaar later hertrouwde hij met Elisabet Charlotte "Lotte" Altmann. Samen met haar pleegde hij in 1942 in Brazilië zelfmoord. Zie ook:

https://boekbesprekingenpaulstrijp.blogspot.com/2018/11/de-wereld-van-gisteren-van-stefan-zweig.html

Joseph Roth (1894 - 1939) werd geboren in het Joodse stadje Brody in het oosten van Galicië. Zijn jeugd kenmerkte zich door een beschermde, liefdevolle opvoeding van zijn alleenstaande moeder en door een succesvolle middelbare schoolperiode. Roth slaagde cum laude voor het gymnasium. Na zijn terugkeer uit militaire dienst toonde hij zich zeer actief als kritisch journalist. Met name door zijn publicaties voor de Frankfurter Zeitung verwierf hij in de jaren twintig grote bekendheid.

Welke factoren zorgden dan toch voor een leven vol kommer en kwel? Een zwervend bestaan van hotel naar hotel, een te grote vrijgevigheid met alle financiële problemen van dien, de ziekte van zijn vrouw en zijn alcoholisme. Vreemd genoeg leden de kwaliteit en de productiviteit van zijn werk als journalist en romancier daar niet onder. Zijn beroemdste boek was Radzetskymarsch (1932), een maatschappijkritische roman over de laatste jaren van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Roth stierf in armoede en zeer slechte gezondheid. (Bron voor biografische gegevens Joseph Roth: nawoord door Heinz Lunzer, pagina's 373 - 377).



Roth over Zweig


De briefwisseling tussen beiden is ruim zes jaar gaande als Joseph Roth zich plots assertief toont. Waar de correspondentie tot dat moment zich voornamelijk kenmerkte door een litanie over zijn gezondheids- en financiële problemen en door de welwillende reactie van Zweig daarop, staat Roth nu op en laat voor het eerst een fel protest horen tegen Zweig.
"Alles komt doordat u zo lang aarzelt. (…) U dreigt uw morele krediet te verliezen in de wereld en in het Derde Rijk niets te winnen. (…) Ik begrijp uw houding niet (…) u moet ofwel breken met het Derde Rijk, ofwel met mij." (pp.119 - 120)
Sic! De spanning doet zijn intrede in hun vriendschap. Roth mag dan onophoudelijk bij Zweig aankloppen voor financiële bijstand, hij deinst er niet voor terug om zijn vriend onomwonden de waarheid te vertellen. Au fond spitst zijn kritiek op Zweig zich op de volgende punten toe.

Allereerst verwijt Roth hem een naïef optimisme. Zweig is in zijn visie een romanticus. Hij ziet het slechte niet, maar leeft van het geloof en van de goedheid. Onder 'het slechte' verstaat Roth het geheel aan politieke ontwikkelingen in Duitsland in het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw en meer in het bijzonder de opkomst van het nationaalsocialisme. Voor zijn gevoel zou Zweig zich daar veel openlijker en explicieter tegen moeten uitspreken.
"Ik vrees dat u nog niet helemaal beseft wat er gebeurt. U zoekt nog overal naar oplossingen. (…) Het woord is gestorven (…) Het woord heeft geen enkele betekenis meer (…) Er bestaat geen 'publieke opinie' meer. (…) Liever had ik dat u zich met het hele gewicht van uw naam in de strijd werpt." (pp. 98, 114, 120)

Daarnaast vindt Roth Zweig een allemansvriend.
"U hebt naar mijn smaak altijd te veel vrienden gehad. (…) Het kan alleen maar goed voor u zijn als u een paar vrienden verliest. (…) Argeloos (…) gaat u met Jan en alleman te vriendschappelijk om." (pp. 125, 205)

Achter deze kritiek gaat pijn schuil. De pijn die Roth ervaart als hij te weinig aandacht van Zweig krijgt. Waarom heeft hij voor al die anderen wel tijd en voor mij niet? Niet zelden begint een brief van Roth met een verwijt in deze sfeer aan het adres van Zweig.


Zweig over Roth

Omgekeerd neemt Zweig evenmin een blad voor de mond. Ook hij spaart zijn vriend niet. Zijn kritiek is meestal in diplomatieke en weloverwogen termen verpakt. Maar niet altijd. Zoals één van die keren dat zijn toorn zich richt op het bovenmatig alcoholgebruik van Roth.
"U moet stoppen met zuipen (…)" (p. 168)
In algemene zin probeert de uitgebalanceerde Zweig Roth adviezen te geven voor meer evenwicht in zijn leven en voor een vermindering van zijn prikkelbaarheid.
"Reageert u toch alstublieft vooral niet altijd zo ongeduldig. (…) U moet zo rustig mogelijk proberen te blijven (…) u moet al uw krachten sparen voor uw werk (…) Waarom, waarom toch bent u meteen gekrenkt?" (pp. 167, 280, 330).

En toch: onvoorwaardelijke vriendschap

De prachtige paradox van deze briefwisseling schuilt in het feit dat de fundamentele ongelijkwaardigheid tussen beide auteurs, vooral ingegeven door het financiële beroep dat Roth onophoudelijk op Zweig doet, de vriendschap in het geheel niet belemmert. Menige brief eindigt met een verbitterde toon, direct gevolgd door een hartstochtelijke groet van diepe, bijna eeuwigdurende vriendschappelijke verbondenheid. Zowel van Roth naar Zweig ...
"U kunt me beter meteen laten weten dat u niet langer voor mij wilt zorgen (…) Ik hou veel van u. Ik omarm u." (p. 184)
"Niet kwaad zijn en altijd weten dat ik u liefheb." (p. 262)
"Ik neem het u wel kwalijk - en onze vriendschap zal er niet onder lijden" (p. 316)
… als omgekeerd.
".... u ontsnapt toch niet aan de ongelukkige liefdesrelatie die ik met u heb (…) Roth, vriend, ik weet dat u vreselijke problemen hebt en dat maakt mijn liefde voor u alleen maar groter …" (p. 335)
"… ik voel me gekwetst als dan plotseling een boek verschijnt waar u, mijn vriend, een jaar aan gezwoegd hebt en waar ik niets van weet, als ik de laatste ben die iets verneemt, (…) Heel innig uw oude St. Z." (pp. 340-341)

Waar Roth Zweig om toestemming vraagt om hem een broer te noemen, belooft Zweig hem eeuwige trouw. Hun vriendschap bereikt een hoogtepunt in 1936 als Roth op uitnodiging van Zweig naar Oostende komt. Volgens Zweig kunnen ze elkaar bij het werk ondersteunen en kunnen ze dat beiden gebruiken. Eindelijk lukt het weer een keer om -bij alle ongemak die de fysieke afstand tussen hun beider verblijfplaatsen doorgaans met zich meebrengt- een fysieke ontmoeting te regelen!


Verborgen , donkere laag

Toch lijkt er een verborgen, donkere laag te schuilen in die onvoorwaardelijke en eeuwige vriendschap. Roth realiseert zich dat een vriendschap met hem sporen nalaat bij de ander. De titel van het boek, ontleend aan een zin uit een brief van Roth aan Zweig uit 1932, getuigt daarvan. Vier jaar later stelt Roth dat een vriendschap met hem ".... op zekere dag pijnlijk moet worden".

Die pijn zal Zweig zeker gevoeld hebben. Dat moge voldoende blijken uit de hiervoor aangehaalde citaten. Maar uit de in het boek opgenomen Brieven aan derden (dat wil zeggen: de brieven van Stefan Zweig die niet aan Joseph Roth zijn gericht) blijkt nog iets anders. Ondanks zijn vriendschap moet Zweig ook een zekere minachting voor hem gevoeld hebben. Kwalificaties als ".. zijn dwaasheid is eindeloos", "een krankzinnige met geld", "Je kunt je niet voorstellen hoeveel uren en dagen ik al verspild heb", "een verschrikkelijk en hopeloos geval" en "een sympathieke gek" werpen toch een ander licht op hun relatie. Een licht dat in de briefwisseling tussen hen beiden niet zichtbaar was.



Laatste, prangende vraag

Tot slot. In die zogeheten Brieven aan derden schrijft Friderike Zweig, één jaar vóór haar echtscheiding, aan haar man …
"Hopelijk raakt Roth stilaan minder verbitterd tegenover jou. (….) Zijn grote liefde voor mij speelt natuurlijk mee …." (p. 357)
 Grote liefde van Joseph Roth voor de echtgenote van zijn beste vriend? Wat is dat? Had Heinz Lunzer dit gegeven in zijn nawoord ten minste niet even moeten aanstippen, zo niet nader moeten duiden?


Paul Strijp, 7 mei 2019

vrijdag 22 maart 2019

Ondanks fascinerende visie op de metropool vertilt Richard Sennett zich in Stadsleven aan zijn ethiek van de stad



BOEK
Richard Sennett Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst. Vertaald door Maarten van der Werf. Meulenhoff. Amsterdam, 2018.



Kan ethiek leidend zijn bij het ontwerpen van een stad? Met deze vraagstelling begint Sennett aan een stedenbouwkundige zoektocht naar de metropool van de toekomst. Die tocht is buitengewoon informatief en fascinerend, dit boek verveelt geen moment. Sennett laat zien hoe tal van belangwekkende stedenbouwkundigen vanaf de negentiende eeuw elk op hun eigen manier vorm hebben gegeven aan de relatie tussen de fysieke stad (ville) en de overtuigingen in die stad (cité). Daarnaast passeren allerhande zeer lezenswaardige beschouwingen de revue, bijvoorbeeld over de invloed van technologie op en in de stad. Sennett breekt daarbij een lans voor -wat vrij vertaald genoemd zou kunnen worden- ongemak, door hem aangeduid als complexiteit en ambiguïteit. Het expliciete antwoord op zijn initiële vraagstelling (kan ethiek leidend zijn bij het ontwerpen van een stad?) blijft helaas achterwege. Ook zijn ethiek van de open stad is verre van coherent. Hoe lezenswaardig zijn boek ook is, uiteindelijk vertilt Sennett zich aan zijn ethiek.











Ville en cité


Haussmann, Cerdà, Olmsted, Le Bon, Simmel, Weber, Park met zijn Chicago School, Le Corbusier, Jacobs, Mumford. Grote namen in de geschiedenis van de stedenbouw. Sennett laat ze allemaal de revue passeren en presenteert hun denkbeelden. Zoals die van Haussmann, voor wie mobiliteit centraal stond in zijn notie van de goede stad. Of Olmsted, de grondlegger van de groene stad. En niet te vergeten Jacobs natuurlijk, de grande dame van de anarchistische stroming in de stedenbouw met haar pleidooi voor gemengde wijken, een informeel straatleven en lokale zeggingskracht.


Nu overzie ik de stedenbouwkundige literatuur niet, maar ik stel mij voor dat een dergelijk overzicht niet zo heel bijzonder is. Dat zal vast vaker gepresenteerd zijn. Maar wat dit overzicht zo interessant maakt, is dat Sennett laat zien hoe elk van deze stedenbouwkundigen de relatie tussen ville en cité vormgeeft. Ville staat voor de fysieke plaats, de harde kant van de stad. Cité duidt op de mentaliteit, het geheel aan opvattingen over de stad. De generatie Haussmann, Cerdà en Olmsted probeerde beide te laten samenvallen. Die ambitie had de volgende generatie, bestaande uit Park, Le Corbusier, Costa, Jacobs en Mumford, niet meer. Waar het werk van Haussmann cum suis een sociale functie had en gericht was op ontmoeting en menging, verklaarde Costa bij het ontwerp van de stad Brasilia bijvoorbeeld dat de cité nog niet toe was aan de ville. Met andere woorden: de tweede generatie bouwde liever eerst, de mentaliteit zou vanzelf volgen. De ville ging bij hen aan de cité vooraf.




Als het ons maar niet te gemakkelijk wordt gemaakt

Na dit openingsdeel richt Sennett zich in het tweede en derde deel van zijn boek op een veelheid aan stedenbouwkundige vraagstukken, alle vanuit een internationaal perspectief. De rode draad hierbij laat zich als volgt samenvatten: het moet de inwoners van metropoolregio's allemaal niet te makkelijk worden gemaakt, zij zijn vooral gebaat bij complexiteit en ambiguïteit.



Dat blijkt bijvoorbeeld bij het vraagstuk van de smart cities.
Sennett laat er geen misverstand over bestaan: hoe meer een stad met technologie voor haar inwoners bepaalt en voorschrijft, hoe dommer die inwoners worden. Hoe onduidelijker het leven in de stad daarentegen is, hoe meer je je best moet doen en hoe slimmer je wordt. De Zuid-Koreaanse stad Songdo, die volgens de auteur vanuit de cockpit wordt bestuurd, omschrijft hij dan ook als een nachtmerrie.


Andere voorbeelden van de functie van complexiteit en ambiguïteit. Als tegenwicht voor de alomvattende planning vóóraf poneert Sennett het concept van het plannen van zaadjes. Dat biedt ruimte voor variatie en innovatie. En het samen met bewoners ontwerpen van een stad lukt alleen als dat proces wordt gezien als schuurpapier. Er moet een zekere ruwheid in die interactie zitten, daar gaat een uitnodiging van uit om verder te praten. Iets wat af en duidelijk is, is dood.





Functionele zijpaden

Sennett permitteert zich uitstapjes. Naar klassieke romanschrijvers, naar een aantal persona en naar persoonlijke levenservaringen. Deze zijpaden zijn functioneel, zij dragen beslist bij aan een beter begrip van hetgeen de auteur betoogt.



Om het tekort aan complexiteit van de slimme stad te illustreren haalt Sennett bijvoorbeeld de Oostenrijkse romancier Robert Musil (1880 - 1942) aan. In zijn meesterwerk Man zonder eigenschappen maakt de hoofdpersoon een verdoofde indruk,
".. een vloeibaar mens, plooibaar, gemakkelijk, aanpassingsbereid, prettig in de omgang aan het oppervlak maar daaronder niet al te betrokken bij de wereld om hem heen".


Deze hoofdpersoon zou zo maar een inwoner van een slimme stad kunnen zijn. Volgens Musil hoeft hij of zij niet te twijfelen of na te denken. Om te kunnen functioneren volstaat de automatische piloot. Ook de verwijzingen van Sennett naar grote auteurs als Stendhal en Balzac werken verrijkend. Uit hun werk blijkt dat het voor het doorgronden van de stedelijke mentaliteit nodig is om de kleinste details te kennen. Een gedachte die Sennett daarvoor zelf heeft aangestipt door te wijzen op de noodzaak om in de stad vreemde mensen te leren kennen.


Sennett heeft ook een aantal persona, archetypen, in petto. Mijnheer Sudhir in India bijvoorbeeld, een marktkoopman. Hij staat symbool voor iemand aan de onderkant van de samenleving, kwetsbaar en onzeker. Toch is ook voor hem verticale mobiliteit, het klimmen op de maatschappelijke ladder, mogelijk. Hij moet daarvoor alleen in het reine zien te komen met de 'schimmige routes' van de informele wereld waarin hij zich beweegt. Die routes staan natuurlijk bol van de ambiguïteit.


Wat het boek prettig persoonlijk maakt zijn de ontboezemingen van Sennett over zijn beroerte. Die worden nergens sentimenteel maar staan ten dienste van zijn betoog. Sennett laat namelijk zien hoe hij zelf ervaren heeft dat mensen in de stad zich emotioneel afsluiten en zich niet met elkaar bemoeien. Als zijn beroerte hem dwingt om tegen een muur te leunen gunnen de voorbijgangers hem een blik, maar verder gaat hun belangstelling ook niet.



Ethiek van de (open) stad



In het vierde en laatste deel van zijn boek ontvouwt Sennett zijn ethiek van de stad, meer in het bijzonder zijn ethiek van de open stad. Die kondigt hij in het begin van het boek al aan met zijn centrale vraagstelling: kan ethiek leidend zijn bij het ontwerpen van een stad? De beantwoording van deze vraag overtuigt niet.


Dat begint al met het feit dat Sennett vanuit een zeker axioma vertrekt. Namelijk de stelling dat een proactieve stedenbouw kan samengaan met -wat hij noemt- een ethiek van de bescheidenheid. Daaronder verstaat Sennett een ethiek die vertrekt vanuit het besef dat de stedeling ook maar een individu is te midden van veel anderen. Hieruit blijkt een positieve grondhouding en niet een waarlijk open houding naar zijn probleemstelling.


Dan de definitie van ethiek. Die bestaat uit drie dimensies: tolerantie ten opzichte van verschillen, het streven naar gelijkheid en de bevrijding uit het keurslijf van het bekende. Deze dimensies worden in het boek 'geladen'. Zo illustreert Sennett de tolerantie door een verwijzing naar de parken van Olmsted. Door hun ontwerp waren die immers bij uitstek tolerant voor sociale verschillen. En zijn aanmoediging tot nieuwsgierigheid teneinde aan de verdovende slimme stad te ontsnappen kan gelezen worden als een oproep tot bevrijding uit het bekende. Zoals hij de opdracht van de filosoof Levinas om de interactie en ontmoeting met de ander op te zoeken ook als een ethische opdracht omschrijft. So far, so good.


Maar dan gaat Sennett dwalen door ongevraagd dimensies toe te voegen. Zo is zijn ethiek van de bescheidenheid toch moeilijk in verband te brengen met tolerantie, gelijkheid of bevrijding uit het bekende. Hetzelfde geldt voor de keuze tussen mitigatie en adaptatie als strategieën voor klimaatverandering. Die kwalificeert hij als een ethische kwestie. De eerste strategie probeert de negatieve gevolgen zo veel mogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld door het plaatsen van keringen. Sennett kiest voor adaptatie. Daarbij wordt géén weerstand geboden aan de gevolgen van klimaatverandering, maar wordt 'meegewerkt'. Dat kan bijvoorbeeld door de aanleg van een bufferzone van drasland waardoor de golven worden gebroken. Mogelijk dat deze keuze méér is dan een technische kwestie, maar het is voor de lezer lastig om de ethische dimensie te ontwaren en al helemaal om een relatie te zien met één van de drie genoemde dimensies.


Kant is en Arendt doet



Aan het einde van zijn boek zet Sennett twee grote filosofen naast elkaar: Kant en Arendt. Geconfronteerd met de paradox dat mensen met elkaar in contact moeten komen maar daar tezelfdertijd ook angstig voor zijn, kiest de eerste voor een passief aanvaarden van de situatie (aangeduid als zijn) en Arendt voor een actief opzoeken van ontmoetingen (doen). Sennett kiest hier geen positie. Misschien hoeft dat ook niet, omdat beide filosofen lijken te refereren aan één bepaalde dimensie van ethiek (Kant aan tolerantie en Arendt met haar ontmoetingen aan de bevrijding uit het bekende). Echter, omdat hij zijn initiële vraagstelling (kan ethiek leidend zijn bij het ontwerpen van een stad?) vervolgens ook niet expliciet beantwoordt, blijft de lezer in de mist achter. Wat is hier nu precies de boodschap van Sennett? Zijn finale opmerking dat de ethiek van de open stad bijdraagt aan rijkdom in plaats van helderheid van betekenis, doet die mist niet optrekken.


In zijn dankwoord laat Sennett weten dat zijn partner, de Nederlands-Amerikaans sociologe en econome Saskia Sassen, hem de ethische dimensie van het stadsleven heeft doen inzien. Hoe is dat proces precies verlopen? Dat had ik graag willen lezen. Mogelijk had dat meer helderheid gecreëerd.




Foto aan achterzijde boek







De ethiek van de stad is mistig, fragmentarisch. Losse noties, op zichzelf interessant maar in de verste verte nog geen begin van een coherent systeem vormend. Ambigue zou je bijna zeggen. Misschien was dat ook juist de bedoeling van Sennett, maar ik had hier toch graag meer scherpte gezien.


Dat laat onverlet dat dit boek een zeer informatieve en fascinerende gids is voor iedereen die wil weten wat er wereldwijd rondom grote steden gaande is. 


Paul Strijp, 23 maart 2019




zondag 2 december 2018

Viktor E. Frankl legt de morele lat hoog in De zin van het bestaan



BOEK
Viktor E. Frankl  De zin van het bestaan. Een psycholoog beleeft het concentratiekamp & een inleiding tot de logotherapie. AD. Donker, Rotterdam. 18e druk, 2018.








Het leven heeft zin. Altijd. Elk mens heeft namelijk de vrijheid en de verantwoordelijkheid om de zin van het leven, inclusief het lijden dat daaraan inherent is, te ontdekken. Oók onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Daarmee legt de auteur de morele lat hoog. Zo verzet hij zich ook tegen het plegen van zelfmoord. Frankl heeft recht van spreken want hij was zelf gevangene in een concentratiekamp. In dit boek combineert hij zijn dagelijkse ervaringen in dat kamp met zijn inzichten als logotherapeut. De essentie van logotherapie is het bieden van een heroriëntatie op de zin van het leven. Niet alleen in het kamp maar ook in zijn professionele context vond Frankl die heroriëntatie door vrijheid aan verantwoordelijkheid te verbinden. Het meest indringend zijn de noties over de betekenis van het lijden, hoewel die de lezer ook met vragen achterlaten.




"Ten slotte is het de mens die de gaskamers van Auschwitz heeft uitgevonden, maar het is ook de mens die deze gaskamers waarlijk heeft betreden ….", aldus de laatste zin van dit boek. De mens is beest en weldoener tegelijk, wil Frankl maar zeggen. En de grens tussen beide loopt niet parallel met het onderscheid tussen gevangenen en bewakers van het concentratiekamp. "... daarom trof men ook af en toe een fatsoenlijk mens aan onder de bewakers".


Hoge morele lat

Dit is slechts één van de dagelijkse ervaringen van Frankl. Hij groepeert deze aan de hand van de drie fasen die elke gevangene in een kamp doorloopt: shock, onverschilligheid en depersonalisatie. Waar de eerste fase zich kenmerkt door een veelheid aan -soms ook tegenstrijdige- gedachten, is de fase van de onverschilligheid gericht op zelfbescherming en een -wat Frankl noemt- emotionele dood. Zelfs het aanschouwen van het afknijpen van de bevroren tenen van een kind of van lichamen die zichzelf verteren, beroert de gevangene dan niet. De fase van depersonalisatie kenmerkt zich dan weer door totale wezenloosheid. "Wij hadden het vermogen tot blijdschap letterlijk verloren en moesten het langzaam opnieuw aanleren".

Kortom: de ervaringen van Frankl tonen hoe weerzinwekkend het leven in zijn concentratiekamp is geweest. Je zou een zekere mildheid verwachten naar zijn medegevangenen die dat leven niet langer konden dragen. Een zeker mededogen naar hen die zelfmoord pleegden of dat overwogen. Niets van dat alles. Frankl legt, met twee enkele zinnetjes op pagina 102, de morele lat hoog.

"Een mens die zich bewust wordt van zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van een ander, of van een onvoltooid werk, zal nooit in staat zijn een einde te maken aan zijn leven. Hij kent de reden waarom hij leeft, en hij zal dus vrijwel alle levensomstandigheden kunnen verdragen." 

Helaas maakt Frankl geen melding van de omstandigheden die zelfs voor hem ondraaglijk zijn of die zelfmoord zouden legitimeren.


Verwantschap met Sarte


Naast verantwoordelijkheid stelt Frankl vrijheid centraal. In elke situatie, hoe beroerd ook, kan de mens immers zijn eigen houding bepalen. Hij noemt dat het concept van de laatste menselijke vrijheid. Met het centraal stellen van verantwoordelijkheid en vrijheid doet Frankl onvermijdelijk aan Sartre denken. Ook Sartre is van mening dat de mens zijn vrijheid en verantwoordelijkheid niet kan afschuiven op omstandigheden, zelfs niet in extreme situaties (zie www.filosofie.nl en www.nl.m.wikipedia.org). Maar waar de mens volgens Sartre zichzelf 'verzint' of 'ontwerpt', is er bij Frankl sprake van het 'ontdekken' van zijn eigen essentie. Frankl neemt op dit punt afstand van Sartre. Maar hij werkt dat 'ontdekken',  dat als een rode draad door dit boek loopt, nergens systematisch uit. Het verschil tussen beiden wordt dan ook niet scherp.



Logotherapie

In het tweede deel van dit boek zet Frankl de beginselen van de logotherapie uiteen. Dit is een vorm van psychiatrie waarin Frankl zich als psychotherapeut, psychiater en hoogleraar heeft bekwaamd. Deze introductie zorgt voor een breuk in het boek, de overgang van het concentratiekamp naar de professionele praktijk van Frankl is wel erg groot. Dat is even wennen. Echter, vanwege de verwantschap tussen zijn ervaringen in dat kamp en de therapeutische beginselen blijkt die breuk overkomelijk.

Die verwantschap zit in het centraal stellen van verantwoordelijkheid en vrijheid. Dat is namelijk wat logotherapie ook doet. Logotherapie biedt de cliënt een heroriëntatie op de zin van het leven door hem of haar met het bestaan te confronteren. Een al te egocentrische houding van de cliënt wordt daarmee voorkomen. Frankl probeert afstand te nemen van de psychoanalyse maar evenals bij Sartre wordt dat verschil niet scherp.



Vragen over gronden van het lijden


De eerder geciteerde pagina 102 biedt één van de interessantste passages van het gehele boek. Op die pagina neemt Frankl afstand van het plegen van zelfmoord. Hij doet dat door het lijden te legitimeren. Waar een gevangene wellicht van mening is dat hij niets meer van het leven te verwachten heeft, draait Frankl de redenering om: wat heeft het leven, ondanks al uw lijden, nog van u te verwachten? Het kan zo maar zijn dat iemand na uw vrijlating uit het concentratiekamp op u zit te wachten dan wel dat u nog een groot werk, bijvoorbeeld het schrijven van een boek, dient te voltooien. Die twee, medemens en werk, vormen voor Frankl gronden om het lijden te dragen.

Dat vond ik een interessante redenering. Frankl gaat dus niet zo maar uit van een a priori lijden zoals dat in de christelijke leer wordt aangehangen, maar koppelt dat lijden aan externe factoren. Medemens en werk, ja, je kunt je voorstellen dat die het leven in een concentratiekamp draaglijk maken. Toch roept deze redenering ook meteen vragen op. De belangrijkste luidt: mag je ook van een gevangene zonder familie en zonder levenswerk verwachten dat hij verantwoordelijkheid voor zijn leven en het bijbehorende lijden neemt? En géén einde aan zijn leven maakt? Die kardinale vraag beantwoordt Frankl niet.


Paul Strijp, 2 december 2018





zondag 4 november 2018

De wereld van gisteren van Stefan Zweig: prachtig gelaagde, dramatische en ambivalente autobiografie


BOEK
Stefan Zweig  De wereld van gisteren. Herinneringen van een Europeaan. Vertaald door Willem van Toorn. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam - Antwerpen. privé-domein. Negende druk, 2016. Met een reactie van Casper Hartman.


Een onweerstaanbare drang naar vrijheid die welhaast als een plicht voelde. Een diepe verbondenheid met zijn geboorteland Oostenrijk, met Europa en met het jodendom. En een levensloop die bijna 'dwingend' moest leiden tot een succesvol schrijverschap. Zie hier de drie verhaallijnen in deze autobiografie. Deze wordt ook nog eens doorspekt met interessante historische analyses. Dat geheel, gevoegd bij de dramatische lading die deze autobiografie later zou blijken te bevatten, maakt het lezen ervan tot een overrompelende ervaring. Onderdeel van die ervaring is dat de lezer met een aantal vragen blijft zitten. Er schuilt een zekere ambivalentie in dit laatste werk van Zweig.



Wie was Stefan Zweig?


Zweig was van joodse afkomst. Hij werd in 1881 in Wenen geboren in een welgesteld gezin als zoon van een uit Moravië afkomstige vader en een moeder uit Ancona. Hij studeerde Germanistiek, Romaanse kunst en filosofie. Reeds tijdens zijn studententijd gaf Zweig gedichten uit, maar zijn grootste roem als schrijver bereikte hij met zijn novellen. In de jaren twintig van de vorige eeuw gold hij als een van de meest succesvolle Duitstalige schrijvers. Behalve het in deze recensie besproken De wereld van gisteren werden ook werken zoals Jeremias (1917) en Sternstunden der Menschheit (1927) zeer veel gelezen. In 1920 trouwde hij met Friderike von Winternitz, van wie hij in 1938 scheidde. Een jaar later hertrouwde hij met Elisabet Charlotte "Lotte" Altmann. Zie ook: https://nl.wikipedia.org/wiki/Stefan_Zweig






Plicht tot vrijheid

Het verdedigen van zijn vrijheid, vooral in tijden van oorlog, om daarmee trouw te kunnen blijven aan het woord. Zie hier de belangrijkste rode draad in het leven van Stefan Zweig. Deze hang naar vrijheid kreeg hij van zijn vader mee. Het dwingende schoolklimaat waartegen hij zich verzette deed een extra duit in het zakje. Je proeft bij Zweig een zekere dwangmatigheid. De hang náár werd een plicht tòt vrijheid. Hij zou en moest zijn overtuigingen tot uitdrukking brengen. Voor zijn gevoel heeft hij hiervoor een levenslange strijd geleverd. Ook zijn geografische levensloop is door deze 'vrijheidsplicht' bepaald. Zowel de terugkeer naar zijn geboorteland Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog als zijn vlucht naar Engeland na de machtsovername door de nationaalsocialisten in 1933 had tot doel om trouw te blijven aan het woord.


Verbondenheid met Oostenrijk, Europa en het jodendom

De ziel van Zweig kende een drieledige verbondenheid.

Allereerst met zijn geboorteland. Oostenrijk was het land waar hij een zorgeloze, maar achteraf bezien ook wat naïeve jeugd beleefde. Met haar bijna religieuze geloof in de vooruitgang bestempelde hij dit land in de periode vóór de Eerste Wereldoorlog als een luchtkasteel. Toch keerde hij er na die oorlog dus terug, wat Zweig zelf ervoer als een onverklaarbare plicht. Later, toen Oostenrijk haar naïviteit allang had afgeschud, leed hij met het land mee. Oók wanneer hij zich buitenslands bevond. Naar eigen zeggen was zijn lijden dan groter dan dat van zijn vrienden ìn Oostenrijk.

Dan zijn verbondenheid met Europa. Deze kwam voort uit datgene wat Zweig als hoogste goed beschouwde, de gemeenschap. De intellectuele en culturele eenheid van Europa vormde de apotheose daarvan. Een belangrijke inspirator voor Zweig was de Franse schrijver Romain Rolland, door hem omschreven als de man die op het beslissende ogenblik het geweten van Europa zou zijn. Zijn eigen bijdrage aan Europa zag Zweig als het leveren van toekomstig wederzijds begrip. In het begin van de twintigste eeuw ontwaarde hij nog een groot geloof in en gemeenschapsgevoel voor Europa. Daar lagen met name de stijgende rijkdom en de vooruitgang in de techniek aan ten grondslag. Aan het einde van zijn leven was Zweig verbitterd over zijn Europese ideaal. Zijn meest wezenlijke taak, de vreedzame vereniging van Europa, was voor hem te schande gemaakt.
"Wat ik meer had gevreesd dan mijn eigen dood, de oorlog van allen tegen allen, was nu voor de tweede keer ontketend."

Met het joodse lot voelde Zweig een in het donker van bloed of traditie gewortelde verbondenheid.
"Was het niet dit volk van mij dat steeds weer door alle volkeren was belegerd, steeds weer, steeds weer, en dat toch stand had gehouden door een geheimzinnige kracht - juist de kracht de nederlaag om te zetten in iets anders door de wil hem steeds weer te overleven?".
Vaak wordt verondersteld dat het verwerven van materiële rijkdom de hoogste joodse ambitie is. Zweig bestrijdt dat. Wat joden volgens hem echt drijft is opklimmen naar een geestelijk, intellectueel ideaal. Dat bracht voor hem ook wel een zekere druk met zich mee. Zo verwachtte zijn familie dat hij een doctorstitel zou behalen, n'import in welke richting. Maar voor het overige overheerst bij Zweig toch vooral het gevoel dat het jodendom en de Weense bevolking zo goed bij elkaar pasten. De wederopstanding van de Oostenrijkse cultuur aan het einde van de negentiende eeuw waar Zweig zijn loopbaan voor een groot deel aan te danken heeft, schrijft hij toe aan het joodse milieu in Wenen. Daar komt bij dat hij als jood in Oostenrijk nooit enige tegenwerking of antisemitisme heeft ervaren.


Dwingende levensloop naar succesvol schrijverschap

Zweig moet over een bovengemiddeld en aangeboren schrijverstalent hebben beschikt. Immers, zonder dat talent zou hij nooit zo succesvol zijn geworden. Zelf beschouwt hij zijn vermogen om te schrappen, om teksten van overbodige ballast te ontdoen, als zijn grootste kwaliteit. Zijn autobiografie maakt duidelijk dat behalve dat talent ook zijn levensloop aan dat succes heeft bijgedragen. Zijn schooltijd, zijn ontmoeting met een groot aantal schrijvers van wereldfaam en een aantal toevallige gebeurtenissen waren cruciaal voor zijn vorming tot een groot schrijver. 

De schooltijd van Zweig kenmerkte zich door verveling. Deze kwam met name voort uit een hyper-technocratisch onderwijssysteem. Géén variatie, géén creativiteit, géén speelsheid. Juist die tekorten wakkerden de belangstelling van de scholieren voor alles buiten de school alleen maar aan. En laat Zweig nu juist in een klas hebben gezeten met fanatieke, kunstminnende leerlingen. Hij omschreef het culturele klimaat in zijn klas en op de Weense scholen met de trefwoorden endemische artistieke productiviteit, een sterke preoccupatie voor literatuur, literaire vroegrijpheid en monomanie voor kunstfanatisme. Dat ".. is misschien wel beslissend geweest voor mijn hele levensloop". Daar kwam bij dat zijn vader hem geenszins dwong om de lessen op school wèl te volgen. Immers, ".. theater en literatuur hoorden bij de 'onschuldige' passies' van het leven. Kortom: als schrijver heeft Zweig veel profijt gehad van het feit dat tijdens zijn schooljaren culturele en artistieke prevaleerden boven intellectuele en cognitieve waarden.

Gedurende zijn leven ontmoet hij dan niet de eersten de besten. Een werkelijk onwaarschijnlijke keur aan topschrijvers trekt aan hem voorbij. Von Hofmannsthal, Herzl, Hille, Steiner, Verhaeren, Bazalgette, Rilke, Rodin, Valéry, Proust, Rolland, Shaw, Wells en Joyce. Met de één leek het contact dieper te gaan dan met de ander. Zo heeft hij met sommige schrijvers vriendschappen voor het leven ontwikkeld. Maar het belangrijkste van al deze ontmoetingen leek te zijn: Zweig leerde van elk van hen! Of wist in elk geval ieder van hen op zijn unieke waarde te schatten. Zo liet Bazalgette hem alle hoeken van de kamer zien waar het ging om de kwaliteit van zijn werk. En zoals Zweig over Rilke schreef: onopvallendheid was het diepste geheim van zijn wezen, zijn ingehouden gedrag oefende morele kracht uit. Je voelt ten diepste de bewondering en het respect dat Zweig voor Rilke heeft gehad. Daar moét Zweig zelf ook inspiratie aan hebben ontleend.

Tot slot hebben zich in het leven van Zweig een aantal gebeurtenissen voorgedaan waarvan je achteraf zou zeggen: dat kan geen toeval zijn, in de sterren stond geschreven dat deze man een groot schrijver moest worden! Zoals de plotse dood van een aantal acteurs. Die verhinderde bij herhaling dat zijn stukken werden opgevoerd. Naar eigen zeggen hebben deze gebeurtenissen hem behoed voor een vroegtijdige en daarmee onterechte bekendheid bij het grote publiek.


Historische analyses

Zijn positie als schrijver van gedichten en novellen weerhoudt Zweig er niet van om zijn licht te laten schijnen over actuele politieke ontwikkelingen. Meestal houden deze verband met de machtspolitieke gang van zaken rondom de beide wereldoorlogen. In retrospectief blijken dit interessante historische analyses.

Zoals zijn analyse dat -achteraf bezien- aan het begin van de twintigste eeuw de ondergang van de individuele vrijheid begonnen is. Door zijn culturele preoccupatie heeft Zweig dat in die periode zelf niet in de gaten gehad. Maar de corpsstudenten die in opdracht van de Duits-nationalen met grof geweld politieke zaken probeerden af te dwingen waren een duidelijk symptoom. Als fervent aanhanger van die vrijheid voel je de pijn van Zweig bijna van het papier afspatten.

Ronduit verrassend vond ik zijn verklaring voor het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Bijna wanhopig lijkt hij zijn handen ten hemel te slaan: er is gewoonweg geen zinnige reden voor het uitbreken van die oorlog te bedenken. Er was immers géén ideologische richtingenstrijd of een slag om een gebied. Bijna ten einde raad zoekt hij die verklaring dan maar een in overschot aan energie. Alsof de betrokken naties van gekkigheid niet meer wisten wat ze met hun rijkdom moesten ondernemen en de oplossing voor hun verveling toen maar in de oorlog zochten. Zoals je ook wel eens ziet bij kleine kinderen die zich vervelen, die gaan dan maar ruziemaken. Een verklaring die ik in elk geval nog nooit eerder ben tegengekomen.

Interessant is ook zijn analyse dat het woord, voor Zweig een zeer groot goed, tijdens de Eerste Wereldoorlog nog enig effect had en tijdens de Tweede in het geheel niet meer. In moreel opzicht sloeg hij de Eerste Wereldoorlog dan ook hoger aan. Deze constatering klinkt bijna apocalyptisch in het licht van wat na het verschijnen van zijn autobiografie bekend zou worden over zijn verdere levensloop. De Tweede Wereldoorlog was gewoonweg te veel gevraagd voor Zweig.


Hoe zat dat precies?

Zweig laat de lezer met een aantal vragen achter.

De meest fascinerende vraag gaat wel over zijn opstelling op een  cruciaal moment tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zweig onderhield contacten met de componist Strauss. Hij wilde hem graag 'dienen'. Strauss zelf bleef trouw aan Zweig, maar heulde ook met Hitler en Goebbels.
"Voor mij waren zulke concessies aan de nationaalsocialisten natuurlijk in hoge mate pijnlijk. (…) Daarom hield ik het van mijn kant voor juist, zwijgend af te wachten en de dingen hun loop te laten nemen".
Hoezo juist? Hoezo zwijgen? Het woord vormde voor Zweig toch het hoogste goed?

Een andere vraag betreft de afstand die Zweig als autobiograaf betracht tot zijn persoonlijke gevoelens. Als het gaat om Oostenrijk, Europa, het jodendom en zijn relatie met andere schrijvers is hij zeldzaam openhartig over die gevoelens. Maar over zijn huwelijk, zijn scheiding en zijn gezinsleven toont hij zich zo gesloten als een oester. Dat geldt bijvoorbeeld ook over zijn sexualiteit tijdens puberteit en adolescentie. Hij beschrijft uitvoerig hoe die in die jaren in algemene zin beleefd werd, maar licht nergens een tipje van de sluier op over zijn eigen gevoelens op dit vlak. Waarom eigenlijk niet? Mogelijk dat zijn van zijn vader meegekregen neiging tot privacy en anonimiteit hieraan ten grondslag ligt.


Laatste raadsel waarmee Zweig zijn lezers achterlaat: wat was nu eigenlijk zijn werkelijke hiërarchie van waarden? Wat vond hij nu ècht belangrijk? Het ene moment is dat zijn individuele vrijheid, het andere de gemeenschap. Niet dat die twee elkaar uitsluiten, maar toch lijkt er een zekere ambivalentie in zijn werk te schuilen. De indruk bestaat dat hij niet goed weet tussen welke waarden hij moet kiezen. Diezelfde moeite heeft hij met het benoemen van de gebeurtenissen in zijn leven die van beslissende invloed zijn geweest. Het ene moment is dat het culturele klimaat op de Weense scholen, het andere de plotse dood van een aantal acteurs. Zweig gebruikt erg makkelijk grote woorden of superlatieven.


Overrompelend en dramatisch

Aan het einde van deze autobiografie duizelt het de lezer. Die blijft overrompeld achter, niet in de laatste plaats door de subtiele en prachtige gelaagdheid. Maar behalve overrompelend is de autobiografie van Zweig ook dramatisch. Naar eigen zeggen heeft Zweig waarachtig geleefd, hij heeft immers hoogte- en dieptepunten meegemaakt. Ook spreekt hij van de zeer veel levens die hij heeft geleid. In tegenstelling tot zijn ouders heeft hij aan den lijve ervaren dat elke nieuwe dag het leven kan vernietigen. Uit deze mijmeringen lijkt berusting te spreken, een instemming met het leven waarop hij terugkijkt. Maar die suggestie wordt kort na de voltooiing van zijn autobiografie in 1942 gelogenstraft. Zweig maakt dan samen met zijn vrouw een einde aan zijn leven. Hij mag dan waarachtig hebben geleefd, de verschrikkingen van een wereldoorlog kan hij kennelijk niet een tweede keer dragen.

Paul Strijp, 4 november 2018




Reactie van Casper Hartman


Zweig: Een waarden-spiegel voor de lezer

 
Aan het einde van zijn bespreking benoemt Paul Strijp een aantal vragen waarmee hij als lezer achter blijft:

“Wat was nu eigenlijk zijn werkelijke hiërarchie van waarden? Wat vond hij echt belangrijk? Is dat individuele vrijheid of de gemeenschap? Niet dat die twee elkaar uitsluiten, maar toch lijkt er een zekere ambivalentie in zijn werk te schuilen. De indruk bestaat dat hij niet goed weet tussen welke waarden hij moet kiezen.”

Mijn vraag zou zijn: valt er wel te kiezen tussen die waarden? Ligt het accent bij Zweig juist niet op het feit dat hij die waarden zo krachtig verwoordt?  Een imposant en meeslepend boek uit 1942 dat je juist nu raakt. Waar zit hem dat in?

Naar mijn mening in de ‘waarden’ spiegel die je als lezer voorgehouden wordt. Een voortdurende herkenning van waarden die ook nu weer onder druk staan en die we in het Europa van nu politiek en maatschappelijk zo lastig weten te beschermen.

Immers, wat gebeurt er als er gemorreld wordt aan de morele vrijheden van mensen en aan de verworvenheden van de rechtstaat? Daarvan schetst Zweig - met het ontstaan van twee wereldoorlogen - een onthutsend beeld, waarbij hij zelf allerminst gespaard wordt. Hij is de centrale figuur, waarin hij zijn persoonlijke en professionele ontwikkeling beschrijft in een roerig tijdsgewricht. Persoon en context, figuur en achtergrond ineengevlochten, briljant uitgewerkt vanuit de eigen ervaring.

Wat zijn de ‘waarden’ parels?

Allereerst op persoonlijk niveau. Prachtig is het te lezen wat kameraadschap vermag in zijn relaties met anderen. Paul Strijp somde al een aantal auteurs en kunstenaars op waarmee hij steeds contact onderhield in binnen- en buitenland.  Opmerkelijk is met welk ontzag en voorkomendheid hij hen bejegende. Hij laafde zich aan hen, trok zich aan hen op, maar hield hen bovenal in ere ook al namen zij gedurende de eerste wereldoorlog soms een andere - Duitsgezinde - positie in. Nergens kom je op persoonlijk niveau iets tegen wat doet denken aan ‘jalousie de metiér’ of verkettering.

Wat vervolgens opvalt is dat Zweig in zijn relatie tot de gemeenschap eigenlijk een wereldburger en Europeaan ‘avant la lettre’ was. Hij reisde veel, had een scherp oog voor de ontredderde staat van Europa in die tijd, sprak meerdere talen en was wars van allerlei nationalistische gevoelens. Steeds zie je als kernwaarden bij Zweig het nastreven van persoonlijke vrijheid en het zoeken naar eendracht en gemeenschappelijkheid. En dat in een periode gekenmerkt door massa-hysterie en politiek/maatschappelijke/ financiële chaos.

Kom daar maar ’s om in onze tijd van Europese verdeeldheid, opkomende nationalistische gevoelens en inperken van journalistieke vrijheden.

De Brexit onenigheid, het opkomen van populistische partijen en het morrelen aan de rechtsstaat in sommige landen van de Europese Unie. Moeten we die gaan zien als een boosaardige voorbode van wat ons nog te wachten staat als we onze morele waarden verbonden aan een rechtstaat niet beschermen? Zweig heeft in elk geval voor de onverschilligheid voor dit soort ontwikkelingen gewaarschuwd.

 
Casper Hartman, 16 november 2018













vrijdag 25 augustus 2017

De Stamhouder van Alexander Münninghoff: meesterlijke autobiografie die de lezer verbijsterd achterlaat


BOEK
Alexander Münninghoff  De Stamhouder. Een familiekroniek.  Prometheus, Bert Bakker. Amsterdam, zeventiende druk, 2016.


Na 200 pagina’s gooit hij zijn journalistieke jas verre van zich. Dan laat hij zijn emoties zien en rept over een groeiend gevoel van malaise en over de bittere armoe van mijn moeder die de speelsheid uit zijn leven verdrong. Die emoties zijn de eerste 200 pagina’s vrijwel niet aan de orde. Als journalist beschrijft Münninghoff dan koel-analytisch de verwikkelingen en relaties rondom zijn grootvader en vader vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Die worden gedomineerd door het in elkaar storten van het zakenimperium van zijn opa en door de toetreding van zijn vader tot de SS. Zodra de auteur emotioneel de remmen losgooit, voeren eenzaamheid en het gemis van huiselijke warmte de boventoon. In een meesterlijke autobiografie laat Münninghoff schrijnend zien hoe bizarre omstandigheden ervoor zorgen dat hij geen enkele relatie met zijn vader en een moeizame verhouding met zijn moeder heeft.


In het eerste deel, De Herenkamer geheten naar het vertrek waar zijn grootvader zakelijke besprekingen met relaties voerde, beschrijft Münninghoff vooral de levens van zijn vader Frans en zijn grootvader in de periode tijdens en rondom de Tweede Wereldoorlog. Enigszins verbitterd vertrekt opa -om voor de auteur onduidelijke redenen- naar Letland. Frans verzet zich in alles tegen het hem opgelegde Nederlanderschap, zijn hart ligt in Riga in Letland. Het gevolg is een vervreemding tussen vader en grootvader. Die wordt alleen maar groter, zeker na het ineenstorten van het zakenimperium van opa na de Duitse inval in Polen in 1939. Vanaf dat moment wordt vader Frans door zijn ouders vergeten en verwaarloosd. Zijn toetreding tot de Duitse SS laat niet lang op zich wachten.









Prelude

Münninghoff beschrijft het allemaal alsof het ook om een andere familie had kunnen gaan. Afstandelijk, zakelijk en analytisch, als de journalist die hij is. Met het nodige gevoel voor understatement ook. Bijvoorbeeld bij de ontmoeting van zijn vader met ene John Kennedy.

“Omdat Frans niet bij machte was om zijn gedachten in behoorlijk Engels om te zetten, zag hij wijselijk van enig weerwoord tegen de latere president van de Verenigde Staten af, maar inwendig steeg zijn verzet tot het kookpunt.”

Maar het is natuurlijk niet zo maar een familie waarvan Münninghoff de geschiedenis beschrijft, het is zijn familie. Die afstandelijke toon wordt slechts een heel enkele keer, op pagina 92 bijvoorbeeld, onderbroken door iets van emoties jegens zijn vader.

“Als mijn vader mij later, tijdens de eindeloze zondagochtendsessies in de keuken wanneer hij om acht uur zijn eerste borrel ophad, over de Russische veldtocht vertelde, schoten zijn grote bruine ogen binnen de kortste keren vol tranen, die naarmate ik puberaler werd steeds minder mijn mededogen wisten op te wekken”.

Dit eerste deel van het boek leest dan ook als een prelude die nodig is om de gevoelswereld van de auteur te kunnen duiden. Die komt volop in het tweede en derde deel aan bod en wordt vooral bepaald door zijn relatie met drie personen: zijn grootvader, zijn vader en zijn moeder. Die twee laatsten zijn dan overigens inmiddels gescheiden.


Relatie met zijn grootvader: stamhouderschap vóór alles

De auteur, de ik-figuur in dit boek, heeft een speciaal plekje in het hart van zijn grootvader. Dat heeft hij te danken aan het stamhouderschap van de familie. Voor opa vertegenwoordigde dat een buitengewoon grote waarde. Omgekeerd is Münninghoff kritisch naar zijn opa. Opa gunde zijn schoondochter, de moeder van de auteur, het licht werkelijk niet in de ogen en had voor haar een vernietigingsplan op de plank liggen. Dat was geen plan in de letterlijke maar in de figuurlijke betekenis: de tijd en energie om haar uit zijn leven te laten verdwijnen. De manier van zakendoen van zijn grootvader omschrijft Münninghoff met termen als manipuleren en ondoorzichtig. Dat is toch allemaal niet bepaald warm of positief te noemen. Ondanks deze diskwalificaties werpt Münninghoff op enig moment de vraag op “… waarom mijn grootvader niet een of andere koninklijke onderscheiding heeft gekregen voor alles wat hij in de oorlog heeft gedaan”. Daaruit blijkt toch ook wel weer respect en waardering. Een zekere ambivalentie lijkt er dan ook wel in de verhouding tussen kleinzoon en opa te zitten.

Persoonlijk verraste deze vraag naar de onderscheiding mij wel. Immers, Münninghoff laat in alles zien hoe de inspanningen van zijn grootvader tijdens de oorlog maar één hoger doel dienden: het terugkrijgen van zijn verloren gegane Letse bezittingen. Ook was hij niet te beroerd om de witwaspraktijken van de oom van de tweede vrouw van zijn zoon Frans te verdonkeremanen. Verdient zo’n man een onderscheiding, ongeacht de goede zaken die hij ook heeft gedaan? Overigens heeft Münninghoff zelf er ook wel begrip voor dat die onderscheiding nooit is toegekend.


Relatie met zijn vader: keihard negatief oordeel

Vader Frans was een nog grotere opportunist dan de grootvader van de auteur. Met één verschil. Waar grootvader zakelijk succesvol was, beschikte Frans over het vermogen om alles waaraan hij begon in een mislukking te laten eindigen. Münninghoff kan werkelijk nergens ook maar een begin van begrip of mededogen voor zijn vader opbrengen. Dat was wel denkbaar geweest, die vader immers is in zijn eigen jeugd ook vergeten en verwaarloosd. Münninghoff beschrijft dat opvoedingsproces van zijn vader uitvoerig, maar is in zijn oordeel keihard: zowel in zijn professionele (“Mijn vader was een naïeve Draufgänger”) als in zijn rol van vader en opvoeder (geen blijk van werkelijke vaderambities) heeft hij gefaald. Waarbij die wekelijkse zondagochtendontmoetingen met zijn vader, die zich kenmerkten door 100% één-richtingsverkeer, de ware dieptepunten voor Münninghoff waren.


Relatie met zijn moeder: moeizaam maar geheeld door de tijd

“Het gaat er vooral om hoe iemand zich in je geest heeft genesteld. En daarin zat het tussen Wera en mij niet goed”,  verzucht de auteur aan het einde van het boek. Met die twee zinnen vat hij de relatie tot zijn moeder samen. In die relatie zit een duidelijke ontwikkeling.

Als jongen van zeven jaar verzeilt hij samen met haar in vrij treurige materiële omstandigheden. Die verdrongen al snel alle speelsheid uit zijn leven en bezorgden hem een tijd van eenzame vrijheid. Maar, zo voegt Münninghoff er aan toe “…. ondanks alles waren wij een team, een tweespan”. Dat tweespan wordt vervolgens wreed gescheiden, het voogdijschap gaat namelijk over naar zijn vader. Wat volgt is een periode van achttien jaar waarin Münninghoff geen contact meer heeft met zijn moeder. En dat belast de relatie, regelmatig worstelt hij met de vraag waarom zijn moeder niets van zich laat horen. Tijdens het weerzien stelt hij echter vast dat haar materiële omstandigheden zo mogelijk nog verder zijn verslechterd. Die vaststelling leidt tot een prachtig staaltje mededogen bij Münninghoff.

“De resten van het avondmaal op de ongedekte formica tafel, de geur van futloze berusting, de vale kleding, de troosteloze rommel overal en vooral hun gezichten: moedeloos, niet meer openstaand voor impulsen of ideeën, passief op weg naar het einde – dit alles pleitte haar vrij van welke schuld dan ook”.

Wat hem bij zijn vader dus niet lukt, mededogen opbrengen voor de ander met het oog op diens situatie en achtergrond, krijgt hij bij zijn moeder wel voor elkaar. Dat alles neemt niet weg dat hij ook dan nog van mening is dat hem door zijn moeder onrecht is aangedaan. Bij een volgend weerzien, weer vele jaren later, krijgt Münninghoff te horen dat zijn moeder tot het laatst van haar man Frans is blijven houden, zelfs vele jaren na de echtscheiding. Meermalen benadrukt Münninghoff vooral haar schoonheid en kwetsbaarheid. “Want ze was mooi en romantisch, en daarbij zeer naïef. En ze hunkerde naar liefde.” Hij verzoent zich met de relatie met zijn moeder, de tijd heelt alle wonden.




foto auteur, ontleend aan binnenzijde van omslag om boek



Een meesterlijke autobiografie

Aan het einde van dit boek blijf je als lezer verbijsterd achter. Dat is onvermijdelijk. De familiegeschiedenis die Münninghoff optekent is zonder meer schrijnend. Daarbij schieten allerlei vragen door je hoofd. Zoals: hoe is het mogelijk dat iemand in zijn leven dit allemaal voor zijn kiezen krijgt? Maar ook: hoeveel emotionele beschadiging kan een mens verdragen? Is het überhaupt mogelijk om met die beschadiging een bestaan op te bouwen, een relatie aan te gaan en zelf kinderen op te voeden? De auteur laat er mondjesmaat iets over los. Hij is gehuwd en heeft kinderen. Maar ook hier heeft het lot hem niet onberoerd gelaten, twee kinderen overleden op zeer jeugdige leeftijd. Maatschappelijk is Münninghoff succesvol. Als journalist won hij de Prijs voor de Dagbladjournalistiek en schreef hij het boek Tropenjaren in Moskou (1991) over zijn tijd als correspondent in de Sovjet-Unie.

Deze autobiografie is meeslepend van het begin tot het einde. Münninghoff wordt nergens sentimenteel en onderneemt evenmin een poging om mededogen op te wekken voor zijn persoonlijke situatie. Het motief voor het schrijven van dit boek laat hij overigens onvermeld. Daarnaast kenmerkt deze familiegeschiedenis zich door een hoge mate van geloofwaardigheid. Slechts een heel enkele keer fronste ik de wenkbrauwen. Op pagina 225 bijvoorbeeld. Op bezoek bij een vriendje uit de straat besloot Münninghof “…vooralsnog niets over mijn vader te zeggen. In de eerste plaats was hij er niet, dus konden mijn woorden over de Kaukasus en het Ijzeren Kruis – (…) – licht als grootspraak geduid worden. Is een jongen van zeven jaar tot een dergelijke inschatting in staat? Ik heb mijn twijfels, maar dat is toch echt een detail.

Een meesterlijke autobiografie!


Paul Strijp, 25 augustus 2017