Translate

woensdag 3 februari 2016

Na Het geheim van de Laatste Staat rest het geheim van de verbintenis van Paul Frissen en Evgeny Morozov


BOEK
Paul Frissen  Het geheim van de laatste staat. Kritiek van de transparantie. Boom. Amsterdam, 2016.


Zijn boodschap is even eenvoudig als paradoxaal. Elk mens heeft geheimen nodig om een beetje interessant leven te kunnen leiden. Zonder die geheimen is zijn vrijheid in het geding. En om die vrijheid van u en mij te beschermen heeft ook de staat geheimen nodig. In een indrukwekkend betoog verweeft Frissen deze boodschap met de rest van zijn oeuvre. Dat oeuvre wordt gedragen door de gedachte dat de staat maximale terughoudendheid moet betrachten in haar bemoeienis met de burger. Dat geldt óók voor haar geheimen: die mag de staat alléén koesteren als de democratische rechtsstaat of de staatsveiligheid gevaar loopt. Te vuur en te zwaard bestrijdt hij de vanzelfsprekendheid van de notie Wie niet transparant durft te zijn, heeft iets te verbergen. Zonder dat hij er melding van maakt, toont Frissen een zeer sterke verwantschap met de Wit-Russische publicist Evgeny Morozov. Wat is het geheim van de verbintenis van die twee?


Uiteindelijk is het natuurlijk allemaal de schuld van de Verlichting. Toen sloten de menselijke vrijheid en de menselijke beheersing een monsterverbond. Een verbond om op grond van de feiten alles te willen weten, elk geheim te onthullen en daarmee vrij te zijn. En om daarmee tevens controle en overzicht te kunnen houden. Frissen laat zien dat van dat verbond een enorme sociale en normerende werking uitgaat: als we alles kùnnen weten, dan wìllen we ook alles weten. Dat is de onderliggende waarde van de hedendaagse neurose naar transparantie.




Frissen beschrijft hoe die neurose zich vandaag de dag manifesteert. Dat doet hij allereerst aan de hand van een aantal klassieke en huiveringwekkende romans. Daarin heeft de transparantie de mens juist van haar vrijheid beroofd. Ook biedt hij een kijkje in de keuken van onze geheime diensten. Hoe functioneren die, met welke dilemma's worstelen zij? Dat levert een prachtig en soms schokkend beeld op. Bijvoorbeeld als je je realiseert dat die diensten beschikken over het geheime wapen van het verraad. Ga eens even na. De spionnen van onze staat zijn er willens en wetens op gericht om anderen tot verraad aan te zetten omwille van de bescherming van de vrijheid van haar brave burgers.



Als een Hans van Mierlo



Door het hele boek strooit Frissen kwistig met paradoxen. Wijlen Hans van Mierlo zou er zijn vingers bij afgelikt hebben. Je zou er bijna een werkwoord van maken: Frissen paradoxeert onophoudelijk. Dat doet hij niet alleen maar omdat de paradox een interessante stijlfiguur is. Neen, hij laat zien dat de staat baat heeft bij schijnbare en juist niet bij ware tegenstellingen. Schijn speelt een belangrijke rol in zijn redeneringen. Zoals ook symbolen, rituelen en taboes dat doen. Die hebben we allemaal nodig om het verkeer tussen burger en staat, waarbij de grondrechten soms genadeloos worden geschonden, niet in alle naaktheid te etaleren maar juist soepel te laten verlopen.


Spiritualiteit boven wetenschap


Het interessants is Frissen als hij de rol van wetenschapper verre van zich werpt. Als hij zich -excusez le mot- als mens laat zien en de lezer deelgenoot maakt van zijn mysterieuze ervaringen. Op die momenten krijgt zijn werk licht spirituele trekken en treedt zijn katholieke achtergrond heel even aan de oppervlakte.


"En wie getuige is van zwangerschap, geboorte en dood, zal meer dan eens de adem in de keel stokken bij zoveel onbegrijpelijkheid en onverklaarbaarheid. (...) Wie alles weet, is definitief uitgepraat."


Hoe kan dat?

En toch. Bij alle euforie en opwinding bleef ik na lezing met een merkwaardig gevoel zitten. Een gevoel van herkenning: waar heb ik dit allemaal eerder gelezen? Frissen verwijst royaal naar gezaghebbende buitenlandse auteurs als Berlin, Han en Schmitt. Maar de lezer zoekt tevergeefs naar een verwijzing naar de Wit-Russische publicist Evgeny Morozov en in het bijzonder naar zijn boek Om de wereld te redden, klik hier (De Wereld, Tilburg, 2014). Net zo min overigens als Morozov in dat boek Frissen ten tonele voert. De verwantschap tussen beiden is frappant.


"Imperfectie, ambiguïteit, vaagheid, wanorde, de mogelijkheid om u te vergissen, te zondigen en de verkeerde dingen te doen: deze zaken maken allemaal onderdeel uit van de menselijke vrijheid" (Morozov, pagina 14). Deze zin had zó in een boek van Frissen kunnen staan.






"... iemands tijdelijke eetstoornis, is bij uitstek een privéaangelegenheid: hoe minder er over gezegd wordt, hoe beter" (Morozov, pagina 17)
"... handelen tegen het eigenbelang in, niet gezond maar ongezond willen leven, dat alles is ook vrijheid. Er is een fundamenteel recht op vetzucht, zogezegd." (Frissen, pagina 97).






"Hoewel internetcentristen het graag zo voor willen stellen dat de door het internet mogelijk gemaakte openheid ons een levendiger en verantwoordelijker openbaar leven op zal leveren, staat dat nog lang niet vast" (...) Maar betekent een stap terug voor een open overheid ook een stap terug voor de Argentijnse politiek of democratie?" (Morozov, pagina 83, 89).
"...transparantie hoort volgens velen bij de democratie. (...) "De verbintenis tussen transparantie en democratie is om verschillende redenen echter minder vanzelfsprekend dan in de meeste democratietheorieën wordt verondersteld". (Frissen, pagina's 38, 45)






"In ons enthousiasme voor de immense potentie van de nieuwe technologieën om meer openheid en transparantie te verkrijgen, dreigen we het zicht te verliezen op de in wezen politieke aard van de zaken waar die technologieën mee bezig zijn'. (Morozov, pagina 116)
"Ook het actuele vertoog over de smart city berust op een ongebreided techno-optimisme dat in zijn politieke naïviteit gevaarlijk is. Het combineert maakbaarheidsmegalomanie met een miskenning van machtsverhoudingen die in alle databestanden versleuteld zijn".  (Frissen, pagina's 49-50)






"Maar bij al die fouten spelen partijen een belangrijke -en vaak onzichtbare- rol in het redelijker en creatiever maken van de politiek. Ze reguleren twisten, bemiddelen bij beraadslagingen en zetten hun gewicht in bij belangrijke zaken". (Morozov, pagina 134)
"Het verlangen de representatie op te heffen is de populistische kant van transparantie". (...) De zucht naar transparantie die de laatste jaren in alle domeinen is doorgedrongen kenmerkt zich door een verafschuwing van elke bemiddeling". (Frissen, pagina 87, 235)






"Maar politiek gedijt bij middelmatigheid (...) Als onderhandelen altijd tot een win-win-situatie zou leiden, zou politiek niet nodig zijn" (Morozov, pagina 136)
"Voor de concrete, dagelijkse politiek gaat het om prudentie, proportionaliteit, bescheidenheid, oordeelsvermogen, tolerantie en kosmopolitisme. Deze deugdenethiek formuleert de eis van voortreffelijkheid (...) Deze voortreffelijkheid is altijd een midden tussen twee uitersten." (Frissen, pagina 259)






"Een project (...) lijkt een model van de politiek te omarmen dat ervan uitgaat dat hypocrisie, inconsistentie en dubbelzinnigheid in wezen slecht en schadelijk is voor goede politiek (...). Maar is dat wel zo? (...) Ze zorgen ervoor dat het politieke proces kan functioneren; zonder deze "ondeugden" zal er iets belangrijks zijn verdwenen. (...) Hypocrisie, leugenachtigheid en dubbelzinnigheid hebben allemaal een aantal belangrijke supporters (...)" (Morozov, pagina 141)
"In de transparante samenleving is alles duidelijk, omdat alles eenduidig is. Er is geen ambivalentie, geen mysterie en geen dubbelzinnigheid (...) (Frissen, pagina 82)






"Is er echt geen ruimte voor schijn in de omgang met elkaar en met onszelf? Kan schijn (...) niet productief zijn in het handhaven (...) van een moreler leven?" (...) Maar misschien moeten we ons eigen streven naar authenticiteit opgeven en accepteren dat inauthenticiteit niet altijd slecht is (...)?" (Morozov, pagina 292, 336)
"Een bestaan zonder schijn is gruwelijk in zijn saaiheid" (...) "De droom van de transparantie berust op het verlangen alle geheimen te onthullen en de wereld te doorzien. Gee facade meer, geen schijn, geen maskerade". (Frissen, pagina 18, 52)






"Al deze pogingen om de menselijke situatie te verbeteren (...) zijn een teken dat Silicon Valley niet tegen onvolmaaktheid kan (...) Als onvolmaaktheid het gevolg is van een weloverwogen besluit van een democratisch geleide gemeenschap, dan hoeven we die niet te elimineren (...)" (Morozov, pagina 332). Deze zinnen tonen verwantschap met het boek De Fatale Staat van Frissen (2013).






Hoe kan dat? Morozov immers acteert nadrukkelijk ook in Nederland (zie: http://tegenlicht.vpro.nl/afleveringen/2011-2012/evgenymorozov.html , https://zoeken.nrc.nl/?q=Evgeny+Morozov&sort=date ) Kennen die twee elkaar niet? Of nemen ze elkaar misschien niet serieus?


Kan de staat de informatiemonsters temmen?


Wat zouden ze elkaar veel te bieden hebben! Waar Frissen tekeer gaat tegen een al te enthousiaste informatiepositie van de staat, houdt Morozov een tirade tegen de ongebreidelde honger van de Facebooks, de Googles en de Twitters van deze wereld om alles van hun gebruikers te weten te komen. En zoals Frissen zelf stelt: in de technologische maatschappij zijn prominente rollen weggelegd voor staat, burgers en bedrijven. Je zou zelfs kunnen zeggen: juist om de geheimen en dus de vrijheid van de burger te beschermen is er voor de staat alle reden om zich niet alléén te bezinnen op haar eigen positie ten opzichte van die burger. Over die positie handelt de reflectie van Frissen. Er is minstens zo veel reden voor een grondige bezinning van de staat ten opzichte van die bedrijven. Welk publieke waarden en belangen vertegenwoordigen zij, bijvoorbeeld met hun algoritmen? Algoritmen zijn de geheime formules waarmee Google bepaalt hoe hoog internetberichten op de zoeklijsten verschijnen. Daarmee zou Google - zo wordt wel eens beweerd- invloed kunnen uitoefenen op verkiezingscampagnes.


Een prachtige paradox: hoe kan een overheid die de grootste moeite heeft om zichzelf te disciplineren in haar gulheid om informatie van de burger te vergaren, met recht deze informatiemonsters temmen?


Officieel verzoek aan de heer Frissen


Ik zie een vruchtbare samenwerking tussen twee heren voor me. Frissen kondigt aan dat zijn volgende boek over het taboe zal gaan. Ik verzoek hem hierbij officieel om éérst samen met Morozov een boek te schrijven over de ingewikkelde driehoeksverhouding van staat, burgers en bedrijven.


Maar voorshands rest het geheim: kennen ze elkaar of niet, Frissen en Morozov?




Paul Strijp, 3 februari 2016




P.S. Voor mijn boekbespreking van De Fatale Staat van Paul Frissen: http://boekbesprekingenpaulstrijp.blogspot.nl/search?updated-min=2013-01-01T00:00:00-08:00&updated-max=2014-01-01T00:00:00-08:00&max-results=6

donderdag 7 januari 2016

Als een Kierkegaard op de fiets schrijft Hans Boutellier Het seculiere experiment



BOEK

Hans Boutellier  Het seculiere experiment. Hoe we van God los gingen samenleven. Boom, Amsterdam, 2015.


Heeft de ontkerkelijking ons land in een chaos gestort? Neen, betoogt Boutellier. Wèl heeft de ontkerkelijking geleid tot angst om in die chaos te belanden. Om die angst het hoofd te bieden hebben we met elkaar een immense veiligheidsindustrie gecreëerd. Het verlangen naar veiligheid en geborgenheid heeft daarmee de plaats ingenomen van religie. Door de ontkerkelijking is er ook een grenzeloze vrijheid ontstaan die op haar beurt weer de voedingsbodem vormt voor ethnische conflicten. Boutellier lijkt zelf ook last te hebben van die vrijheid, hij 'snakt' naar een groot verhaal. Maar omdat dat er nu eenmaal niet meer is, zoekt hij zijn heil in socratisch zelfonderzoek en in 'flitsen van gemeenschappelijkheid'. In het gesprek dus.


Boutellier liep al zo'n vijftig jaar rond met een opmerking die zijn vader ooit maakte. Als niemand meer in God gelooft, dan wordt het een zooitje, jongen.  Die opmerking heeft hem nooit losgelaten. Tijdens een fietstocht naar Rome stelde hij zich dan ook de vraag: is dat nu zo, wat mijn vader indertijd beweerde? Iets academischer geformuleerd: kan de moraal ook zonder God worden gefundeerd?



Waar gaat u heen, mijnheer Boutellier?

Die fietstocht moet hem goed hebben gedaan. Dat kan niet anders, want het boek leest als een geestverruimende ervaring. Boutellier haalt ontzettend veel overhoop en presenteert talloze interessante en lezenswaardige gedachten. Allemaal intellectuele hoogstandjes zogezegd. Tezelfdertijd schuilt in die veelheid ook de zwakte. Het kost nogal wat moeite om de rode draad in het betoog te ontwaren. Als lezer vraag je je voortdurend af: waar gaat dit heen?


Kierkegaard op de fiets

Uiteindelijk zou je die rode draad als volgt kunnen samenvatten.

Het proces van ontkerkelijking heeft in ons land niet geleid tot chaos en evenmin tot het verdwijnen van de religie. Integendeel, religie is taaier dan we denken. Die blijft in talrijke varianten bestaan. Wel heeft dat proces geleid tot het wegvallen van elk houvast. Er is volgens Boutellier een grenzeloze vrijheid ontstaan waarin we het allemaal zelf maar moeten uitzoeken.

"(...) We zijn vrij om te bepalen wat we willen, maar we moeten iets vinden zonder te weten waar we naar zoeken."

Bij het beschrijven van die vrijheid doet Boutellier soms aan een existentialist denken. Aan Kierkegaard bijvoorbeeld. Die kon het duizelingwekkende van onze vrijheid ook zo mooi en adembenemend verwoorden.

Maar die vrije ruimte en de twijfel die daaraan inherent is, is niet probleemloos. Boutellier laat zien dat sommige islamieten en fundamentalisten er maar moeilijk mee uit de voeten kunnen. Daardoor biedt die vrijheid ook een voedingsbodem voor ethnische conflicten. Die leiden tot angst. Om die te beteugelen hebben we een ongebreidelde veiligheidsindustrie in het leven geroepen en een dito veiligheidsobsessie voor onszelf gecreëerd.




Dit boek is zeer lezenswaardig. Behave op de rode draad heb ik eigenlijk maar op één ander punt kritiek: sommige hoofdstukken roepen hier en daar vragen op.


Een beetje zouteloos

Om de opmerking van zijn vader te kunnen 'toetsen', presenteert Boutellier vijf zogeheten veldstudies in vijf verschillende hoofdstukken. Die studies zijn verkenningen waarin hij de stand van zaken opmaakt in een bepaald maatschappelijk domein. Zo schrijft hij over de criminaliteit, de surveillance ofwel de veiligheid en over de pornografie. Die studies dragen alle materiaal aan waarmee die vaderlijke opmerking op waarde kan worden geschat. Dat is niet het geval met de studies over de superdiversiteit en de sociale wetenschap.

Het hoofdstuk over de superdiversiteit is nogal zouteloos. Te veel opmerkingen waarvan je denkt: tja, wat moeten we ermee? Een paar voorbeelden.


"Het beeld van superdiversiteit kan dat van een integrerende eenheid vervangen, maar maakt de problemen niet minder groot. Ze zijn net zo rijkgeschakeerd als de samenleving divers is" (pagina 135)

"Het besturen van verschillen betekent per definitie variatie in beleid naar probleem en groep" (pagina 138)



"Het onderscheid tussen algemeen en specifiek beleid is vanuit een pragmatisch perspectief te simpel. Wat vooral telt, is dat we als samenleving verder moeten; het is het sterktste motief bij de oplossing van conflicten en het benutten van kansen"  (pagina 141)

Het hoofdstuk over de sociale wetenschap is interessant, vooral waar het gaat om haar waarheidsaanspraak. De wetenschap heeft tegenwoordig geen monopolie meer. Integendeel, zij moet zich voortdurend verantwoorden ten opzichte van belanghebbenden en participeren in een proces van consensusvorming. Maar wat kan de vader van Boutellier hiermee? Dit hoofdstuk staat erg op zichzelf en maakt een nogal geïsoleerde indruk.


En toch ...

En toch, deze kritiek valt in het niet bij de totale waarde van dit boek. Boutellier worstelt met onze moderne tijd en 'snakt' naar een groter verhaal dat hem houvast biedt. Als lezer voel je de spanning. De auteur analyseert koeltjes dat de grote verhalen vandaag de dag ontbreken. Maar de inkt van zijn analyse is nog niet droog of je voelt evenzeer dat hij als mens zo'n verhaal wel nodig heeft. Hij zoekt zijn heil dan ook in flitsen van gemeenschappelijkheid en overstijgende momenten die het gesprek gaande houden. Alleen die noties al, prachtig! We moeten elkaar bevragen over datgene wat voor ons van waarde is. Boutellier pleit dus eigenlijk -zonder dat met zoveel woorden te benoemen- voor een forse herwaardering van het socratisch zelfonderzoek.

Dat alles geeft Boutellier iets kwetsbaars en dat is mooi. Die fietstocht is niet voor niets geweest. Benieuwd wat zijn vader ervan zou vinden.


Paul Strijp, 7 januari 2016

maandag 19 oktober 2015

Paul Verhaeghe verwart Autoriteit met netwerken



BOEK

Paul Verhaeghe  Autoriteit De Bezige Bij, Amsterdam / Antwerpen, 2015.


De westerse wereld verkeert volgens Paul Verhaeghe in een diepe crisis. Economisch en politiek. Economisch omdat het systeem er -onder het mom van groei- alléén op gericht is om de schulden te vergroten. En politiek omdat de democratie nog slechts gelegitimeerd wordt door een kleine elite. De auteur zoekt de oplossing in horizontale vormen van autoriteit. Die berusten op een collectief dat kennis deelt en over voldoende beslissingsruimte beschikt. Dit concept doet sterker denken aan -wat in de literatuur al langer bekend staat onder de noemer- netwerken. Verhaeghe slaagt er niet in duidelijk te maken hoe dergelijke gemeenschappen voldoen aan een belangrijk kenmerk van autoriteit, namelijk moreel gezag. Zijn concept blijft iets gekunstelds houden.







Niets nieuws

Verhaeghe beschrijft in essentie een ontwikkeling van een verticale naar een horizontale samenleving. Dat is niets nieuws, die ontwikkeling is ook al uitvoerig in allerhande management-, organisatie- en bestuurskundige literatuur beschreven. Zo sprak Willem Verhoeven in 1993 (!) in zijn boek De manager als coach over de horizontale organisatie. Wat Verhaeghe aan deze state-of-the-art toevoegt, is zijn zoektocht naar de verandering die het concept autoriteit in die ontwikkeling ondergaat.


Problemen in opvoeding, zorg en bestuur

Op hoofdlijnen verloopt die verandering als volgt. Vóór de zeventiende eeuw, toen kerk en Staat nog niet gescheiden waren, was autoriteit relatief probleemloos. Zoals Verhaeghe stelt: je liet het wel uit je hoofd om de autoriteit van de koning te betwisten. Dan trok je immers God in twijfel. Maar met de intrede van de Verlichting lag dat toch allemaal niet meer zo eenvoudig. Het fundament onder autoriteit ging verloren, terwijl we volgens de auteur niet zonder kunnen. De problemen voelen we vooral in de opvoeding, de zorg en het bestuur.

Wat gaat daar dan precies mis volgens Verhaeghe? Je zou kunnen zeggen: het geloof van mensen in strenge verticale regels is afgebrokkeld, maar de vaders in de opvoeding, de therapeuten in de zorg en de politici in het bestuur hebben dat niet in de gaten. Het ontbreekt hen bovendien aan de moed om positie in te nemen en om gezaghebbend neen te zeggen. Vaders, therapeuten en politici zijn dan ook tot mislukken gedoemd. Om hun kinderen, cliënten en burgers te redden dienen we volgens de auteur onze toevlucht te nemen tot horizontale netwerken. Weg met de verticale piramide.



Autoriteit of netwerk?

Voor de opvoeding pleit hij voor een collectief rond een kind. Dat is voor hem de nieuwe autoriteit. Dat collectief moet verspreid zijn over meerdere mensen onder wie de ouders. Die moeten allemaal waakzame zorg en aandacht bieden. Dit concept doet toch wel sterk denken aan de netwerken die al vele jaren actief zijn rondom jongeren, vooral in de grote steden.

Netwerken berusten op het grondbeginsel van de wederzijdse afhankelijkheid. Mensen en organisaties in netwerken kunnen niet zonder elkaar, om hun belangen te behartigen moeten ze wel samenwerken. Er is geen centraal besturingsorgaan meer dat directieven verspreidt. Partijen die niets meer toevoegen aan de opvoeding van het kind, worden uit het netwerk geknikkerd.

Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de voorbeelden die Verhaeghe geeft over de zogeheten deliberatieve democratie. Daarin proberen groepen burgers invloed uit te oefenen op bepaalde beleidspunten. Ook dat zijn netwerken, die groepen verenigen zich rondom belangen.


Jazeker, autoriteit in je eentje!

De vraag nu is hoe dergelijke collectieven beantwoorden aan één van de belangrijkste kenmerken van autoriteit, namelijk moreel gezag. Netwerken heb je tegenwoordig nodig om resultaten te bereiken, om een deuk in een pakje boter te slaan. Maar dat is nog iets anders dan moreel gezag. Om dat te verwerven moet je -soms tegen de stroom in- een eigen positie durven innemen. Moet je gezaghebbend neen durven zeggen waar anderen ja roepen. En moet je voorbeeldgedrag tonen. Dan verwerf je autoriteit waar die vroeger vanzelfsprekend was. Dan doen netwerken allemaal niet.

Wie dat wèl doen, zijn sommige burgemeesters. Zoals Aboutaleb in Rotterdam en Van der Laan in Amsterdam. De opmerking van Verhaeghe dat je nooit in je eentje autoriteit kunt dragen, kan ik dan ook niet goed plaatsen.


Gekunsteld

Kortom, ik blijf vooral met vragen zitten na lezing van dit boek. Behalve op de geldigheid van zijn concept concentreren die zich ook op andere aspecten. Zo vraag ik mij af of het politiek en economisch nu werkelijk allemaal zo ernstig is als Verhaeghe voorstelt. Dan waren we met zijn allen toch echt al lang ten onder gegaan. Bovendien brengt Verhaeghe weinig eigen ervaringen in. Hij beroept zich op een aantal gezaghebbende individuen, je zou bijna zeggen op een aantal autoriteiten. Omer, Semler, Ostrom, Fishkin. De originaliteit van de auteur houdt niet over.

Gekunsteld allemaal.


Paul Strijp, 19 oktober 2015


 



dinsdag 28 juli 2015

Zygmunt Bauman laat de lezer niet ontsnappen in Vloeibare tijden



BOEK

Zygmunt Bauman Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid. Vertaald door J.M.M. de Valk. Met een Woord vooraf door Willem Schinkel. Tweede druk 2012. Klement, Zoetermeer / Pelckmans, Kalmthout.


Een beklemmende ervaring. Dat is het lezen van dit boek. De terugtrekkende beweging van de staat zorgt ervoor dat de moderne mens voortdurend in angst leeft. Die angst wordt door diezelfde staat in stand gehouden. Door haar disproportionele en contraproduktieve strijd tegen het terrorisme en door haar weinig onderzoekende rol in het vluchtelingenvraagstuk. Staten zouden zich volgens Bauman meer moeten verdiepen in de bronnen van die angst. De beklemming schuilt in de ervaring dat je als lezer -zonder dat je het zelf in de gaten hebt- wordt aangesproken. De impliciete boodschap van Bauman luidt: die moderne staten mogen het dan wel verkeerd doen, maar wat gaat u zelf ondernemen?


 
Afbeeldingsresultaat voor zygmunt bauman


Over de auteur

Bauman (1925) is een Joodse socioloog en filosoof die geboren is in een gezin dat tijdens de Tweede Wereldoorlog moest vluchten voor de nazi's. Ruim twintig jaar na de oorlog was hij wederom gedwongen op de vlucht slaan, ditmaal vanwege het antisemitisme in Polen. Aanvankelijk een overtuigd communist, worden zijn denkbeelden allengs liberaler. Zijn belangstelling verschuift naar onderwerpen als globalisering en moderniteit. Die laatste omschrijft hij als vloeibaar. Daarmee wil hij uitdrukken dat onze levens en instituties voortdurend aan verandering onderhevig zijn. Die hebben gewoonweg niet meer de tijd om vaste vormen en starre patronen aan te nemen.

In zijn omvangrijke oeuvre zijn drie boeken aan deze vloeibaarheid gewijd: Liquid Life (2005), Liquid Fear (2006) en Liquid Times (2007). Deze bespreking gaat over de tweede druk van de Nederlandse vertaling van het laatste van deze drie werken.


Doel van dit boek

Met dit boek wil Bauman vooral vragen stellen. Vragen over de betekenis van een aantal ontwikkelingen voor onze levens. Naast de genoemde vloeibaarheid behoren tot die ontwikkelingen óók de afnemende macht van de politiek, de afschaffing van door de staat gesteunde verzekeringen, het wegvallen van de lange termijn als oriëntatiepunt in ons leven en de flexibiliteit die van elk individu wordt verwacht.

Laten we één ding voorop stellen: Bauman slaagt niet in zijn poging om vragen te stellen. Integendeel, hij is buitengewoon uitgesproken en indringend. Zó uitgesproken en indringend dat je als lezer nauwelijks ruimte krijgt om vragen te stellen. Er maakt zich een zekere beklemming van je meester. Dat gevoel ontstaat omdat zijn betoog een verfijnd weefsel is van drie draden:
1. de uitgesproken eigen opvattingen van de auteur
2. zijn empathie
3. het onuitgesproken maar indringende appèl op de lezer.


De opvattingen van Bauman

Angst. Dat is een constante in dit boek. In onze moderne levens houdt de angst zichzelf volgens Bauman in stand door het handelen van staten. Die richten zich niet langer op het bieden van solidariteit door collectieve voorzieningen. In plaats daarvan zeggen staten bescherming te bieden tegen onveiligheid. De strijd tegen het internationale terrorisme en de maatregelen in het vluchtelingenvraagstuk zijn hier uitingen van. En als de staat deze beweging maakt, dan zijn individuen voor hun sociale problemen op zichzelf aangewezen. Mensen worden daardoor bang, aldus Bauman.

Aanvankelijk beschrijft Bauman deze ontwikkeling neutraal. Als de staten de collectiviteit laten verdwijnen, "... is er dringend behoefte aan een alternatieve legitimatie, en wordt daar naarstig naar gezocht". Maar al snel blijkt dat de auteur allesbehalve neutraal naar deze transformatie kijkt. Een politiek bestel moet een sociale staat willen worden. En het kenmerk van zo'n staat is volgens Bauman nu juist gelegen in de collectieve verzekering tegen individueel ongeluk.

Welbeschouwd heeft Bauman grote moeite met de afbouw van de klassieke verzorgingsstaten. Over de financiële onhoudbaarheid van de door die staten geboden collectiviteiten hoor je hem niet. Daarmee plaatst hij zichzelf toch wel enigszins buiten de politieke en neoliberale realiteit van de laatste decennia, temeer omdat hij op dit punt geen haalbaar alternatief aanreikt. Ook zijn stelling dat de onzekerheid voor burgers met die transformatie ondraaglijk is geworden en dat hun middelen duidelijk ontoereikend zijn, is in deze absolute vorm kwestieus.






De empathie van Bauman

Op een genadeloze wijze beschrijft de auteur hoe onze moderne wereld gedomineerd wordt door tegenstellingen. Staten tegenover terroristen, samenlevingen tegenover vluchtelingen, stedelingen tegenover vreemdelingen. Die tegenstellingen leiden ertoe dat elke groep zijn eigen strategie kiest en daarin, ondanks het ontbreken van empirische steun, volhardt. Staten kiezen voor een -naar de smaak van Bauman contraproduktieve en disproportionele- oorlog tegen de terroristen. De Europese samenleving verschanst zich tegen vluchtelingen. En de stedeling lijdt aan mixofobie, een angst voor de grote verscheidenheid aan types en stijlen in de steden. Segregatie is daarvan het gevolg.

Verplaats je nu eerst eens in de ander. Dat is de boodschap van Bauman. Beste staten, wat steekt er achter de haat van tientallen islamitische jongeren? Waarom zijn zij bereid om zichzelf op te blazen? Zijn empathie richt zich overigens niet alleen op de vijand of de underdog. Zo heeft Bauman er begrip voor dat de gevestigde orde zich bedreigd voelt door de grote stroom aan vluchtelingen. Die dragen immers een 'atmosfeer' met zich mee waardoor ze makkelijk de veilige en vertrouwde gewoonten van de Europeanen kunnen doorbreken. Dàt zijn de bronnen van de angst. Richt je daar op, onderzoek die!


Het appèl van Bauman

De auteur grijpt je als lezer bij je kladden. Hij slaagt erin om je te verplaatsen naar een immens vluchtelingenkamp. Je voelt de hulpeloosheid en de uitzichtloosheid van die mensen. Hoewel de toon van Bauman hier en daar wel erg cynisch is, voel je je onderdeel van een afvalverwerkingsindustrie, voel je dat je eindbestemming altijd onbereikbaar zal zijn, dat je alleen het vege lijf hebt en verder niets om een identiteit op te bouwen. Je krijgt voorstellingen bij het nergensland waarin vluchtelingen zich bevinden. Je bent een onaanraakbare, bevind je in een tijdelijk kamp dat permanent wordt omdat de uitgangen zijn geblokkeerd. Je ervaart dat de vloeibaarheid van Bauman soms ook kan stollen.

Zonder dat je het zelf in de gaten hebt scheept Bauman je op met een ongemakkelijke vraag. "Beste burger, de staten bakken er niets van. Maar wat gaat u zelf doen?" klinkt onophoudelijk tussen zijn regels door zonder dat hij die vraag expliciet stelt. Het lezen van het hoofdstuk over vluchtelingen is een beklemmende ervaring.


Eindoordeel

Er is kritiek mogelijk op dit boek. Met name kritiek op zijn opvattingen over moderne verzorgingsstaten. Maar het morele appél dat Bauman op de lezer doet zonder pedant te worden, maakt het lezen van dit boek tot een bijzondere ervaring.

Na het lezen van Vloeibare tijden van Zygmunt Bauman besloot ik om mij als vrijwilliger aan te melden voor een vluchtelingenorganisatie.


Paul Strijp, 29 juli 2015

vrijdag 24 juli 2015

Auke van der Woud beschrijft De nieuwe mens, maar niet de culturele omwenteling van de late 19e eeuw


BOEK 

Auke van der Woud  DE NIEUWE MENS  De culturele revolutie in Nederland rond 1900. Prometheus, Bert Bakker Amsterdam, 2015

 

Anders gaan denken over onze cultuur van de afgelopen anderhalve eeuw. Dat is wat Van der Woud met dit boek beoogt. Die andere benadering schuilt in de erkenning van de cultuur van de massa. Die heeft volgens hem in de geschiedschrijving te weinig aandacht gekregen. Met een royale en overtuigende bewijsvoering slaagt de auteur in die opzet. En passant geeft hij zijn boek een extra ambitie mee. Dat is de ambitie om te laten zien dat historische studies de omwenteling in de cultuur rond 1900 moeten duiden en niet slechts de hectiek. In het verwezenlijken van die ambitie slaagt Van der Woud niet. Zonder dat hij het zelf claimt, verwezenlijkt hij wel een derde ambitie. Hij relativeert tal van cultuursociologische verschijnselen die we tegenwoordig als kenmerkend voor onze hedendaagse tijd beschouwen. Met die verschijnselen bleken de mensen ruim honderd jaar geleden ook al te worstelen.



 

 Twee culturen

Van der Woud zet twee culturen tegenover elkaar: de oude en de nieuwe. De oude cultuur, ontstaan uit de klassieke oudheid en de joods-christelijke traditie, kenmerkte zich door een gerichtheid op het hogere. Daaraan lag de overtuiging ten grondslag dat het aardse bestaan onvolmaakt was. De waarden van de oude cultuur waren dan ook geestelijk en ideëel van aard. De nieuwe cultuur daarentegen stelde het zintuiglijk waarneembare centraal. “De” waarheid bestaat niet langer, die is afhankelijk van de plaats en de tijd van de waarnemer. Vrijheid wordt het hoogste goed.


Met dit onderscheid grijpt Van der Woud –zonder dat hij dat met zoveel woorden noemt- in essentie terug op een klassieke tegenstelling in de geschiedenis van de westerse filosofie. De oude cultuur geeft het platoonse gedachtegoed weer, waarin het idee centraal stond. De nieuwe cultuur daarentegen stoelt op de wereld van Aristoteles. Die stelde de zintuiglijke ervaring centraal. Beide werelden hebben zich in de loop der eeuwen in de vorm van het rationalisme en het empirisme op tal van manieren tot elkaar verhouden. Daar maakt Van der Woud overigens wel melding van.[1]
 

Fundamentele verandering

Wat gebeurde er nu in die late 19e eeuw? Volgens Van der Woud veranderden de culturele waarden en normen toen fundamenteel. Er was sprake van een omwenteling die zich kenmerkte door het verlies van de dominante positie van de idealen van de oude cultuur. Die verloren hun algemene geldigheid. Daarmee werd de culturele elite, die haar positie van oudsher aan die oude cultuur ontleende, uit het centrum van de macht verdreven. In de nieuwe cultuur ging het om de indruk die men maakte. Alles wat aanwijsbaar is, kreeg volgens Van der Woud een welhaast heilige betekenis.


Hij illustreert dit met een keur aan voorbeelden, ontleend aan het alledaagse leven. Die maken zijn boek buitengewoon levendig en tot de verbeelding sprekend. Bazars, grand hotels, café-restaurants, bioscopen, schouwburgen, theaters, musea. Ze komen allemaal voorbij als manifestaties van de nieuwe cultuur. Telkens is de essentie: het gaat om de omgeving en de ambiance. Die lokken de klanten, niet de voorwerpen of de koopwaren. Zien en gezien worden, daar gaat het om.


Van der Woud geeft daarbij veel interessante historische wetenswaardigheden mee. Zo laat hij bijvoorbeeld zien dat de tegenstanders van de nieuwe massacultuur, de individualisten, die cultuur juist hard nodig hadden. Conformisme en individualisme horen bij elkaar. Een individualist zoekt de massa op om daarin onopvallend zichzelf te kunnen zijn. Interessant is ook dat bepaalde voorzieningen in de nieuwe cultuur de sociale verschillen tussen de klassen in stand hielden. Dat gold bijvoorbeeld voor de schouwburg, het theater en het onderwijs. In café’s en bioscopen daarentegen verdampten die standsverschillen juist.
 


Noodzaak van een omwenteling

So far, so good. Dan volgen de hoofdstukken 29 en 30. Daarin formuleert Van der Woud vrij terloops een tweede doelstelling voor zijn boek.

Hij vertrekt vanuit de premisse dat de geschiedenis geen continuüm is, dus geen opeenvolging van oorzaken en gevolgen. De geschiedenis volgt eerder een patroon van discontinuïteit. Vanuit die gedachte formuleert hij als nevendoel van zijn boek “ .. te illustreren dat we met het denken over die tijd volgens de gebruikelijke lijnen niet verder komen” . Die gedachte van discontinuiteit impliceert voor Van der Woud dat historische studies over de late 19e eeuw een omwenteling of een omslag van culturele waarden en normen moeten laten zien. Doen die studies dat niet en 'beperken' zij zich tot het beschrijven van conflicten, controverses of hectiek, dan schieten zij voor hem te kort. De klassieke studies van Blom en Romein veegt hij dan ook vrij genadeloos van tafel. Weliswaar imposant, zo oordeelt Van der Woud, maar ze laten de oude situatie onvoldoende zien.[2]

Deze stellingname roept een aantal vragen op.


Kritiek

Zo schrijft hij: “ … om een omwenteling in algemeen geaccepteerde waarden en normen te kunnen vaststellen is toch meer nodig dan naar een grote politieke en humanitaire catastrofe verwijzen” .[3] De vraag luidt dan natuurlijk: wat is dan precies nodig? Wat moeten Blom en Romein doen om zich wèl te kwalificeren? De auteur komt hier niet verder dan de notie om een complexe gebeurtenis met grote aandacht en precisie te beschrijven.

De tweede vraag die zijn stellingname oproept, luidt: waarom is een discontinue geschiedschrijving alléén gebaat bij de duiding van een omwenteling, van een Umwertung aller Werte? Blom en Romein beschrijven conflicten en hectiek. Die zou je met een beetje goede wil toch kunnen duiden als schokken en impulsen die óók bijdragen aan een discontinue geschiedschrijving?

Mijn derde vraag komt voort uit mijn waarneming dat Van der Woud kritiek heeft op de beschrijving van de oude situatie door Blom en Romein, maar zelf onduidelijk is over de nieuwe situatie. In zijn voorwoord schrijft hij: ".. pas in de late twintigste eeuw kwam de aardverschuiving die wat er van de oude beschaving over was (dat was vrij veel), grotendeels wegvaagde. Er zijn restanten die vandaag de dag nog worden gecultiveerd. De meeste zijn door de nieuwe cultuur geabsorbeerd". Echter, een analyse van die late twintigste eeuw en daarmee een bewijsvoering voor deze stelling ontbreekt. Je zou ook kunnen betogen dat de beide culturen vandaag de dag wel degelijk nog naast elkaar bestaan. In Amsterdam bijvoorbeeld floreren de klassieke gymnasia, een exponent van de oude cultuur, als nooit tevoren. Of zijn dit de restanten die Van der Woud bedoelt? Het wordt niet duidelijk.

De mist wordt nog dichter als Van der Woud in de loop van zijn boek vragen gaat stellen bij die nieuwe cultuur. Heeft die eigenlijk wel inhoud? Gaf zij eigenlijk wel richting of schiep ze alleen maar vrijheid? Je proeft de persoonlijk scepsis bij de auteur. Op enig moment stelt hij zelfs de vraag of we hier wel van ‘een’ cultuur kunnen spreken? Dat roept dan meteen de wedervraag op: hoe kan Van der Woud van een omwenteling spreken van een oude naar een nieuwe cultuur als hij zelf betwijfelt of die nieuwe cultuur wel de kwalificatie ‘cultuur’ verdient?



Zo nieuw zijn onze problemen nu ook weer niet

Gesjoemel met hypotheken door banken. Snel geld verdienen met de bouw van veel woningen. Tussenpersonen die hoge provisies opstrijken. Bouwvakkers in vaste dienst vervangen door tijdelijke krachten. Mensen die tevreden zijn met vluchtige impressies en het bescheiden geluk niet meer waarderen. Een druk op de winkeliers om –op straffe van faillissement- meteen met de nieuwste mode mee te gaan. Een uitgaanspubliek dat voortdurend naar verandering verlangt. Klachten over de teloorgang van de natuur. Het wegvallen van een gemeenschappelijk maatschappijbeeld.

 
Een betekenis die Van der Woud niet claimt, maar die zijn boek zeker heeft is de relativering van een aantal cultuursociologische verschijnselen die we tegenwoordig als kenmerkend voor onze hedendaagse tijd beschouwen. Met die verschijnselen bleken de mensen ruim honderd jaar geleden ook al te worstelen. Menige analyse over hedendaagse welvaartsverschijnselen zoals stress of werkdruk zou aan diepte kunnen winnen door de analyses van Van der Woud erbij te betrekken. Zo nieuw is dat allemaal niet, rond 1900 kampten veel mensen ook al met zenuwziekten.

 
Eindoordeel

In zijn expliciete doelstelling om de cultuur van de massa te beschrijven is Van der Woud glansrijk geslaagd. Dat geldt niet voor zijn terloopse ambitie om te laten zien dat we niet verder komen met studies die de omwenteling niet beschrijven. Daar blijft de lezer vooral met vragen zitten. Met zijn onbedoelde relativering van veel van onze hedendaagse problemen heeft de auteur een waardevolle dimensie toegevoegd.

Alles overziend had hij dit waardevolle boek beter de volgende ambitie kunnen meegeven. “Ik beschrijf voor u de cultuur van de massa, want die blijkt in de geschiedschrijving een omissie. Daarmee laat ik tevens zien hoe onze voorouders ook al worstelden met problemen waarvan wij denken dat ze uniek zijn voor onze tijd.”


Paul Strijp, 24 juli 2015

 



[1] Zie pagina 230.
[2] Zie pagina 238 bij Van der Woud. Hij doelt op de studies van Jan Romein Op het breukvlak van twee eeuwen (1967) en Philip Blom The Vertigo Years. Change and Culture in the West, 1900 – 1914 (2008).
[3] Zie pagina 242.


woensdag 27 mei 2015

Benjamin Barber overspeelt zijn hand in Als burgemeesters zouden regeren



BOEK

Benjamin Barber. Als burgemeesters zouden regeren. Haperende staten, opkomende steden. Nieuw Amsterdam Uitgevers. Nederlandse vertaling, 2014.


We hebben behoefte aan een mondiaal bestuur. De grote vraagstukken van deze tijd zoals de klimaatverandering vereisen een bestuur dat de gehele wereld regeert. En dat bestuur kan niet worden gevormd door staten, laat dat duidelijk zijn! Voor een mondiaal bestuur komen alléén steden in aanmerking. Steden namelijk zijn nu al wereldwijd met elkaar verbonden. Bovendien lijden zij niet aan de tekortkomingen van nationale staten. Die staten bakken er helemaal niets van. Zie hier de kernboodschap van Benjamin Barber. Barber heeft met dit boek een interessant betoog geschreven over de wereldwijde rol van steden en burgemeesters, maar overspeelt uiteindelijk zijn hand. Hij weigert in te zien dat steden voor een effectieve aanpak van mondiale vraagstukken te enen male afhankelijk zijn van staten.



Het potentieel van steden

Volgens Barber hebben steden een aantal wezenskenmerken. Steden zorgen voor innovatieve en creatieve processen, voor variatie en verschillen. Dat maakt hen uniek, zeker in vergelijking tot de natiestaten. Die hebben dat allemaal niet. Ondertussen hebben steden ook een aantal minpunten. Zij zorgen voor ongelijkheid en neigen tot corruptie. Barber toont zich op dit punt pessimistisch, op tal van maatschappelijke terreinen ziet hij dat die ongelijkheid en daaraan gekoppelde segregatie de kop opsteken.

Wat maakt steden nu zo geschikt voor een mondiaal bestuur? Barber voert hiervoor een aantal argumenten aan. Ten eerste het schijnbaar onvermijdelijk karakter van de stad. Steden waren ooit de voorgangers van de staat en vormen vanuit dat historisch gegeven volgens hem een potentieel democratische, mondiale bouwsteen. Verder zijn steden volgens Barber van nature onderling verbonden, qua mobiliteit en informatieuitwisseling. Net zoals zenuwcellen dat zijn. Ook die verbinding verschaft hen een mondiaal potentieel. Maar misschien nog wel het belangrijkste van alles, is het falen van de rivalen. Vrij vertaald: staten maken er een potje van, vooral als het gaat om de internationale samenwerking. Dat kunnen steden beter!



Afbeeldingsresultaat voor chinese metropolis



Harmonische relatie stad - platteland

Barber houdt een prachtig pleidooi voor een dialectiek tussen stad en platteland. Zeg maar: voor het opheffen van een vruchteloze of-of tegenstelling tussen beide. De door hem voorgestelde synthese bestaat hierin dat hij de natuur in de stad toelaat. De stad kan door de aanleg van parken een gelijkheidsideaal realiseren en alle stedelingen toegang tot de natuur verschaffen. Met andere woorden: Barber laat zien dat de stad de natuur en de open ruimte nodig heeft. De stad is afhankelijk.

Die afhankelijkheid creëert hij niet voor de verhouding van de stad tot de staat. Voor die verhouding komt hij allerminst tot een synthese, maar blijft hij hangen in een scherpe antithese. Hoe zit dat precies?


Moeizame relatie stad - staat

Barber ontwerpt door zijn hele boek heen een ambigue relatie tussen stad en staat.

Soms lijkt hij te zeggen: je kunt het ze ook niet kwalijk nemen dat ze er een bende van maken, die staten. Hun wezenskenmerk wordt immers gevormd door soevereiniteit. Soevereiniteit is nu eenmaal ondeelbaar en onveranderlijk en staat daarmee effectieve internationale samenwerking in de weg. Ook lijkt hij enig mededogen voor staten te kunnen opbrengen vanwege hun onhandige schaalniveau. Ze zijn nu eenmaal te groot voor het servet (de couleur locale van de stad) en te klein voor het tafellaken (het mondiale machtsspel).

Op andere momenten is hij harder in zijn oordeel. Dan diskwalificeert hij staten. Ze laten ons in de steek, zijn zelfgenoegzaam en ijdel en laten alleen maar gebrul horen. Dat is toch allemaal niet niks. Alsof hij er zelf van schrikt, roept hij op andere plaatsen op tot verzoening met de staat. En een enkele keer claimt hij autonomie voor de steden op grond van een vermeend normatief gezag.

Au fond is zijn basishouding: "Natiestaten, je kunt ze maar beter buiten de deur houden". Intelligent samenspel, daar hoor je Barber niet over. De vraag is of dat verstandig is. De Nederlandse context leert in elk geval dat juist voor een effectieve aanpak van mondiale vraagstukken zoals de klimaatproblematiek, dat samenspel tussen overheden noodzakelijk is. We nemen een aantal Nederlandse voorbeelden onder de loep.
 
 

Barber in de Nederlandse context

Eén van de meest succesvolle projecten in Nederland in de strijd tegen de gevolgen van de klimaatverandering, is Ruimte voor de Rivier. Een majeure beslissing die werd genomen na een evacuatie van 10.000 mensen als gevolg van een grote 'bijna-overstroming'. De beslissing omvatte een groot aantal maatregelen zoals de verplaatsing van dijken en de verdieping van rivieren. De uitvoering van dit project werd -daar zijn vriend en vijand het over eens- een bestuurlijke prestatie van formaat. De succesfactor? De vervlechting van centrale en decentrale besluitvorming. Kort en goed: het samenspel van staat en steden. De toenmalige staatssecretaris gaf de decentrale bestuurders (burgemeesters, wethouders, dijkgraven) de ruimte en het gevoel om binnen een aantal randvoorwaarden de kernbeslissing zelf te schrijven en om die te koppelen aan eigen projecten. Het is maar zeer de vraag of de burgemeesters en wethouders deze resultaten op eigen kracht hadden kunnen behalen.

Tweede voorbeeld. Barber noemt de strijd van een burgemeester ergens ter wereld tegen de corruptie. Die strijd doet denken aan de actuele aanpak van een aantal burgemeesters in Nederland tegen de infiltratie van de georganiseerde criminaliteit in het openbaar bestuur. In Noord-Brabant worden die burgemeesters zichtbaar gesteund door de commissaris van de koning. Die profileert zich als roerganger en als klankbord voor de burgemeesters. Ook biedt hij hen mentale steun. Zouden de burgemeesters dit in hun eentje redden?

Een laatste voorbeeld uit de Nederlandse praktijk. Bij de aanpak van de problematiek rondom uitgeprocedeerde asielzoekers (terugsturen naar het land van herkomst of bieden van basale opvang in Nederland?) stonden regering en grote steden onlangs lijnrecht tegenover elkaar. In het Parool van 25 april 2015 werden twee opvattingen over dit conflict uitgemeten. Voormalig eurocommissaris Frits Bolkestein stelde: "Burgemeesters moeten uitvoeren wat de centrale overheid afspreekt. (...) En anders moeten ze maar weg". Columnist Felix Rottenberg daarentegen pleitte voor een burgemeesterscommissie. Een commissie die de opdracht van de regering zou krijgen oplossingen aan te dragen en leiding te geven aan de organisatie van humane regelingen. Hoewel een dergelijke commissie haar nut hier niet heeft kunnen bewijzen, is ook dit voorstel een uitgelezen voorbeeld van de verweving van centrale en decentrale besluitvorming!


Burgemeesters, wat zijn dat voor mensen?

Barber wordt gebiologeerd door burgemeesters. Hij schetst een twaalftal profielen van burgemeesters van wereldsteden. Die profielen zijn betrekkelijk kritiekloos. Soms hebben ze ronduit het karakter van een ode. Dat doet toch wel afbreuk aan de waarde van dit boek.

Burgemeester zijn volgens Barber in de eerste plaats doeners. Pragmatisch ingestelde mensen die vanuit een persoonlijke betrokkenheid praktische problemen oplossen. Met ideologie hebben ze eigenlijk niets. Toch is dat laatste maar zeer de vraag. Ten minste twee van de twaalf portretten verraden wel degelijk een -zij het impliciete- ideologische verankering. Zo laat de burgemeester van Delhi optekenen: "Je redt het gewoon niet met die oude vorm van besturen waarbij je voor iedere cent afhankelijk bent van je kiezers." En zo symboliseert de burgemeester van Jeruzalem volgens Barber zelfs een machiavellistische realiteit.

Machiavellistisch: hoezo hebben steden een democratisch potentieel, mijnheer Barber?



Burgemeesterparlement: metafoor of arrangement?

Vrij vroeg in zijn boek kondigt de auteur een burgemeestersparlement aan. Als lezer denk je lange tijd dat hij dat als metafoor voor een versterkte samenwerking van burgemeesters all over the world gebruikt. Niets is minder waar. In zijn laatste hoofdstukken "schrijft hij dat parlement helemaal uit", bij wijze van spreken met een reglement van orde erbij. Niets dus metafoor, maar een heus arrangement! Dit parlement dient de reeds bestaande informele stedennetwerken te formaliseren. Via een ingenieus systeem dienen de burgemeesters te waken over de belangen van de aarde en zich niet te gedragen als spreekbuizen van hun eigen achterban.

Op zichzelf creëert Barber hiermee een tot de verbeelding sprekende en innovatieve figuur. Echter, dit parlement zal keihard met zichzelf geconfronteerd worden. Waar steden volgens Barber onverschillig staan ten opzichte van ideologie en machtspolitiek, zullen juist deze twee in een wereldwijd parlement onvermijdelijk de kop opsteken. In hun eigen gemeenten mogen burgemeesters zich dan pragmatisch tonen, de mondiale vraagstukken van een wereldwijd parlement zijn per definitie politiek. Die lossen de natiestaten niet op, maar de burgemeesters in hun eentje evenmin.


Failliet van een loodzwaar systeem

Het door Barber ontworpen systeem is gespeend van checks and balances. Alle heil moet van de steden komen. Dit systeem is dan ook gedoemd te bezwijken onder haar eigen gewicht. Steden lopen het risico zichzelf levensgroot te overschatten. Barber heeft de mond vol van een interdependente wereld, een wereld die aan elkaar hangt van onderlinge verwevenheid en afhankelijkheid. Maar hij weigert één afhankelijkheid en verwevenheid onder ogen te zien: de afhankelijkheid van de steden van de natiestaat. Die kan hij maar niet over zijn lippen verkrijgen.

Zijn burgemeestersparlement zal daardoor nooit verder dan een goedbedoelde metafoor komen.


Paul Strijp, 27 mei 2015

maandag 2 maart 2015

Jos de Mul laat in Kunstmatig van nature zien hoe wetenschap en techniek de mens veranderen



BOEK

Jos de Mul Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo sapiens 3.0 Stichting Maand van de Filosofie en Jos de Mul, 2014.


Het is niet ondenkbaar dat uw nakomelingen in een verre toekomst een liefdesrelatie hebben met een robot. Het is evengoed voorstelbaar dat hun hersenen gekoppeld zijn aan die van een ander persoon. Of dat ze over genen beschikken waarvan de ongewenste eigenschappen zijn verwijderd. Toekomstmuziek, science fiction? Wie zal het zeggen? Toch laat Jos de Mul zien dat dergelijke toekomstbeelden minder onwaarschijnlijk zijn dan we denken. Immers, de techniek heeft van oudsher invloed op de ontwikkeling van de natuur. Door de hedendaagse informatierevolutie zal die invloed zich versneld doen gelden. Er is geen ontsnappen meer aan, zo houdt de auteur ons voor. Juist in die onvermijdelijkheid schuilt het huiveringwekkende van zijn boek.
 


Afbeeldingsresultaat voor robots





Redenering in een notendop


De Mul neemt zijn vertrekpunt bij Nietzsche. Die stelde dat de mens met iedere grote technologische en culturele innovatie óók zichzelf verandert. Zo'n proces van zelf-transformatie maken we op dit moment volop mee. Moderne technologieën versmelten met elkaar en met de mens. Zij grijpen direct in ons genetisch materiaal in. De mens is dan ook, zo postuleert De Mul, als eerste soort in staat om zijn eigen evolutionaire opvolgers te scheppen.

Die opvolgers worden dus niet voor hem gecreëerd. Neen, aan dat proces werkt hij actief mee. Volgens De Mul is dat een illustratie van het feit dat niet de natuurlijke selectie (de grondslag van de evolutietheorie van Darwin), maar juist de kunstmatige selectie de motor van de evolutie is. Wie zich het best kan bedienen van wapens, werktuigen en communicatiemiddelen heeft de grootste kans op overleving. Dat is volgens De Mul overigens niets nieuws, maar al een realiteit sinds de overgang van de archaïsche Homo sapiens naar de hedendaagse mens.

Plessner

Voor de theoretische onderbouwing van zijn verhaal sluit De Mul aan bij Plessner. Om vervolgens ook weer afstand van hem te nemen.

Plessner was een bioloog, filosoof en socioloog die een kleine honderd jaar geleden zijn belangrijkste werken publiceerde. De mens heeft volgens Plessner een excentrische positionaliteit. Dat betekent dat de mens niet alleen leeft, hij beleeft dat leven ook. En in tegenstelling tot het dier heeft de mens ook nog eens een keer weet van dat beleven. Dat bewustzijn nu is voor hem ondraaglijk. De mens wil dan ook ontsnappen.

Op dat punt neemt De Mul afstand van Plessner. Hij accepteert juist het lijden van de mens. Hoewel ook hij zich niet al te optimistisch toont over de bijdrage van alle technologische  ontwikkelingen aan het menselijk geluk, wil hij wel blijven genieten van de momenten van verwondering en verrukking. Maar een ondraaglijkheid van dit nieuwe moderne bestaan? Neen, daarop zul je De Mul niet betrappen.

Afbeeldingsresultaat voor jos de mul kunstmatig van nature

Drie toekomsten

Al deze inzichten laat De Mul uitmonden in drie toekomstbeelden, drie scenario’s. Deze dienen gelezen te worden als mogelijke, denkbare werelden. Die werelden construeert De Mul op grond van wat hij vandaag de dag al observeert in verschillende wetenschappelijke domeinen. Die domeinen zijn: de neurotechnologie, de biotechnologie en de robotica. Elk van die domeinen ligt ten grondslag aan één van de drie scenario’s.

Het eerste scenario brengt de menselijke cognitie op een hoger plan. Dat gebeurt door de koppeling van het menselijk brein aan computernetwerken. Het verrassende in dit scenario is dat het brein dat netwerk aanstuurt, maar op zijn beurt zelf ook aangestuurd wordt. De techniek laat zich dus niet alleen sturen, maar ontwikkelt zelf ook een eigen wil en agenda.

In het tweede scenario ontwerpt de wetenschap nieuwe levensvormen. Vanuit een ethisch perspectief is dit scenario het meest discutabel, er is immers sprake van een ingreep in het menselijk leven. De toepassingen liggen in de sfeer van de groene technologie en de verbetering van het erfelijk materiaal van de mens.

Het derde scenario tot slot creëert geheel nieuwe kunstmatige levensvormen. In dit toekomstbeeld figureren robots met een bewustzijn, gevoelens en een vrije wil. Die jagen de mens de stuipen op het lijf. De mens immers is als de dood dat de robots het roer van de evolutie overnemen.
 
Mijn commentaar

Op drie punten heb ik commentaar op het boek van De Mul. Allereerst de keuze van de titel. Die begrijp ik niet helemaal. Daarnaast mis ik een antropologisch kader voor de waardering van de scenario's: hoe moet je elk van die toekomstige werelden nu beoordelen? Ten derde heb ik nog een marginaal punt van kritiek. Op elk van die drie punten zal ik hieronder ingaan.
 
Kunstmatig van nature of kunstmatig verworven?


Op pagina 70 verklaart De Mul de titel van zijn boek.

"Voor zover de eigenschappen van de mens die tot technisch ingrijpen in zijn eigen natuur hebben geleid, zelf de resultante zijn geweest van natuurlijke selectie, kan de mens worden aangeduid als een wezen dat kunstmatig van nature is."

Vier pagina’s verder blijkt dat ook Plessner de mens als zodanig kwalificeert. Mijn vraag is: wat is de precieze betekenis van de aanduiding van nature?


Kunstmatig van nature, ik heb er moeite mee. Uit het citaat hierboven blijkt immers dat die titel aan de orde is voor zover die kunstmatigheid is komen boven drijven in het proces van natuurlijke selectie. Mijn reactie zou dan zijn: in dat geval is die kunstmatigheid er juist niet van nature. Van nature lijkt mij te staan voor: van oorsprong en in eerste aanleg aanwezig. Kunstmatig verworven had mij dan ook een passender titel voor dit boek geleken.
 
Waar zijn de ethische dilemma's?


De Mul neemt wijselijk geen positie in. Hij laat zien wat de verschillende ontwikkelingsrichtingen voor de menselijke soort zijn. Daarbij onthoudt hij zich van commentaar. Ook valt hij moeilijk te betrappen op een impliciete persoonlijke voorkeur voor één van de scenario’s. In dat opzicht toont hij zich een voorbeeldig wetenschapper.

Toch mis ik iets: een antropologisch beoordelingskader. Hoe moet je elk van die toekomstige werelden nu waarderen vanuit een filosofisch perspectief? Er zijn vast meerdere antropologische scholen van waaruit je naar die werelden kunt kijken. Daaraan had De Mul méér ethische dilemma’s kunnen koppelen. Die stipt hij nu een enkele keer aan en dan creëert hij een mooie spanning. Zoals de ethische vraag die hij formuleert in het scenario van de nieuwe levensvormen. “Moeten we iets doen als de natuur het zelf ook bedacht zou kunnen hebben?”
 
Dyson

Een punt van kritiek in de marge tot slot is dat De Mul in datzelfde scenario wel erg veel pagina's wijdt aan de opvattingen van Dyson, een gezaghebbend en wereldberoemd onderzoeker aan het Institute for Advanced Study in Princeton. Die aandacht is wat disproportioneel. De Mul steekt zijn bewondering voor deze man niet onder stoelen of banken.
 
Eindoordeel

De Mul heeft een knap overzichtswerk geleverd van de hedendaagse ontwikkelingen in de neuro- en biotechnologie en de robotica. Dat heeft hij gekoppeld aan een prikkelend visionair verhaal. Vooral de robots die tot liefde, seks en vriendschap in staat zijn, laten je niet meer los. Zeker niet als je bedenkt dat die robots in sommige delen van de wereld nu al geen toekomstmuziek meer zijn. Met andere woorden: er schuilt een zekere onvermijdelijkheid in dit boek. De boodschap van De Mul is: “Beste mensen, twijfel niet. Het gaat die kant met de mens op. We weten alleen nog niet precies welke richting en wanneer”. Tezelfdertijd belooft hij ons geen gouden bergen van voorspoed en geluk, maar houdt hij ons voor dat het menselijk tekort altijd zal blijven bestaan.

Juist door die boodschap is Kunstmatig van nature een huiveringwekkend en beklemmend boek.

Paul Strijp, 2 maart 2015