Translate

woensdag 9 juli 2014

Hans Wansink schetst in Het Land van Beatrix een natie die steeds verkrampter werd



BOEK

Hans Wansink  Het land van Beatrix. De eerste geschiedenis van hedendaags Nederland. 1980 – 2013. Prometheus, Bert Bakker. Amsterdam, 2014.

Een land dat de vanzelfsprekendheid van haar gastvrijheid heeft verloren. Dat zich, na een aanvankelijk optimisme, geen raad meer weet met het project Europa. Een land ook dat wereldwijd geprezen wordt om haar vermogen om lastige kwesties bespreekbaar te maken, maar ondertussen decennia lang een taboe liet bestaan op het ontstaan van een etnische onderklasse in de grote steden.  Verkramptheid, wantrouwen en vervreemding waren het gevolg. Die stemming heerst tot op de dag van vandaag. Dat is het beeld dat Wansink schetst van ons land gedurende de monarchie onder Beatrix.

Als zeventienjarige student verliet ik in 1980 mijn ouderlijk huis. Het  vertrouwde en beschermde Maastricht verruilde ik voor Amsterdam, de grote gevaarlijke stad. Het jaar 1980 is voor mij dan ook een belangrijk referentiejaar. Bij gebeurtenissen in het verleden denk ik vaak automatisch “dat is vóór of na 1980”. 1980 blijkt niet alleen voor mij persoonlijk maar ook voor onze vaderlandse geschiedenis een belangrijk jaar. Immers, vanaf toen heeft zich volgens Wansink een ingrijpende transformatie voltrokken. En ook de kroning van Beatrix in dat jaar die ik een aantal maanden vóór mijn verhuizing op televisie volgde, was niet alleen voor mij een schok. De krakersrellen, de stad die letterlijk en figuurlijk in brand stond: die dag markeerde een omslag in de stemming van onze natie.




In vogelvlucht

Eerst maar eens in vogelvlucht door een dikke drie decennia recente vaderlandse geschiedenis. Wat laat Wansink ons allemaal zien?

In de jaren tachtig krijgen stress en concurrentie ons leven in hun greep. Prestaties worden maatgevend, we verzeilen in een meritocratische samenleving. In 1982 sluiten werkgevers en werknemers het Akkoord van Wassenaar. Prijscompensatie wordt ingeruild voor arbeidstijdverkorting. Het akkoord is historisch omdat het een einde maakt aan het ingrijpen door de overheid in de loonontwikkeling. Premier Lubbers tekent met zijn kabinetten voor de privatisering en de sanering van onze verzorgingsstaat. Toch kan ook hij niet verhinderen dat de christendemocratische zuil waar zijn partij het CDA het middelpunt van vormde, langzaam afbrokkelt. Onze economie verliest haar nationaal karakter.

In het verlengde hiervan laten de jaren negentig veel internationale fusies en overnames zien. Ons land wordt economisch gedomineerd door zes grote multinationals. Onder de paarse kabinetten beleven we een hoge economische groei,  tezelfdertijd ontstaat er fikse onvrede over de kwaliteit van de publieke dienstverlening. Met Srebrenica in 1995 beleven we een ongekend nationaal trauma. Maar voor het overige is er geen wolkje aan de lucht. De integratie van minderheden beschouwen we volgens Wansink als een kwestie van goede wil. Integratie is daarmee een vraagstuk dat vooral onder de oppervlakte broeit. Publiekelijk vraagt vrijwel niemand zich af of onze arbeidsmarkt die integratie wel aan kan.

En dan verandert de wereld voorgoed. Met de aanslagen op de Twin Towers in 2001 komt de internationale politiek in het teken te staan van voortdurende angst voor de verspreiding van massavernietigingswapens. Ondertussen beleeft ons land een kleine revolutie, Nederland lijkt Nederland niet meer.  De veenbrand van de jaren negentig met de latente onvrede over de publieke dienstverlening en de integratie komt in alle hevigheid aan de oppervlakte.  De eerste acht jaren van het eerste decennium van deze nieuwe eeuw laten een populistische opstand zien, politieke partijen vormen niet langer een ankerpunt. Met de moord op Fortuyn en Van Gogh krijgen we er nog twee trauma’s bij. Met een beetje goede wil zou je de massale verwerping van het referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie in 2005 ook als trauma kunnen benoemen. Hoewel Wansink laat zien dat juist Europa met zijn steeds stringentere financiële voorwaarden voor stabiliteit zorgt in een politiek steeds labieler land, gaapt er op dit punt een levensgrote kloof  tussen het volk en de elite.

Op 15 september 2008 valt de Amerikaanse bank Lehman Brothers om. Een lange en diepe financiële crisis volgt. De onderlinge afhankelijkheid van banken in verschillende landen vraagt offers van de bevolking die, zo schrijft Wansink, niet meer zijn uit te leggen. Toch is er in ons land een acceptatie van de hoge kosten voor het voorkomen van faillissementen in de financiële sector. Dat neemt niet weg dat Europa kampt met een existentiële crisis die voortduurt tot op de dag van vandaag.

Hé, dat is opmerkelijk

Wat is ons land veranderd sinds ik in 1980 mijn ouderlijk huis verliet! Die veranderingen merk je niet op van dag tot dag, maar bij het lezen van dit boek denk je: Nederland is een compleet ander land geworden. Bepaald niet gezelliger. Het boek roept een redelijk beklemmend beeld op. Er zijn ook zaken die je verrassen, die je raken. Twee wil ik er noemen.

Ons land heeft vrijwel onophoudelijk geworsteld met ongunstige financiële omstandigheden en als gevolg daarvan met de noodzaak om vrijwel permanent te bezuinigen. Dat heb ik mij nooit zo gerealiseerd. Alleen de tweede helft van de jaren negentig kende een periode van ongekende economische groei. Zelfs toen was een stringent begrotingsbeleid aan de orde. Een ontspannen financieel klimaat hebben we dus eigenlijk nooit gekend. En wat mij raakte was dat de Tweede Kamer in 1985 akkoord ging met de bouw van twee nieuwe kerncentrales. In die Kamer was een rechtse meerderheid van CDA, VVD en de kleine christelijke partijen maar zeker géén breed draagvlak. Kennelijk durfden kabinet en Kamer bij een maatschappelijke zo gevoelig onderwerp die verantwoordelijkheid te nemen. Overigens keerde een jaar later de wal het schip met de ramp in Tsjernobyl. Die centrales kwamen er niet.
 


Transformatie en continuïteit

Met dit boek slaagt de auteur er voor mijn gevoel in om een mooi evenwicht te bereiken tussen enerzijds het internationale perspectief en anderzijds de soms eeuwenlange nationale historie en traditie. Wansink laat zien hoe de internationale ontwikkelingen rondom de financiële markten, de vluchtelingenstromen en de Europese Unie genadeloos een einde maken aan een aantal diepgewortelde cultuurkenmerken.  Zo komt er een einde aan onze egalitaire cultuur wanneer prestaties eind jaren tachtig steeds belangrijker worden. Van ons positieve zelfbeeld blijft evenmin veel over en ook onze tolerantie boet veel aan waarde in. Die veranderingen staan borg voor wat Wansink die ingrijpende transformatie noemt.

Maar er is ook continuïteit. De cultuur van overleg en consensus is niet weggevaagd, we blijven een land van minderheden en daarmee een land van schikken en plooien. Met subtiele voorbeelden laat Wansink zien hoe typische cultuurmechanismen in stand zijn gebleven. In de jaren zestig palmde de elite de antiautoritaire protestbeweging in door haar eigen positie te relativeren en begrip te tonen. Premier Balkenende deed veertig jaar later hetzelfde bij de formatie van zijn eerste kabinet. Volgens Wansink accommodeerde hij de kritiek uit de hoek van de LPF door deze partij mee te laten regeren. Vrij vertaald:  If you can’t beat them, join them.

In zijn beschrijving van het spanningsveld tussen transformatie en continuïteit laat Wansink één factor onderbelicht: de secularisering. Die heeft zich bij ons vele malen sneller voltrokken dan in andere landen en is daarmee een uiterst belangrijke sociaal-culturele ontwikkeling. Hij wijdt er nauwelijks één pagina aan  in het licht van de afbrokkeling van de christendemocratische zuil. De invloed van de ontkerkelijking is echter diepgaander en invloedrijker geweest, ook voor andere politieke partijen en maatschappelijke stromingen.

Onbesproken paradoxen

Wansink laat verder één levensgrote kans onbenut. Het interessantste aan zijn boek is een impliciete paradox. Die benoemt hij echter niet als zodanig. Enerzijds staat Wansink stil bij de internationale waardering voor ons vermogen om moeilijke kwesties als euthanasie en het drugsbeleid bespreekbaar te maken. Anderzijds laat hij zien hoe decennia lang een taboe rustte op de onrust onder witte mensen over het ontstaan van een etnische onderklasse in de grote steden. In dat verband verwijst Wansink ook naar Scheffer die stelt dat ons land een lange traditie heeft van conflictvermijding. De vraag luidt dan: hoe kan dat? Alles bespreekbaar maken en op hetzelfde moment een groot taboe in stand houden? Wat is hier aan de hand? Hoe kan deze paradox verklaard worden? Hebben wij in Nederland misschien een impliciete hiërarchie van waarden? De auteur staat er helaas niet bij stil.

Wansink laat nog een andere paradox onbesproken, zij het dat die niet in zijn boek zelf verborgen zit. Aan het einde stelt de auteur dat Nederlanders niet lekker in hun vel zitten. Dat is nog maar de vraag. Uit het rapport De sociale staat van Nederland 2013 van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat meer dan 80% van de Nederlanders zegt gelukkig te zijn. Daarmee staan we vierde op een lijst van 156 landen. En de tevredenheid met het leven is het afgelopen decennium, dus tijdens de crisis, gestegen van 7.6 naar 7.8 Hoe hoog moet je scoren om lekker in je vel te zitten? Dat neemt niet weg dat twee derde van de Nederlanders vindt dat ons land zich in de verkeerde richting ontwikkelt. Maar die somberheid bestond bij 60% ook al vóór de crisis. Kort en goed: de paradox bestaat uit de tevredenheid met de eigen persoonlijke situatie in relatie tot de onvrede over de richting van onze samenleving.

Vooruitzichten

In zijn laatste hoofdstuk bespreekt Wansink een aantal indicatoren die de kwaliteit van onze toekomstige samenleving bepalen: de kracht van onze economie, onze identiteit, de prestaties van de overheid, het vertrouwen in ons politieke systeem en de verwachtingen van hetgeen de staat ons kan bieden aan bestaanszekerheid. Deze indicatoren geven een diffuus beeld en wijzen zeker niet eenduidig in één richting. Zo laat hij zien dat de overheid wel degelijk tot prestaties in staat is gebleken: het aantal aanvragen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering is substantieel verminderd en ook immigratie bleek beheersbaar. En nadat de inkt uit de pen van Wansink in december 2013 was opgedroogd, zijn er opvallend gunstige rapporten verschenen van het Centraal Planbureau over de Nederlandse overheidsfinanciën en van het World Economic Forum over de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse economie. Objectief staan we er dus zeker niet beroerd voor, maar misschien is het managen van de verwachtingen van hetgeen de overheid vermag nog wel de cruciale succesfactor.

Als de afgelopen drie decennia één ding hebben laten zien, is het wel de verwoestende kracht van internationale ontwikkelingen en de snelheid waarmee nationale waarden verdampen. Het zou goed zijn als we ons beraden op de vraag hoe we in het toekomstige internationale geweld een waarde als tolerantie overeind kunnen houden.

Dit is een knap boek!
Paul Strijp, 9 juli 2014

vrijdag 20 juni 2014

Politieke emoties van Martha Nussbaum: tikkeltje naïef maar vooral monumentaal



BOEK

Martha Nussbaum. Politieke emoties. Waarom een rechtvaardige samenleving niet zonder liefde kan. Ambo, Amsterdam, 2014.



Ze heeft er slechts één zinnetje voor nodig. In een boek van meer dan vierhonderd pagina's schrijft zij op pagina 70: " Het romantische idee dat emoties alleen iets waard zijn als ze ongevraagd opkomen, moet worden verworpen: we kunnen deugdelijk leren voelen, net zoals we deugdelijk kunnen leren handelen." Als we emoties maar begrijpen en weten waar ze vandaan komen, dan kunnen we ze volgens Nussbaum ook politiek beïnvloeden. En die invloed moet gericht zijn op de totstandkoming van een stabiele samenleving. Dáárover gaat haar boek en eigenlijk nauwelijks over de relatie tussen liefde en een rechtvaardige samenleving. "Waarom een stabiele samenleving niet zonder politieke sturing op emoties kan" was dan ook een passender ondertitel geweest.


Over Martha Nussbaum

Martha Nussbaum geldt als één van de grote naoorlogse filosofen.  In het boek Filosofen van deze tijd van Doorman en Pott[i] heeft zij een plaats te midden van prominenten als Heidegger, Wittgenstein, Popper en Sartre. Uit het portret dat van haar wordt geschetst blijkt dat een groot aantal thema’s en gedachten uit eerder werk, ook in dit nieuwe boek de revue passeren. Haar liefde voor tragedieschrijvers die het leven als wisselvallig en onzeker etaleren. Haar aandacht voor de context. Haar zoektocht naar een basale, gedeelde menselijkheid. Haar voorkeur voor reflectie, pluraliteit en kritiek boven gewoonte, eenkennigheid en traditie. Haar voortdurende nadruk op empathie en verbeeldingskracht. Haar niet aflatende pleidooi voor onderwijs dat opleidt tot democratisch wereldburgerschap. Allemaal bekende thema’s van Nussbaum die met elkaar ook de rode draad van dit nieuwe boek vormen. De vraag rijst dan ook wat zij met dit boek aan haar oeuvre toevoegt.






Besef van sterfelijkheid

Nussbaum vertrekt vanuit de overtuiging dat politieke principes in een liberale staat emotionele ondersteuning nodig hebben. Emoties immers versterken volgens haar de toewijding aan die principes, tenzij ze uit één doctrine stammen. Daarvoor is het nodig om liefde en mededogen te cultiveren. Haar boek is een zoektocht naar de vormen die die emotionele ondersteuning kan aannemen. Die tocht leidt tot een keur aan voorbeelden. In de rijkdom van die voorbeelden schuilt voor mijn gevoel het vernieuwende en de toegevoegde waarde van dit boek. Een opera van Mozart, toespraken van regeringsleiders, tragedies en komedies, architectuur en kunstwerken in de openbare ruimte. Allemaal uitingsvormen die politieke ambities kunnen ondersteunen. Allemaal uitingsvormen ook waarin vaak symbolen, literatuur en in het bijzonder poëzie, muziek, passie en humor doorklinken.

Tijdens die tocht gaat ze op zoek naar de oorsprong van menselijke vooroordelen, haat, stigmatisering en uitsluiting: waar komen die toch vandaan? Méér dan Locke en Kant voor haar gevoel doen, zoekt ze de verklaring voor dat gedrag in psychologische aspecten. Zij doet dat door de menselijke natuur als aangrijpingspunt te nemen en niet zijn voorgeschiedenis. De oorsprong van dat gedrag vindt zij in de hulpeloosheid die eigen is aan het menselijk leven. We voelen allemaal dat ons lichaam kwetsbaar en machteloos is. Het besef van die sterfelijkheid leidt volgens Nussbaum tot een opleving van het narcisme. Alleen liefde kan daar het hoofd aan bieden. Daarmee treedt ze in de voetsporen van Mill en Tagore.

Haar zoektocht leidt bij mij tot zowel kritiek als bewondering.

Kritiek

Geïnspireerd door Rousseau, Mozart, Herder en Comte stelt Nussbaum dat we de problemen van onze samenlevingen moeten aanpakken in een geest van liefde. Alle kernemoties die een fatsoenlijke maatschappij schragen, zijn immers geworteld in liefde. Volgens haar moet de theorie van Rawls over emoties in een rechtvaardige samenleving worden uitgebreid met liefde. De bewijsvoering voor het waarom daarvan levert ze niet. Regelmatig passeren noties over het belang van liefde, maar de vraag waarom liefde bijdraagt aan juist een rechtvaardige samenleving beantwoordt zij niet.

Bovendien gebruikt Nussbaum nogal storend de begrippen rechtvaardige samenleving, fatsoenlijke samenleving en publieke cultuur door elkaar. Dat komt de helderheid van haar betoog niet ten goede. Daardoor blijft de ondertitel van het boek wat gratuit, zeker in het licht van het zojuist verschenen boek van Piketty over het belang van materiële herverdeling voor een rechtvaardige samenleving. Liefde is belangrijk, zeker in de opvoeding van kinderen, zoveel maakt Nussbaum wel duidelijk. Maar draagt een gelijke verdeling van kapitaal en vermogen niet veel meer bij aan rechtvaardigheid, zo vraag je je af.

En dan volgt dat zinnetje op pagina 70. Dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel luidt: het romantische idee dat emoties alleen iets waard zijn als ze ongevraagd opkomen, moet worden verworpen. Er is kennelijk een school of traditie die plotseling opkomende emoties waardeert. Welke school is dat en waarom deugt die niet? Nussbaum levert niet één argument.  Bij het tweede deel van de zin (we kunnen deugdelijk leren voelen, net zoals we deugdelijk kunnen leren handelen) blijkt dat zij uitgaat van een bepaald type benadering van emoties: een instrumentele. Noties als Emoties moeten ondergeschikt gemaakt worden, het in een passende vorm cultiveren van emotie, het politiek gebruik van medeleven, de politieke kunst van het wekken van emoties zijn aan de orde van de dag. Een deugdelijke emotie is kennelijk een emotie die zo gestuurd kan worden dat hij bijdraagt aan stabiliteit en niet verstorend werkt voor de maatschappelijke orde. Dat is een te rechtvaardigen keuze. Maar emoties hebben ook nog een intrinsieke waarde. Bovendien kunnen emoties, bijvoorbeeld boosheid, een ontregelend karakter hebben. Daaraan besteedt zij nauwelijks aandacht. Hoe verhoudt dat karakter zich tot de mogelijkheden van politieke beïnvloeding?
 
Bewondering

The New York Times schreef ooit dat Martha Nussbaum niet bang is om bestempeld te worden als filosofisch naïef. Er hangt inderdaad een zweem van naïef optimisme rond haar boek. Het populisme is wereldwijd hardnekkig, niettemin gelooft Nussbaum in een tragedie of een mooi plein als bestrijdingsmiddel. Zo werkt het niet schoot regelmatig door mijn hoofd. Dat zal ook komen omdat Nussbaum zelf nergens wijst op de beperkingen of moeilijkheden van haar benadering. Haar optimisme is eindeloos.  Dat neemt niet weg dat ze aan het einde van haar boek behoorlijk relativeert en ook haar geloof in eigen kracht wat lijkt te verliezen. Uit angst voor een controverse kiest ze naar eigen zeggen voor een mager politiek concept. Dat is natuurlijk inherent aan haar streven naar haar variant van een religie van de mensheid. Die kan eenvoudigweg niet al te uitgesproken zijn. Het is volgens haar voldoende als genoeg mensen genoeg voelen op genoeg momenten.
Natuurlijk komt er kritiek op dit boek. Menigeen zal zeggen dat mijn oproep tot liefde niet realistisch is, en wat te veel gevraagd, als je denkt aan de staat van de politiek in zo goed als alle landen. (…) Dat is allemaal best, maar heeft een natie dan geen behoefte aan een hart? Bestaat er behoefte aan expertise, maar niet aan alledaagse emoties als medegevoel, aan lachen en huilen (…) of aan verwondering bij het zien van iets moois? Als een natie inderdaad zo is, kun je maar beter ergens anders gaan wonen.
Op dit boek valt het een en ander aan te merken. Politieke emoties is wellicht een naïef monument, maar wel een monument. Een wereldverbeteraar van deze allure, met deze denkkracht. Iemand die in alles uitstraalt het beste met de totale mensheid voor te hebben. Je krijgt vanzelf sympathie en bewondering voor deze vrouw.

Paul Strijp, 20 juni 2014




[i] Doorman, M. & H. Pott  (red.) Filosofen van deze tijd. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2000.

maandag 28 april 2014

Antifragiel van Nassim Nicholas Taleb: prettig ontregelend, maar ook pedant en triviaal



BOEK
Nassim Nicholas Taleb Antifragiel. Dingen die baat hebben bij wanorde. Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam, juli 2013.
(inclusief een reactie van Casper Hartman op deze recensie)


Vertrouw in het leven op ervaring, wijsheden, tradities en vuistregels in plaats van op theoretische kennis. Doen is belangrijker dan denken. Maak gebruik van wanorde, chaos, toeval, variatie, tegenslag, overcompensatie, verwarring, vervreemding, opschudding en instabiliteit. Grote kans dat u dan ooit een staat van antifragiliteit bereikt. Volgens Nassim Nicholas Taleb bent u dan zelfs minder kwetsbaar dan in een toestand van robuustheid. Jammer alleen dat Taleb in zijn betoog zo nu en dan ook triviale zaken behandelt en net wat te vaak een pedante toon aanslaat.

Het zal zo rond mijn twintigste geweest zijn. Samen met een jeugdvriend sliepen wij onze roes uit op een Franse camping. Te veel bier gedronken van het merk Eku, in die tijd het sterkste bier van de wereld. Onze buren kenden wel een remedie. Bloedserieus bevalen zij ons aan om nog een biertje te drinken. Curer le mal avec le mal.

 


 
 
Evolutionaire paradoxen

Dit voorval schoot door mijn hoofd bij het lezen van het boek Antifragiel. Hierin bestudeert Taleb de wetmatigheden van natuur en evolutie. Om deze te vertalen naar individuen en systemen zoals organisaties. Dat leidt tot prettig ontregelende inzichten. Tot één grote zee aan paradoxen. Je zou ze evolutionaire paradoxen kunnen noemen. Om een paar voorbeelden te noemen. Hormese is het verschijnsel waarbij een lage dosis gif een overmatige reactie in gang zet en ons juist beter maakt. Precies wat onze Franse buren al wisten. Achter een overmatige reactie gaat volgens Taleb vaak een overschot aan energie schuil. Die kunnen we goed gebruiken, bijvoorbeeld voor innovatie in organisaties. Zo zit er ook energie in de haat of aanval van tegenstanders. Maak er gebruik van, adviseert Taleb. Net zoals bomen harder groeien nadat ze gesnoeid zijn en net zoals geheimen niet geheim blijven maar zich juist doorvertellen.

En zo gaat Taleb maar door. De evolutie leert ons dat we sterker worden door schade. Sommige eenheden sterven, andere overleven. En zij die overleven hebben kenmerken die het geheel sterker maken. Taleb lijkt dan ook onverschillig te reageren op de doden die bij een vliegtuigongeval te betreuren zijn. Die maken het systeem en dus het vliegen veiliger. Degenen die omkomen dragen bij aan de veiligheid van toekomstige passagiers. Mutatis mutandis reageert hij ook zo op oorlog. Enigszins choquerend pleit hij ervoor om net als tuiniers niet alleen naar de slachtoffers te kijken, maar ook naar dat wat later gebeurt.

 
 
Fragiel, robuust, antifragiel

Antifragiel leest als één grote afrekening met de Verlichting en de moderniteit. De wereld van het meten, voorspellen en beheersen. Wat stelt Taleb daarvoor in de plaats? Een geheel eigen doctrine, die rust op een cocktail aan bronnen en domeinen. Taleb zelf beroept zich op de wetenschap, filosofie, bedrijfsleven, psychologie, literatuur en autobiografische fragmenten. Van die veelheid heeft de filosofie en Nietzsche in het bijzonder een sterke invloed op Taleb. Nietzsche zorgde in zijn tijd voor een breuk in de morele orde door het apollinische van de Platoonse traditie (orde, maat, harmonie, evenwicht) te verzoenen met het dionysische (het mysterieuze, het ondoordringbare, de extase, de uitschakeling van de ratio). Juist dat dionysische doordrenkt de paradoxen van Taleb en zorgt voor de ontregeling in zijn lessen voor individu en systeem.

De combinatie van het apollinische en dionysische zorgt voor een toestand die Taleb antifragiel noemt. Antifragiel staat voor: alles wat meer voor- dan nadeel ondervindt van toevallige gebeurtenissen, het je op je gemak voelen bij afwijkingen, het organische. Antifragiel is minder kwetsbaar dan het fragiele (dat enkel bepaald wordt door het apollinische) of het robuuste (enkel het dionysische).

 
 
Is Taleb een taoïst?

Overigens schurkt Taleb dicht tegen twee bronnen aan die hij niet noemt. De eerste is de Oostenrijkse wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend. Waar Taleb omstandig het belang van de academische wetenschap relativeert en het trial and error karakter benadrukt, doet hij sterk denken aan het boek Against Method van Feyerabend. Daarin wordt het bestaan van een universele wetenschappelijke methode ontkend en juist het anarchistische anything goes gepropageerd. De tweede bron waarmee Taleb verwantschap vertoont zonder dat zelf te beseffen of te noemen, is de oosterse filosofie. De onderstaande regels zijn van Zhung Zi (369 – 286 vóór Christus), de meester van het taoïsme. Ze hadden zo uit de pen van Taleb kunnen vloeien.


Het is bekend dat men met vleugels kan vliegen;

Nog niet bekend is dat men zonder vleugels ook kan vliegen;

Het is bekend dat kennis vergaard wordt door het weten;

Wat nog niet bekend is, is de kennis verkregen door het niet-weten.

 
 
Trivialiteiten

Door de veelheid aan pagina’s duurt het even, maar soms heeft Taleb veel woorden nodig om apert triviale zaken duidelijk te maken. Dat is bijvoorbeeld het geval met zijn halterstrategie. Die omschrijft hij als een tweeledige strategie met extremen zonder aantasting van het midden. Anders geformuleerd: beperk de negatieve risico’s, bescherm jezelf tegen extreme schade en laat de positieve risico’s op hun beloop. Als voorbeeld noemt hij een stressvrij baantje voor erbij, zodat je –zodra je de deur van het kantoor achter je dichttrekt- rustig kunt schrijven over wat je maar wilt. Vrij vertaald zou je de essentie van de halterstrategie ook kunnen omschrijven als: speel op safe. Dat is precies wat half werkend Nederland doet. Een vaste aanstelling en voor één dag in de week een eigen bedrijfje erbij. What’s new?

Eenzelfde vraag kun je stellen bij de uitvoerige beschouwing van Taleb over zogeheten epifenomenen. Die komen in de kern neer op het verwarren van correlatie en causaliteit. Elk eerstejaars statistiekboek leert dat je een samenhang tussen twee variabelen niet moet aanzien voor een oorzakelijk verband. En in hoeverre is zijn leer van de optionaliteit niet terug te voeren tot de eerste les van een cursus onderhandelingen: keep your options open!?

 
 
Ethiek

Even heb ik gedacht dat zijn ethiek ook in de categorie der trivialiteiten geplaatst moet worden. Die ethiek is oppervlakkig uitgewerkt, kent geen dilemma’s en is ook niet ingebed in zijn evolutionaire paradoxen. Feitelijk steunt zij op twee morele stelregels. Eén: als je fraude ziet en niet meldt, pleeg jezelf fraude. En twee: wees een held, praat niet zonder te doen en neem dus risico en verantwoordelijkheid. Kortom: een oproep tot heldendom voor iedereen. Is dat niet wat te veel gevraagd? Kenmerkt het heldendom zich niet juist door het feit dat we er daar maar een paar van hebben? Toch noemt Taleb een aantal kwesties die op dit moment juist in ons land hoogst actueel zijn: de bonuscultuur en de fraude in de wetenschappen. Ik zou hem dan ook tekort doen door zijn ethiek als triviaal te diskwalificeren.

 
 
Pedante ondertoon

Economen, journalisten, ambtenaren, lobbyisten, hockeymoeders. Ze krijgen er allemaal genadeloos van langs van Taleb. Niet één keer, maar bij herhaling. De eerste keer is dat grappig, maar na verloop van tijd gaat die houding irriteren. Wat bezielt deze man dat hij zo tekeer gaat? Hij oogt rancuneus, wat heeft hij te verwerken? Wat is er met hem gebeurd? Taleb laat de lezer weten dat hij zelf oorlogen heeft meegemaakt, maar dat mag geen legitimatie zijn om hele beroepsgroepen en mensen zo aan de schandpaal te nagelen. Zo wordt Thomas Friedman als opinieleider medeverantwoordelijk gehouden voor de oorlog in Irak. Louter en alleen omdat hij alleen commentaar geeft en geen vuile handen maakt. Een dergelijke beschuldiging is disproportioneel.

Het lezen van Antifragiel is een belevenis. Toch was ik door die hautaine ondertoon blij dat ik het boek uit had.

Paul Strijp, 28 april 2014




Reactie van Casper Hartman,
Ronkend door de gevestigde orde
Taleb’s ‘Antifragiel’


Net zoals Paul Strijp in zijn blog optekent - boekbesprekingenpaulstrijp.blogspot.nl - was ik blij toen ik Taleb’s boek ‘Antifragiel’ uit had. Niet omdat ik er toen wel genoeg van had, maar uit dankbaarheid voor de intrigerende leeservaring. Zelden kom je een werk tegen waarin boodschap, betoogtrant en vormgeving zo prikkelen en je doen duizelen.


Gedachtegang en boodschap

Hoe ziet Taleb’s gedachtegang er in het kort uit?
Hij start met de constatering dat we maar moeilijk met onzekerheid kunnen omgaan. We hebben angst gekregen voor toeval: ‘moderniteit wijst fragiliteit af’. Daardoor gaan we op allerlei levensterreinen overmatig stabiliseren, hetgeen ons paradoxaal genoeg kwetsbaar maakt voor ‘Zwarte Zwanen’: het onbekende wordt genegeerd als of het niet zou bestaan. ‘Stabiliteit lijkt op een lening die we op gegeven moment terug moeten betalen.’ Ook wordt afwezigheid van bewijs vaak verwisseld met bewijs van afwezigheid.

Maar dat toeval slecht en riskant is, is een misvatting. We moeten er juist voordeel uit halen, hetgeen kan leiden tot ‘antifragiliteit’. Een verlegenheidsterm volgens Taleb: ‘we hebben eigenlijk geen woorden voor iets wat juist baat heeft bij verstoringen’. Tegenslagen kunnen je ook sterker maken: elke nadeel heeft een voordeel, zou je kunnen zeggen. Of in systeem termen: ‘sommige dingen in het binnenste van een systeem moeten fragiel zijn om het systeem als geheel antifragiel te maken’.


Nieuwe termen en begrippen

Vanuit deze basisgedachte bouwt hij bij stukjes en beetjes op allerlei levensdomeinen zijn betoog op, als een soort lego bouwwerk, eindigend met een hoofdstuk over ethiek. Dat opbouwen doet hij met wat hij de ‘halterstrategie’ noemt: hoe beperk je op allerlei levensterreinen neerwaartse risico’s en breid je opwaartse uit, in de richting van ‘antifragiliteit’? Optionaliteit is daarbij het sleutelwoord.
Bij deze term blijft het niet. Als lezer moet je wat wennen aan de vele nieuwe termen en begrippen die Taleb lanceert, zoals bijvoorbeeld ‘touristificatie’. ‘De moderniteit heeft elke druppel variabiliteit en toeval uit ons leven geperst’, zo stelt Taleb. Bij deze term moest ik meteen denken aan het moment waarop ik laatst een cruiseschip voorbij zag varen. Dan besef je: o ja, die mensen die je op het dek ziet lopen hebben voor hun romantische reis een bedrag betaald waar alles in zit, tot en met de fooien toe.

Taleb gebruikt de term touristificatie overigens veel ruimer: het systematisch verwijderen van onzekerheid en toeval uit dingen om die in details voorspelbaar te maken, alles omwille van gemak, comfort en efficiëntie. Een euvel dat ons in de organisatiewereld danig parten is gaan spelen, daar kunnen we niet meer omheen. Zo zien we op dit moment in de zorgsector hoe organisaties kunnen ontaarden in grootschalige bouwwerken met tot vervreemding leidende protocollen en procedures en met een management dat losgezongen is van de werkelijkheid.

Overigens zijn er ook bekende begrippen die Taleb van een fris jasje voorziet, zoals ‘iatrogenese’, overmatige interventies, in de jaren ’80 bekend geworden door Illich en
in ons land in de zorgsector door Achterhuis. Uitgebreid beschrijft Taleb hoe in het medische domein de schade door ingrepen groter kan zijn dan de voordelen en hoe fragiele structuren tot stand komen.


Waarom heeft Taleb’s werk mij zo geraakt?

Allereerst door de ver doorgevoerde dynamica of proceslogica met termen als ‘lineariteit’ en ‘tredmoleneffecten’. Zo stelt hij dat we de neiging hebben ‘het niet-linaire’ te versimpelen tot ‘het lineaire’, zoals bij het bed van Procrustes armen en benen afgezaagd of uitgerekt werden om maar in het bed te passen. Natuurlijk zet hij zich, zoals Paul Strijp aangeeft, daarbij af tegen rationeel structuralistisch denken dat volgens hem kenmerkend is voor het gros van het middelbaar en hoger onderwijs. Leuk is wel dat Taleb zelf hoogleraar is, in risicomanagement, maar in wezen een ‘self made man’ is, gepokt en gemazeld in de derivatenhandel maar daar uitgestapt, zich afkerend van de financiële wereld.

De tweede reden dat zijn boek mij raakte is dat je dit bouwwerk m.i. tegelijkertijd kan beschouwen als een grenzen overschrijdend betoog en een reeks gedragsadviezen vanuit de concrete ervaringswereld. Een theorie is het niet, dat zou ook niet in de stijl van Taleb zijn: ‘theorieën komen en gaan, de ervaring blijft’.
Taleb toont zich een empirist of naturalist bij uitstek: de ervaring wordt steeds centraal gesteld, met talrijke vaak bizarre voorbeelden. Zo adviseert Taleb vanuit zijn halterstrategie ‘nooit met een rockster te trouwen’ en personifieert hij antifragiliteit in de steeds terugkerende figuur van ‘Dikke Tony’: een gewiekste figuur die weliswaar tegenslagen heeft, maar alle kennis aan zijn laars lapt en intuïtief aanvoelt hoe je in het leven fragiliteit elimineert. Ook put hij rijkelijk met voorbeelden uit de klassieke oudheid. ‘De Romeinen kregen hun systeem door ‘knutselen’: zij kozen de beste voortgang op basis van ervaringen die in tijden van strijd en tegenslag zijn opgedaan, daar gaat een disciplinerende werking van uit.’ Zo wijst Taleb erop dat Romeinse bruggenbouwers geacht werden geruime tijd onder de brug door te brengen die ze zelf hadden aangelegd: ‘effectieve heuristiek’.

Vanuit mijn eigen ervaring als praktijkonderzoeker in de frontlijn van probleemwijken en -buurten in de grote stad, kan ik alleen maar aangeven dat het ‘gebiedsgerichte knutselen’, een groot goed zou zijn. ‘Frontlijnsturing’ hebben we het wel genoemd. Zou de indertijd gebruikte term ‘Krachtwijken’ al een onbedoelde voorbode zijn om ‘antifragiliteit’ op te bouwen? Dus: in elke situatie als frontlijnprofessional steeds weer de eerstvolgende stap bepalen wat je wel of niet moet doen. Daar de ruimte en de positie voor krijgen. En als overheid niet met functionarissen in de frontlijn aankomen met bijvoorbeeld een ‘Zelfredzaamheidsmatrix’ in de hand om te kijken waar de bewoner inpast. In de termen van Taleb: het toeval inbouwen, telkens weer de optionaliteit bepalen, waarvoor we anders - als onderdeel van een fragiel top-down systeem - een blinde vlek zouden krijgen.

Daarmee zijn we meteen bij zijn slothoofdstuk over ethiek beland. Misschien niet af, zoals Paul Strijp aangeeft, maar wel te denken gevend. ‘Heb skin in the game’, is zijn credo: neem zelf risico’s, accepteer zelf de gevolgen en draag de risico’s niet over aan anderen zoals bijvoorbeeld in de bankwereld is gebeurd. ‘Hebzucht is antifragiel, de slachtoffers daarvan zijn dat niet.’ Naar zijn zin wentelen we veel te veel risico’s op
anderen af en verstoren daarmee de economische en maatschappelijke wereld waardoor die steeds ongelijker wordt. Een discussie die nu uiterst actueel is. Opmerkelijk is bijvoorbeeld zijn tip dat personen die een openbaar ambt hebben bekleed bij het voortzetten van een loopbaan in een commerciële functie niet meer zouden moeten verdienen dan de hoogste ambtenaar.

En dan is er nog een derde reden waarom ik Taleb’s boek zo waardeer, en dat is het ‘theatrale karakter’ ervan. Zijn meeslepende, onstuimig verwoorde lego-aanpak op allerlei levensdomeinen maakt het boek wat mij betreft tot een feest om te lezen. Het intrigeert, prikkelt en daagt je als lezer uit eigen observaties of ervaringen te benoemen, omdat het steeds om concreet gedrag en verklaringswijzen gaat.

Dat Taleb en passant in zijn betoog de intellectuele wereld de les leest - ‘voor intellectuelen stopt de wereld bij robuustheid: zij hebben een blinde vlek voor voordelen halen uit het lot’ - zal sommigen wellicht irriteren. Ik heb het meer als onderdeel van Taleb’s exotische reis gezien, als een vlucht vooruit. Hij raast voort, gaat over grenzen, is controversieel. En naarmate het boek vordert gaat hij er steeds meer met gestrekt been in, opwindend, waarvan je zowel getuige als deelgenoot bent als ware het een moderne theatervoorstelling. Als er een Holland Festival voor boeken zou bestaan ….
De lezer wordt inderdaad heen en weer geslingerd tussen de vraag is het nu briljantie of wellicht trivialiteit zoals Paul Strijp schrijft. Je wrijft steeds je ogen uit en wordt tegelijkertijd door elkaar geschud, net als kijker bij een goede HF voorstelling. Je voelt Taleb grommen en brommen, steeds cirkelend rondom zijn boodschap, en die kracht bijzettend met allerlei tabellen en grafieken. Zo stort hij zich met zijn hele ziel en zaligheid in zijn betoog, dat maakt het zo mooi. De allesbehalve lineaire vormgeving is geheel in stijl met zijn betoog en maakt het boek daarmee mede uitzonderlijk.

Laten we er wat mee doen!

Casper Hartman c.hartman@casperhartman.nl
Amsterdam, juni 2014
 

dinsdag 21 januari 2014

Met Staat van Verwarring leert Ad Verbrugge ons de liefde kennen


BOEK

Ad Verbrugge  Staat van verwarring. Het offer van liefde. Amsterdam, Boom, 2013.


Een kleine filosofie van de liefde. Dat is wat Verbrugge ons met dit boek schenkt. In zijn zoektocht naar de liefde in een virtuele consumptiecultuur, naar de verklaring voor het verkoopsucces van het boek Vijftig tinten en naar de verankering van de idealen van de jaren zestig, etaleert hij de liefde in al haar facetten. Hij lijkt daarbij wat minder cultuurpessimistisch dan tien jaar geleden. Wij zijn Verbrugge dank verschuldigd voor dit boek.


Verbrugge behandelt drie vragen. Dat doet hij overigens niet al te systematisch. De antwoorden op die vragen zijn met elkaar vervlochten, als drie verhaallijnen in een roman. Ook de precieze verhouding tussen die vragen is niet helemaal duidelijk. Dat alles maakt het lezen van dit boek tot een inspannende bezigheid. Maar die inspanning wordt ruimschoots beloond.







Prettige obsessies

Zijn eerste vraag gaat over de vorm die liefde aanneemt in een virtuele consumptiecultuur. Vrij vertaald: wat gebeurt er met de liefde op het internet, waar we ons lichaam niet in de strijd hoeven gooien en we ons op elk gewenst moment ook weer kunnen afsluiten voor de ander? Essentieel voor Verbrugge is dat we dan niet betrokken zijn op de beleving van de ander. Daarmee gaat voor zijn gevoel de vroegere burgerlijke cultuur teloor.

Zijn tweede vraag betreft de verklaring voor het wereldwijde, eclatante verkoopsucces van het boek Vijftig tinten van E.L. James. Hoe is dat toch mogelijk, zo vraagt hij zich af, wat zit daar achter? Verbrugge heeft een fascinatie voor dit boek, om niet te zeggen een prettige obsessie. Hij constateert een ambivalantie. Vijftig tinten markeert enerzijds een breuk met de door hem verfoeide virtuele consumptiemaatschappij, maar is daar anderzijds ook weer een uitdrukking van. Hij constateert dat de geliefden in dit boek door elkaar worden ingelijfd. Daarmee boeten zij aan individuele autonomie in en leggen zij een verlangen naar binding en gemeenschap aan de dag. Een definitief antwoord geeft hij niet, maar Verbrugge suggereert dat dat verlangen dat verkoopsucces wel eens zou kunnen verklaren.

Zijn laatste vraag gaat over een andere fascinatie, de jaren zestig. Hoe hebben de idealen van die jaren uiteindelijk uitgepakt? Hierbij oriënteert Verbrugge zich aan de Franse denker Foucault. Die stelt dat de sexualiteit door haar algemene maatschappelijke acceptatie in de jaren zestig, haar ontregelende karakter heeft verloren. Die acceptatie miskent volgens hem het duistere wezen van de sexualiteit. Verbrugge zet daar een ander perspectief tegenover. Bij uitstek in de liefde ervaren we dat de individuele autonomie, het hoogste goed van de jaren zestig, niet toereikend is om de volle dynamiek van het leven te ervaren. Volgens Verbrugge miskent Foucault het gegeven dat tegenover die autonomie juist discipline behoort te staan. Die hebben de jaren zestig niet voortgebracht.


Dank u wel, mijnheer Verbrugge!

Interessanter dan deze antwoorden van Verbrugge is misschien nog wel zijn zoektocht zelf. Die is homerisch. Het hoogtepunt van die tocht wordt gevormd door -wat ik zou willen noemen- zijn kleine filosofie van de liefde. Zeg maar de pagina's 138 t/m 196. Die vormen het hart van het boek. Die filosofie is monumentaal. Iedereen die ooit in zijn leven tot over zijn oren verliefd is geweest, zal deze lezen als een feest der herkenning. Naar analogie van de kleine filosofie van de moord van Connie Palmen zou deze filosofie van Verbrugge eigenlijk ook als zelfstandige publicatie uitgebracht moeten worden. Zelden heb ik in de marge zo veel passages gemarkeerd. Soms bespeurde ik een zekere dankbaarheid naar de auteur. "Dank u wel mijnheer Verbrugge, dat u een ondoorgrondelijk fenomeen als de liefde zo inzichtelijk heeft gemaakt zonder de magie weg te halen".


Kleine filosofie van de liefde

Zo schrijft Verbrugge over de zelfvernietiging die inherent is aan de liefde: de bereidheid om het eigen leven prijs te geven. Die bereidheid refereert ook aan de ondertitel van zijn boek, het offer van liefde. Maar hij schrijft ook over het tegengestelde belang om juist een elementaire zelfzucht aan de dag te leggen. Zeg maar een gezond egoïsme. Hieronder een aantal citaten die fragmentarisch die filosofie weergeven zonder in de verste verte volledig te kunnen zijn.

"Eroos is het vuur van de hartstocht dat oplaait en weer dooft, dat zich telkens weer vernieuwt en in die zin ook eeuwig jong blijft. Hij is als de warme lentezon, die het leven dat zich verbergt in de koude aarde ertoe aanzet op te komen". (p. 142)
 
"Je hoeft maar één keer in je leven echt verliefd te zijn geweest om deze kracht van de eroos te hebben ervaren. En hoe vaak zeggen we niet dat iemand 'een compleet ander mens' is geworden? (...) De gang van zaken waarmee iemand vertrouwd is en de wereld van waaruit hij zichzelf begrijpt zeggen hem niet meer zoveel." (p. 180)

"De wederzijdse aantrekking is daarbij veelal lichamelijk van aard, maar de geliefde wordt sferisch ook altijd omgeven door de wereld die hij of zij met zich meebrengt (...) De grondtoon van de geliefde komt tot uitdrukking in iemands manieren van doen en spreken, zijn gezichtsuitdrukking en algehele houding, zijn bewegingen, zijn manier van lopen, zijn handen, zijn kleding, zijn woning, zijn werk, zijn auto enzovoort, kortom zijn ethos." (p.188)

En dan nog maar één.

"De geliefden zullen zichzelf in hun liefdesverhouding altijd weer terug moeten vinden als zelfstandige wezens. Daarbij kan de liefdesverhouding hen juist helpen bij hun zelfwording, maar hun ook in de weg staan". (p.190)

De auteur plaatst zich met deze kleine filosofie wat mij betreft moeiteloos in galerij van grote denkers over de liefde zoals John Armstrong en Harry Frankfurt.


Van dik hout

Verbrugge behoort tot de communautaristen in de traditie van Etzioni en Balkenende. Zo laat hij zich ook in dit boek weer gelden. Dat doet hij enerzijds door met een zekere regelmaat te wijzen op de noodzaak van een gemeenschap. Ook laat hij blijken de burgerlijke cultuur te waarderen. Zijn communautaristische achtergrond blijkt anderzijds uit het feit dat liefde in virtuele gemeenschappen volgens hem duidt op ontbinding en atomair individualisme. Toe maar, toe maar! Voor mijn gevoel hebben deze diskwalificaties een te hoog van-dik-hout-zaagt-men-planken-gehalte. Hoewel Verbrugge mondjesmaat erkent dat er op internet ook heuse verliefdheid kan ontstaan en dat virtuele relaties vaak een voorportaal zijn voor fysieke liefde, heeft hij te weinig oog voor de verschillende grijstinten van liefde en sexualiteit op internet. Voor mij had hij meer onderzoek moeten doen naar dit totale spectrum aan verschijningsvormen. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat alles wat daar gebeurt, meteen duidt op ontbinding van gemeenschappen.


Minder pessimistisch

Dat neemt allemaal niet weg dat Verbrugge minder pessimistisch is geworden. Tien jaar geleden verscheen zijn boek Tijd van onbehagen. Ook daarin benadrukte hij meermalen het belang van een gemeenschap en ook daarin steekt hij zijn ongenoegen over de jaren zestig niet onder stoelen of banken. Onomwonden sprak hij over een cultuur op drift, over cultuurverlies en over een zinloze samenleving. Dat waren grote woorden. Aan dat boek lag onomwonden een dreigbeeld ten grondslag. De dreiging dat de samenleving als geheel ontbindt en ten onder gaat. In Staat van verwarring ontbreekt die collectieve dreiging. Bovendien constateert Verbrugge met een zeker genoegen een nieuwe vormgeving van conservatieve waarden. De grote massa die conservatieve trekken vertoont? Verbrugge lijkt het soms zelf niet te kunnen geloven.


Niet weer tien jaar wachten

Zijn cliffhanger aan het einde van het boek doet wat merkwaardig aan. Na zijn pleidooi voor een transformatie waarbij we meer verantwoordelijkheid bij onszelf leggen, haalt hij plots het erfgoed van het Oosten van stapel. Dit voelt aan als een wel heel grote deus ex machina. Mogelijk een gevolg van het feit dat hij naar eigen zeggen zelf een weg naar binnen heeft afgelegd. Hoe dan ook, het is te hopen dat we niet weer tien jaar op zijn volgende boek moeten wachten.


Paul Strijp,  22 januari 2014

vrijdag 20 december 2013

Paul Frissen doet in Fatale Staat aan Albert Camus denken


BOEK

P.H.A. Frissen De fatale staat. Over de politiek noodzakelijke verzoening met tragiek. Van Gennep, Amsterdam, 2013.





In 2009 mocht ik de bul voor het behalen van mijn Master of Public Administration in ontvangst nemen uit handen van Paul Frissen, decaan bij de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur. Daarmee sloot ik een periode van twee jaar intensieve studie af. Gedurende die twee jaar leerden wij als studenten (fellows in het jargon van de school) Frissen kennen als een eigenzinnig bestuurskundige. Een postmodernist naar eigen zeggen. Centraal in zijn denken staat de noodzakelijke terughoudendheid van politiek en staat. Frissen legitimeert die terughoudendheid onder verwijzing naar een aantal immanente kenmerken van de staat. De staat beschikt over het monopolie voor de heffing van belasting en het gebruik van geweld. Niemand anders kan en mag dat. Dat monopolie maakt de staat tot iets engs. Ik herinner mij dat Frissen zichtbaar onpasselijk werd tijdens discussies over elektronische patiëntendossiers of ouder-kind-centra. Met dat soort voorzieningen moet de staat zich volgens hem principieel niet inlaten. Op die momenten kon Frissen, voor het overige een gemoedelijke en sympathieke Limburger, heel streng kijken.


Op afstand

Twee jaar later las ik een artikel in het tijdschrift Flow. Geen wetenschappelijk tijdschrift, maar een bij vlagen inspirerend spiritueel blad. Hierin kwam Jos de Mul, een collega van Frissen, aan het woord.
Filosoof Jos de Mul vindt dat wij geen aandacht meer hebben voor de tragiek van ons bestaan. In de Griekse oudheid was tragiek onlosmakelijk met het menselijk leven verbonden. Koningen en helden deden vreselijk hun best, maar hun noodlot konden ze niet ontlopen. (...) "Ik denk dat moderne mensen vaak niet goed beseffen dat tragiek onlosmakelijk verbonden is met het menselijk leven. Dat heeft natuurlijk ook te maken met de ontwikkeling van die welvaart. De jongere generaties hebben geen ervaring met grote fundamentele frustraties zoals de oorlogsgeneratie die nog heeft meegemaakt."
Dat vond ik een verrassend inzicht. Nieuw voor mij. En warempel, weer twee jaar later verschijnt een boek van Frissen over de staat en tragiek. In essentie legitimeert Frissen hierin de noodzakelijke terughoudendheid van politiek en staat niet langer intern, maar extern. De maatschappelijke orde en het menselijk leven kenmerken zich nu eenmaal door tragiek. Politiek en staat moeten niet de fout maken alle ellende die uit die tragiek voortvloeit, op te lossen. Frissen doet mij denken aan de Franse filosoof Albert Camus. Hoe hard je ook je best doet, de mens kan elk moment overvallen worden door ziekte, dood, ontslag of andere pech. Volgens Camus heeft het geen zin om die tragiek te ontlopen. Ook niet door een beroep te doen op externe krachten zoals God of het communisme. Frissen houdt niet God of communisme op afstand, maar politiek en staat.


Waar zijn de klassieken?

Het boek Fatale staat bestaat uit drie delen. In het eerste deel laat Frissen zien hoe twee stromingen 'de politieke orde uitdagen': het populisme en de moderniteit. Waar de eerste de verlossing predikt, zoekt de moderniteit haar heil in de maakbaarheid. Die politieke orde -en dat beschrijft Frissen in het tweede deel- is symbolisch van aard en kenmerkt zich door mythen, riten en symbolen. Met name het populisme deelt aan die politieke orde een aantal rake klappen uit. Om daarvan te herstellen reikt de auteur het perspectief van de verzoening met tragiek aan. Daarvoor reserveert hij zijn derde deel.

In deze opbouw schuilt voor mij ook wel een teleurstelling. Die zal met verwachtingen te maken hebben. Diep in mijn hart had ik verwacht dat Frissen rijkelijk de klassieke tragedies zou laten passeren. Van Aeschylus, Euripides, Sophocles, Shakespeare. En dat hij daarbij zou laten zien hoe die tragedies zich vertalen in hedendaagse maatschappelijke werkelijkheden. Voor welke dilemma's plaatsen die overheid en politiek? Maar die klassieken trekken slechts mondjesmaat voorbij. Met zijn tweede deel heeft Frissen een lange aanloop nodig. Te lang voor mijn gevoel. De vele pagina's over de symbolische orde van de politiek zouden meer op zijn plaats zijn geweest als préambule voor zijn totale oeuvre. In het laatste deel is Frissen op zijn best. Ouderwets op dreef. Daar strooit hij kwistig met verfrissende en tegendraadse noties. Zoals zijn pleidooi voor het compromis, afstand, voortmodderen, bescheidenheid en elegantie. Dat doet denken aan eerder werk waarin hij afrekent met obligate vanzelfsprekendheden als het streven naar ontkokering.


Geen tragiek zonder vrijheid

Aan het einde van het boek blijf ik met aantal vragen zitten. Die komen voort uit een passage in dat artikel met De Mul.
"Tragiek veronderstelt vrijheid. Als je geen vrijheid hebt, kan je leven miserabel zijn, maar het is niet tragisch. Tragisch is degene die voor een beslissing staat en dan verkeerd kiest."
Ook in zijn boek verwijst Frissen naar deze notie van De Mul (pagina 263), maar hij doet er verder niets mee. En dat is jammer, want in het licht van de politieke beoordeling van tragiek lijkt mij juist dit element van keuzevrijheid cruciaal. Wat doet Frissen met de mensen die -in termen van De Mul- een miserabel bestaan leiden? In zijn radicale afwijzing van een al te actieve en enthousiaste staat lijkt hij die aan hun lot over te laten. Enige clementie blijkt in elk geval nergens. Dat kan op zichzelf een te rechtvaardigen keuze zijn, maar ik had hier graag meer scherpte gezien. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de vraag: welke ellende in iemands leven kan met recht gezien worden als de consequentie van een verkeerde keuze? Met andere woorden: als het gevolg van tragiek waarvoor de staat zich volgens Frissen niet verantwoordelijk hoeft te voelen? En welke ellende komt iemand 'aanwaaien' zodanig dat je onmogelijk van een keuze kunt spreken en je iemand dus ook niet verantwoordelijk kunt houden? Politiek en maatschappelijk relevante vragen, bijvoorbeeld in het licht van het regelmatig oplaaiende armoededebat. Martin Sommer wijdde hier een interessante beschouwing aan in de Volkskrant van 21 september 2013. Is werkloosheid iets wat je zomaar kan gebeuren? En hoe zit dat voor echtscheiding en schulden? Zijn die altijd het gevolg van verkeerde keuzen?

Wat jammer toch dat Frissen hier niet zijn licht over heeft laten schijnen. Het lijkt er nu op dat hij helemaal niet differentieert en dat de staat zich verre dient te houden van alle ellende, keuze of niet.
Bij een volgende druk graag wat meer alledaagse ellende van doorsnee burgermensen. Wat moet de staat met hen? En dan mag die beschouwing over de symbolische orde van de politiek voor mij wat minder uitvoerig.


Paul Strijp, 21 december 2013


Naschrift d.d. 5 maart 2016: zie voor mijn bespreking van het boek "Het geheim van de laatste staat" van Paul Frissen:
http://boekbesprekingenpaulstrijp.blogspot.nl/2016/02/na-het-geheim-van-de-laatste-staat-rest.html

zaterdag 26 oktober 2013

Felle aanval Jabik Veenbaas op Jonathan Israel in De Verlichting als Kraamkamer


BOEK

Jabik Veenbaas  De Verlichting als kraamkamer. Over het tijdperk en zijn betekenis voor het heden. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2013.


Een portrettengalerij van vijftien vooraanstaande denkers. Denkers die met elkaar het tijdperk van de Verlichting vormden. Een tijdperk dat allerminst eenduidig was, maar juist gekenmerkt werd door ambiguïteit. Enerzijds zelfvertrouwen en zekerheid vanuit de opkomende natuurwetenschappen, anderzijds scepsis, twijfel en verwarring over alles wat niet bewezen was. Die galerij opent Jabik Veenbaas. Hij schuwt daarbij de aanval niet en levert felle kritiek op Jonathan Israel, één van de leidende historici in het debat over de Verlichting.


Over zielen in nood en eenzaamheid

Spinoza zag zichzelf als een zieke met een dodelijke kwaal, volgens Veenbaas was hij een ziel in nood. Hume, die leed aan depressies, voelde een troosteloze eenzaamheid. En Mary Wollstonecraft omschreef het huwelijk als mijn Bastille voor het leven. Zo maar wat voorbeelden. Veenbaas brengt de grote denkers van de Verlichting met al hun angsten en obsessies tot leven. De beklemming die zij gevoeld hebben, maakt zich meester van de lezer. Veenbaas portretteert die denkers als mensen van vlees en bloed. Hij koppelt die existentiële nood aan hun filosofische gedachtengoed en aan hun betekenis voor de geschiedenis.


Felle kritiek op de grote meester

Daarbij gaat hij nogal onverschrokken en kloek te werk. Zonder schroom neemt hij stelling tegen Jonathan Israel. Die maakt zich volgens Veenbaas schuldig aan een grove vorm van historische bluf. Dat is niet niks. Zo zou Israel volgens de auteur Spinoza verantwoordelijk maken voor alles wat de moderne samenleving bij elkaar houdt. En ook zou hij hem atheïsme in de schoenen schuiven, waar Spinoza juist een diep gelovig mens was.







Overigens levert Veenbaas ook impliciete en onuitgesproken kritiek op Israel en die is misschien nog wel veel scherper. In zijn boek De Revolutie van het denken stelt Israel immers dat de spanning tussen de radicale, democratische en de gematigde, anti-democratische Verlichting één van de belangrijkste factoren is geweest voor de koers van de geschiedenis. Aan die tegenstelling wijdt Veenbaas geen woord. Hij zet er een heel ander, eigen perspectief tegenover. Het perspectief van de Verlichting als de transformatie van het dogmatisch rationalisme, de algemene ideeën en de abstracte systeemgeest naar het aardse en zintuiglijke, naar de natuur en de empirische bescheidenheid. In globale termen: het perspectief van de overgang van Descartes, Pascal en Spinoza naar alle overige denkers. Bij die overige denkers differentieert Veenbaas niet tussen radicaal en gematigd. Met zijn eigen perspectief ontmythologiseert hij vervolgens het tijdperk van de Verlichting. Zo rekent hij genadeloos af met de vooronderstelling dat de Verlichting de rede zou verheerlijken. Veenbaas werkt zijn perspectief overtuigend en consistent uit. Dat neemt niet weg dat ik een aantal kanttekeningen wil plaatsen.


Verbinding met andere perioden uit de filosofiegeschiedenis

Ik had het mooi gevonden als Veenbaas de Verlichting had verbonden met andere perioden uit de geschiedenis van de filosofie. Hij schetst wel helder de maatschappelijke, historische, religieuze en wetenschappelijke context van de Verlichting met ontwikkelingen als het protestantisme, de ontdekkingsreizen, de boekdrukkunst en de Renaissance. Maar de transformatie van het abstracte rationalisme naar het aardse en zintuiglijke is in essentie een manifestatie van een eeuwenoude strijd: die tussen de platoonse en de aristotelische traditie. De eerste liep vanaf Parmenides via Plato naar Augustinus en verder naar Descartes; de tweede vanaf Herakleitos via Aristoteles naar Thomas en verder naar de Engelse empiristen. Kant poogde beide tradities te verzoenen, maar na de Verlichting stak de platoonse traditie weer de kop op in de persoon van Hegel, de aristotelische in die van Marx en Comte.

Als vertaler van de werken van Kant is Veenbaas hier natuurlijk als geen ander van op de hoogte. De lezer zonder bredere filosofische context zou bij lezing van het boek van Veenbaas de indruk kunnen krijgen dat de strijd tussen beide stromingen exclusief is voor de Verlichting.


Reikwijdte van de Verlichting

Mijn tweede kanttekening betreft de reikwijdte van het tijdperk. Veenbaas lijkt te kiezen voor een extensief begrip van de Verlichting. Zo stelt hij dat de Romantiek voortvloeit uit en één van de strategieën is van de Verlichting. Ook het conservatisme zou tot de bagage van het tijdperk behoren. De onderbouwing vind ik moeilijk te volgen. Ik mis een scherp afgebakend begrip: wat zijn de wezenskenmerken van de Verlichting en wat hoort er ook vooral niet toe? Nu lijkt elke filosofische ontwikkeling die zich in de tweede helft van de zeventiende en in de achttiende eeuw heeft voorgedaan, tot de Verlichting te behoren. De spanning ebt daardoor ook wat weg. Ik mis de demarcatie.


Verlichting als grondslag voor onze moderne cultuur?

Tot slot. De betekenis van de Verlichting voor het heden. Volgens Veenbaas is de Verlichting het hete hangijzer van onze Westerse cultuur "Een domein, een veld van problemen dat onze cultuur is binnengekomen en nooit meer is weggegaan", aldus de auteur tijdens een presentatie van zijn boek in september van dit jaar. Van de Verlichting hebben we volgens hem vooral de verwarring geërfd.

Voor mijn gevoel kent Veenbaas het tijdperk hier een iets te exclusief karakter toe. De moderne mens heeft zich tot de Verlichting te verhouden, jazeker. Maar dat heeft hij ook te doen tot het christendom en de klassieke Oudheid. Zo stelt het christendom ons voor de vraag hoe om te gaan met zaken als armoede, nederigheid en naastenliefde. Die vraag dient zich te meer aan omdat ons wereldbeeld nog steeds, hoewel ontdaan van symbolen en rituelen, christelijk is. En de klassieke oudheid confronteert ons nog steeds met de deugdethiek van Aristoteles en met vragen over de inrichting van onze democratie.

Veenbaas blijft observator. Dat is zijn kracht. Koeltjes schetst hij de verworvenheden van de Verlichting gedurende de afgelopen twee eeuwen: vrouwenrechten, mensenrechten, scheiding der machten. Daarmee lijkt hij -al dan niet bewust- een wezensvraag te ontlopen. Een vraag die Ad Verbrugge zich wel stelt in zijn zijn Tijd van onbehagen. Die vraag luidt: biedt de Verlichting voldoende grondslag voor de worstelingen van onze moderne cultuur? Een vraag die Verbrugge ontkennend beantwoordt. Het is gissen naar het antwoord van Veenbaas. Wel laat hij een zekere sympathie voor het conservatisme doorschemeren.

Ik hoop dat Veenbaas ook nog eens een beschouwing wijdt aan die vraag van Verbrugge.


Paul Strijp
Diemen, 26 oktober 2013

zaterdag 7 september 2013

De Aarde is plat 3.0 van Thomas L. Friedman: survivalgids voor individu, bedrijf en staat



BOEK
Thomas L. Friedman  De aarde is plat. Ontdekkingsreis door een geglobaliseerde wereld. Editie 3.0 Nieuw Amsterdam Uitgevers, dertiende druk, Amsterdam, april 2009.


U haalt uw warme maaltijd vast wel eens bij een fastfood restaurant. Dat gaat doorgaans best snel: u bestelt, u rijdt door en betaalt om vervolgens uw maaltijd iets verderop af te halen. Zonder dat u het in de gaten heeft, kan uw bestelling worden verwerkt door een callcenter dat op een afstand van duizenden kilometers ligt. Dat callcenter neemt een digitale foto van u, koppelt die aan uw bestelling en stuurt foto plus bestelling terug naar de keuken van het restaurant. Het callcenter doet dit nu eenmaal zorgvuldiger en sneller dan het restaurant zelf. En elke seconde telt in deze branche.



Eén van de vele voorbeelden uit dit standaardwerk van Thomas L. Friedman. Een boek dat eigenlijk de titel How to survive in a global world? zou moeten dragen. In bijna 700 pagina's beschrijft Friedman de krachten die werkzaam zijn in onze moderne, globale wereld. En laat hij genadeloos de onvermijdelijke gevolgen zien voor individuele werknemers, voor bedrijven en voor regeringen. Grijp je kansen, luidt zijn devies. Dat klinkt allemaal erg Amerikaans. Toch is het aardige, bijna paradoxale van zijn boek dat de aanbevelingen dateren van vóór de krediet- en eurocrisis, maar niettemin actueler zijn dan ooit.






Ik zal hieronder de globalisering volgens Friedman kort weergeven. Om die te laten volgen door de gevolgen voor individu, bedrijf en regering. Tot slot dien ik mijn wensenlijstje in voor de 4.0 van Friedman. Want die moet er snel komen!


Globalisering volgens Friedman: van verticaal naar horizontaal

In essentie is globalisering volgens Friedman een proces waarbij wereldwijd de macht gelijker wordt verdeeld. Die herverdeling vindt plaats onder invloed van een tiental ontwikkelingen die hij platmakers noemt. Krachten die de aarde 'plat' maken en voor een open speelveld zorgen. De belangrijkste platmaker is uploading: de mogelijkheid om eigen ideeën, produkten en diensten online te plaatsen. Als mensen dat in groten getale doen, ontstaat volgens Friedman een enorm innovatieve kracht: die van gemeenschappen. Hij laat zien dat mensen bereid zijn om in gemeenschappen veel met elkaar te delen. Die bereidheid komt voort uit het belang dat zij hechten aan collegiale beoordeling. Op die manier verdwijnen verticale topdown structuren en ontstaan nieuwe vormen van horizontale samenwerking.


Geen excuses meer als individu

Daar sta je dan als individuele werknemer. Onzeker over je toekomst in deze snel veranderende wereld. Friedman laat je niet los, maakt je bewust van je mogelijkheden en spoort je aan tot actie. En voegt er dreigend aan toe: Als het niet gebeurt, dan is het omdat jij het niet doet! Zo, geen excusus dus. In de moderne geglobaliseerde wereld is iedereen een publieke figuur, iedereen heeft de mogelijkheid om de rest van de wereld alles te laten weten wat hem of haar goeddunkt. Uploaden maar. Niemand is meer de baas, als werknemer beschik je tegenwoordig over evenveel informatie als de mensen aan de top van een bedrijf. Van die mensen ben je dus ook steeds minder afhankelijk. Je kunt tegenwoordig als individu concurreren, zelfs met internationale bedrijven. Friedman geeft een paar mooie voorbeelden hoe grote bedrijven soms op de knietjes naar briljante 'nerds' kruipen. En last but not least waarschuwt hij: zorg dat je niet inwisselbaar wordt, zorg voor je eigen onmisbaarheid.

Bij het lezen dacht ik meermalen: eigenlijk zou het UWV een samenvatting van deze 3.0 moeten verstrekken aan werkzoekenden die zij begeleidt.


Doe als bedrijf waar je goed in bent

Bedrijfsprocessen worden tegenwoordig in deelprocessen opgesplitst. Elk deelproces dat gedigitaliseerd kan worden, wordt verplaatst naar dat deel van de wereld waar de toegevoegde waarde het grootst is. Dat kan dus betekenen dat een bedrijfsproces met zeven deelprocessen in zeven verschillende landen wordt uitgevoerd. Friedman presenteert een keur aan bedrijfsstrategieën: homesourcing, outsourcing, insourcing, off-shoring, post-ponement. Het gaat je bijna duizelen. Maar zijn boodschap is glashelder: doe waar je goed in bent, de rest besteed je uit.


Een regering moet dromen, niet terugkijken

Als echte Amerikaan gebruikt Friedman zijn kennis van de wereld ook om te onderzoeken hoe de States hun leidende positie in de wereld kunnen behouden. Een open speelveld is prachtig, maar het gaat er natuurlijk wel om het eigen land de machtigste te laten blijven. Hij maakt een scan van de Verenigde Staten. Een aantal elementen uit die scan zijn ook voor ons land relevant. Laat ik er drie noemen.

Eén. Friedman toont zich een voorstander van het opruimen van belemmeringen voor vrijhandel. Maar in een enkel bijzinnetje stelt hij een zeer essentiële vraag: welke fricties voor vrijhandel vormen bronnen van identiteit? Met andere woorden: je kunt niet elke belemmering zo maar opruimen, sommige zijn te zeer verbonden met het wezen van een land. Een vraag die wij ons in Nederland te weinig gesteld hebben en die op dit moment met de mogelijke overname van KPN hoogst actueel is. Een maatschappelijk debat over deze vraag is zeer wenselijk, al is het maar om te voorkomen dat we achter de feiten blijven aanhollen. Wat willen wij als Nederland behouden in deze globale wereld? De parlementaire commissie privatisering / verzelfstandiging overheidsdiensten die in opdracht van de voorzitter van de Eerste Kamer de gang van zaken rond de enthousiaste privatisering in ons land onderzocht, heeft ook te weinig oog voor deze bronnen van identiteit. Bij privatisering gaat het primair om de balans publiek - privaat. Daarbij hebben we ons altijd te weinig gerealiseerd dat alles wat je privatiseert, ook op enig moment door een groot internationaal bedrijf 'van Nederland vervreemd' kan worden. Nu dat bij KPN dreigt, breekt de paniek uit.

Twee. Friedman vraagt veel aandacht van zijn regering voor het belang van onderwijs. Mutatis mutandis kan dit appel ook aan de Nederlandse regering worden gericht. Zowel voor de exacte wetenschappen als voor de liberal arts. Verrassend genoeg houdt Friedman -in navolging van iemand als Martha Nussbaum- een vurig pleidooi voor onderwijs in literatuur en muziek. Vakken die de creativiteit en de empathie bevorderen. Vakken ook die wijsheid kunnen creëren in een wereld van informatie-overvloed.

Een derde element dat aan de Nederlandse regering geadresseerd kan worden, is het belang van politieke verbeelding. Dat kan volgens Friedman moeilijk onderschat worden. Ook in Nederland klinkt herhaaldelijk de roep 'om een visie', de visie van een staatsman. Onze premier heeft de grootste moeite om aan die verwachting te voldoen. Eigenlijk was premier Balkenende de laatste die enigszins aan deze verwachting tegemoet kwam door ons land op te roepen weer een VOC-mentaliteit te kweken. Met een enkel zinnetje laat Friedman zien hoe pijnlijk deze oproep eigenlijk was. "Wanneer herinneringen dromen gaan overschaduwen, is het einde nabij".

Nederland wordt op dit moment wel eens smalend het lelijke eendje van Europa genoemd. In heel Europa voorzichtig economisch herstel, maar niet bij ons. Hoewel onze uitgangspositie nog altijd goed is, laat Friedman een huiveringwekkend voorbeeld zien van een land dat vanuit een veelbelovende positie wegkwijnde. Mexico. En van een land dat het tegen alle verwachtingen in, heel goed deed. Ierland. Het kan verkeren. Onze regering zij gewaarschuwd.


Wensenlijstje voor de 4.0

Friedman moet snel een 4.0 uitbrengen. Waarom? Omdat hij ons moet laten zien wat de gevolgen van de krediet- en de eurocrisis voor de globalisering zijn. In zijn 3.0 benadrukt hij meermalen dat het knappen van de internetzeepbel eind jaren negentig, niet het einde van de globalisering betekende. Integendeel, dat gaf er juist een geweldige impuls aan. Hoe zit dat op dit moment, met een wereldwijde crisis waarvan niemand de complexiteit overziet?

En oh ja. Als Friedman dan toch een 4.0 schrijft, neem dan deze twee tips meteen mee. Zie ze als mijn kritiekpunten op de 3.0. Probeer de aandacht wat minder eenzijdig te richten op India en China. Landen waar Friedman duidelijk het vaakst komt. Een beschrijving van de processen in economisch sterke landen als Rusland, Brazilië, Zuid-Afrika en Turkije maakt het boek evenwichtiger. En treed in een volgende versie de anti-globalisten iets serieuzer tegemoet. Die worden nu toch met een licht dédain 'weggezet'. Beschrijf uitvoeriger dan nu het geval is, hun argumenten. En reageer daar zakelijk op.


Paul Strijp, 7 september 2013