Translate

zondag 24 mei 2020

Géraldine Schwarz beschrijft in De Geheugenlozen de continuïteit van de onverschilligheid



BOEK
Géraldine Schwarz   De geheugenlozen. De herinnering als wapen tegen populisme. Vertaald uit het Frans door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen. Winnaar van de European Book Award 2018. Uitgeverij Atlas Contact. Amsterdam / Antwerpen. Eerste druk, mei 2019.



Een voortdurende pendulebeweging tussen mildheid en veroordeling. Die maakt Schwarz in haar zoektocht naar het handelen van haar grootouders tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij beschrijft deze tocht in een bredere context van de 'continuïteit van de onverschilligheid': zeer lange tijd heeft de internationale gemeenschap na de oorlog verzuimd om af te rekenen met het nazi-verleden. Waar zij de loftrompet steekt over de wijze waarop Duitsland haar verleden heeft verwerkt geeft zij Nederland op dit punt een flinke draai om de oren. Op een enkele opmerking na die ik moeilijk kan plaatsen is dit een moedig, prettig leesbaar en humaan boek.








Géraldine Schwarz worstelt. Als kleinkind van enerzijds Duitse en anderzijds Franse grootouders probeert zij hun handelen tijdens de Tweede Wereldoorlog te duiden. En dat valt niet mee. Zij slingert heen en weer. Waar zij zich het ene moment mild en vergevingsgezind toont, is zij even later ronduit streng en veroordelend.

Dat geldt vooral voor haar opa aan vaders zijde, Karl Schwarz. Hoewel deze volgens de auteur géén overtuigd nationaalsocialist was werd hij wel vertegenwoordiger van de arbeidersvereniging onder de NSDAP. Op enig moment wordt hij geconfronteerd met de noodzaak van herstelbetalingen. Daar lag de beschuldiging aan ten grondslag dat hij tijdens de oorlog de joodse familie Löbmann tot koop gedwongen zou hebben. Op de pagina's 86 t/m 88 lijkt Géraldine Schwarz de handelwijze van haar opa te billijken. Redenerend vanuit zijn toenmalige wereldbeeld is haar toon verzoenend. Om even later, bijvoorbeeld op de pagina's 92 en 93, keihard toe te slaan.

"Maar deze bewering onthult ook dat hij zich aldoor bewust was van de illegaliteit van sommige wetten en praktijken in het Derde Rijk. Hij moet geweten hebben dat de 'schattingen' van de partij bewust belachelijk laag waren en dat de Löbmanns gedwongen waren een 'realistische' prijs te bepalen ….."
Deze ambivalentie legt de auteur ook aan de dag jegens de Franse ouders van haar moeder. Op pagina 182 erkent zij de kracht van de zwijgplicht in het naoorlogse Frankrijk waarschijnlijk te onderschatten. Maar Schwarz laat toch ook niet na om het volgende op te merken.

"De plaatselijke bewoners moeten die mannen, vrouwen en kinderen wel gezien hebben, die met honderden tegelijk in beestenwagons opeen werden geperst, op van de urine vochtig stro, met als enig gerief een emmer water en een kuip als toilet."

Gelukkig is daar haar eigen vader nog, Volker. Een witte raaf. Altijd zeer kritisch op zijn vader, haar opa Karl.


Continuïteit van onverschilligheid

Géraldine Schwarz (1974), een auteur, journaliste en documentairemaakster die met dit boek debuteerde, plaatst de zoektocht naar de waardering van haar grootouders in een bredere historische context. Die is doortrokken van één lijn: de continuïteit van onverschilligheid. In de gehele internationale gemeenschap trad na de oorlog geheugenverlies op. Eigenlijk veranderde er niets.



De Duitse bevolking had nauwelijks sympathie voor de slachtoffers van het nationaalsocialisme. In de jaren '50 vond al een grote amnestie plaats van gedetineerde nazimisdadigers. De Duitse prioriteit lag bij opbouwen, niet bij het verwerken van het verleden. Eerst met de historische toespraak van president Von Weizsäcker in 1985 (!) bevrijdde het Duitse volk zichzelf volgens Schwarz. In andere landen van Europa was de situatie vergelijkbaar. In Frankrijk bleef het op nazi-leest geschoeide Vichy-regime opduiken in het naoorlogse openbare leven. "Op school werd zo goed als nooit over de oorlog gepraat", aldus de moeder van Schwarz. Italië, Oostenrijk en Nederland: van hetzelfde laken een pak.





(Bron foto van Géraldine Schwarz: eerste pagina van boek)



Duitsland als kampioen van de verwerking

En dan maakt Schwarz een interessante sprong. Ondanks de late bevrijding acht zij Duitsland -vrij vertaald- de Europese kampioen van de verwerking van het oorlogsverleden. Na een prachtige ode aan de Duitse cultuur met haar afkeer voor lichtheid en haar neiging tot het absolute, somt zij de succesfactoren van die verwerkingsgeschiedenis op. En dat zijn er nogal wat.

In de geest van Hannah Arendt is de belangrijkste factor het accent dat Duitsland heeft durven leggen op de mogelijkheid dat een gewone burger Mitläufer kon worden. Iets wat Frankrijk volgens Schwarz heeft verzuimd. Dat land heeft daardoor de kans laten lopen om het verwerkingsproces te benutten voor de versteviging van de democratie.

Andere factoren die volgens haar aan een geslaagde verwerking hebben bijgedragen: een zeldzame diversiteit en kwaliteit van de Duitse pers, een grote speelruimte voor Duitse werkgevers, een gezonde relatie met autoriteit en kritiek, individuele morele verantwoordelijkheid van burgers, een diepe verankering van onderscheidingsvermogen, gemeenschapszin en intellectuele eerlijkheid. Schwarz heeft alleen kritiek op de wijze waarop het verleden haar weg in de Duitse kunst heeft gevonden.

En dan het contrast met Nederland. Dat is pijnlijk. Schwarz is zeer kritisch op de Nederlandse bejegening van joden na de oorlog. Maatschappelijk is er geen collectieve spijt over het geringe verzet tijdens de oorlog. De Nederlandse staat heeft nooit excuses aangeboden voor de Holocaust. Interessant is de relatie die Schwarz legt met de Nederlandse consensuscultuur. Heeft die wellicht bijgedragen aan het tekort aan bescherming van de joden? De consensuscultuur kan zich volgens haar tegen de mensenrechten, de vrijheid en de democratie keren. Fijntjes verwijst zij in dat verband naar de 'politieke extremen' van Wilders en Baudet.


Moreel appel

Schwarz laat niet na om haar eigen morele opvattingen ten beste te geven. Dat doet zij op moedige wijze in de, zij het soms wat ambivalente, veroordeling van haar grootouders. Welke waarden liggen daaraan ten grondslag? Allereerst de waarde dat de mens altijd -naast aandacht voor de feiten- empathie moet kunnen opbrengen. En ten tweede: de mens heeft altijd de plicht om te kiezen. De omstandigheden mogen nooit een alibi vormen om die verantwoordelijkheid te ontlopen.

Prachtig tot slot is haar pleidooi in de epiloog voor het herdenken van onze eigen feilbaarheid als individu. Dat deed mij denken aan de woorden van Arnon Grunberg bij de recente viering van 75 vrijheid.

"Herdenken is altijd ook een manier om aan te geven wie je nièt wenst te zijn, maar wie je toch meent te kunnen worden".


Tot slot

Misschien is het mijn geraaktheid als Nederlander bij alle kritiek die Schwarz op ons land heeft. Maar voor mijn gevoel slaat zij op één punt de plank mis. Dat is het punt waarop zij de politieke extremen in ons land in verband brengt met de diepgewortelde consensuscultuur. Extremen immers manifesteren zich ook in Duitsland, het meest nadrukkelijk met de partij Alternative für Deutschland. Hoewel Schwarz wel het sluimerende wantrouwen tegen moslims noemt laat zij bij alle waardering voor het verwerkingssucces van Duitsland een serieuze bespreking van dit politieke extreem achterwege. Dat vind ik een omissie.


Voor het overige is dit boek een moedig, prettig leesbaar en humaan document.


Paul Strijp, 24 mei 2020


 
 






zondag 5 april 2020

Caroline Pauwels meandert er vrolijk op los in 'Ode aan de verwondering'


BOEK
Caroline Pauwels  Ode aan de verwondering  Karakters. Filosofie en literatuur in zakformaat. Academia Press. Uitgeverij Lannoo. Derde druk. Gent, 2019.


Een verzameling reflecties, een aantal uitstapjes die tot nadenken stemmen. Dat is wat Caroline Pauwels met dit boekje biedt. Zij laat verschillende betekenissen van verwondering zien. De verhaallijn is niet altijd even rechtlijnig en de betekenissen lopen soms wat door elkaar. Maar dat geeft niet. Pauwels stelt zich niet al te pretentieus maar juist kwetsbaar op. Dat alles maakt dit boekje charmant.










Verwondering is het begin van alle wijsheid liet Aristoteles ooit optekenen. En een vriend van mij vroeg mij eens: verwonderen jouw kinderen zich nog wel eens? Die vraag volgde op een verzuchting van mij dat kinderen op twintigjarige leeftijd soms naar eigen zeggen sommige continenten nu wel gezien hebben. Zuid-Amerika bijvoorbeeld, niets meer te beleven. Zowel de uitspraak van Aristoteles als de vraag van die vriend is mij altijd bijgebleven. Waarschijnlijk vormde dat tweeledige besef de aanleiding om dit boekje te gaan lezen.


Vijf betekenissen

Pauwels laat haar gedachten over en ervaringen met verwondering de vrije loop. Vrolijk meandert zij er op los. Dat leidt soms tot verrassende wendingen. Bijvoorbeeld als zij plots de vraag stelt Kunnen dieren ook verwonderd zijn? Een vraag die een beetje als een Fremdkörper aanvoelt in de totale verhaallijn. Zij bekent overigens het antwoord op die vraag schuldig te moeten blijven.

Zonder dit zelf met zoveel woorden te expliciteren laat Pauwels verschillende betekenissen van verwondering zien. Ik ontdekte er vijf.


1. verwondering als onbevangen openheid naar de wereld

Kijk om je heen en verwonder je. Zowel om de kleine alledaagse zaken die eigenlijk zeer bijzonder zijn. Als ook om de alomvattendheid van het heelal waaruit de menselijke nietigheid en kwetsbaarheid blijkt. Deze betekenis van verwondering heeft een waarde in zichzelf. Zij kost niets en dient ook nergens toe.
"Neem tijd voor de dagelijkse dingen. Geef ze aandacht. Omring je met mooie voorwerpen met een geschiedenis. Sta stil bij hoe ze gemaakt zijn, bij wat ze oproepen, bij de mensen waarmee ze hebben samengeleefd. Besef dat ook wij ooit geschiedenis worden, passanten in het leven van de dingen die blijven. Aandacht geven maakt ruimte vrij voor verwondering." (p.81)


2. verwondering als crisis

Pauwels romantiseert niet. Verwondering kan ook pijn doen, stelt zij. Dat is het geval als verwondering tot een crisis leidt.

"En een crisis is een moment van de waarheid, een moment dat tot een beslissing dwingt, zo ook hier. Wat gewoon werd geacht, blijkt ongewoon en dat heeft gevolgen: dingen waarvan je altijd heel zeker was, blijken dat niet te zijn; wat vaststond wankelt. En dan liggen er soms moeilijke keuzes en onprettige beslissingen in het vooruitzicht." (p.18)


3. verwondering als een te ontwikkelen vaardigheid


Verwondering kun je leren. Pauwels benadrukt dat omdat zij ziet hoe verwondering met het ouder worden ook kan doven. Ofwel zoals één van mijn broers ooit zei: op jonge leeftijd kunnen mensen al klinisch dood zijn. In tegenstelling tot de eerste betekenis (verwondering als moment in zichzelf) is verwondering dus ook een aan te leren vaardigheid, een competentie.


Ze wijdt er een heel hoofdstukje aan met een aantal tips die allemaal beginnen met leer, namelijk "leer ….
jezelf kennen
… met anderen te praten
… regelmatig iets te doen dat je uit je comfortzone haalt
… bovenal kijken
… je in iets, wat dan ook, verdiepen en specialiseren (…)
… je blikveld verruimen, naar tijd en plaats
… om van alles wat dagelijks is, telkens weer iets bijzonders te maken
… leer, leer". (pp. 74 - 81)



4. verwondering als dat wat het niet is


Pauwels definieert verwondering ook door aan te geven wat het niet is: onverschilligheid en technocratie. Als een leeuwin verdedigt zij de wetenschap. Die wordt vaak verweten op een kille manier alléén geïnteresseerd te zijn in mechanismen en variabelen. Je voelt haar verontwaardiging. Middels een historisch exposé laat zij zien dat wetenschap juist verwondering en verbeelding nodig heeft.
"Wetenschap is veel meer dan koel en afstandelijk observeren. Observaties in kennis omzetten gebeurt alleen maar dankzij de verbeelding van de wetenschapper. De zogeheten wetenschappelijke methode staat of valt ermee." (p. 32)
En dan vanuit haar tenen.
"Veel kwalijker dan wetenschap die niet onmiddellijk nut heeft, is wetenschap die op routine speelt". (p. 37)
 

5. verwondering als institutionele opdracht


De auteur geeft het onderwijs een opdracht mee. Een missie. Onderwijs moet kinderen niet alleen basisvaardigheden bijbrengen maar ook laten zien wat er allemaal mogelijk is. Kunst, toneel en literatuur dus. Pauwels lijkt hier, zonder haar te noemen, aanhanger van de liberal arts opvatting van Martha Nussbaum. En voor de goede orde: zij beperkt zich niet tot het basis- en voortgezet onderwijs.
"Ik word altijd een beetje triest als ik studenten over 'de school' hoor praten. De universiteit moet de plaats zijn waarop je, misschien voor de laatste keer in je leven, grondig door elkaar wordt geschud. Waar je in contact komt met nieuwe mensen, met nieuwe ideeën. Waar je je verwondert en begint te twijfelen aan datgene waarvan je dacht dat je het altijd al zeker wist". (pp. 49-50)


Verwondering wordt bewondering


Pauwels wordt geboeid door krachten die het individu overstijgen. De geschiedenis wordt volgens haar enerzijds bepaald door grote anonieme krachten zoals cultuur en traditie. Krachten die het individu te boven gaan. Maar elk individu heeft anderzijds ook de vrijheid om door zijn of haar handelen in dat krachtenveld het verschil te maken. In dat verband noemt zij Monnet en Schuman als de wegbereiders van de Europese eenwording en Mandela die zijn land amnestie in ruil voor de waarheid schonk.


Als lezer word je hierin meegesleept. Maar strikt genomen behandelt Pauwels hier niet meer de ver-, maar de bewondering. Je voelt hoe zij deze lieden adoreert. Voor het eerst in haar betoog doen ook prestaties haar intrede. Zij spreekt over het verschil maken en beslissend bijdragen aan. Dit lijkt mij een conceptuele verwarring. Een al te grote nadruk op prestaties doet voor mijn gevoel juist afbreuk aan verwondering.


Maar die verwarring is haar vergeven. Waarom? Omdat de auteur zich voor het overige niet al te pretentieus maar juist kwetsbaar opstelt. Zo voel je haar worsteling om als docent niet alleen kennis maar ook verbeelding te stimuleren.
"Ik beken eerlijk dat ik dat ook op de universiteit een opgave vind. (…) De opgave is voor mij dan ook hoe we onze programma's tezelfdertijd studeerbaar en uitdagend laten zijn, behapbaar maar toch tot de verbeelding sprekend. Dat is allesbehalve evident" (pp. 49-50)
Dit een charmant boekje. Mocht u één of twee avonden vrij hebben, dan zeg ik: lezen!




Paul Strijp, 5 april 2020
 
 




vrijdag 27 maart 2020

Tien wist-u-dat-jes uit 'Over leven met kunstmatige intelligentie' van Max Welling



BOEK
Max Welling   Over leven met kunstmatige intelligentie. Cornelissen Communicatie, Utrecht. Eerste druk, oktober 2018.


Cultuuroptimisme wisselt het -pessimisme af. Aan de ene kant enthousiasme over de mogelijkheden van kunstmatige intelligentie, aan de andere kant grote woorden over de risico’s. Voor mijn gevoel weegt het pessimisme van de auteur uiteindelijk zwaarder. In deze boekbespreking tien 'wist-u-dat-jes'. Tien inzichten die voor mij nieuw waren. Zijn ze dat ook voor u? De technische uitleg, bijvoorbeeld over verschillende soorten algoritmen, laat ik hier achterwege. De hoofdboodschap van de auteur? De keuzes die we als maatschappij nu maken zullen de wereld bepalen waarin onze kinderen straks leven. Daarom moet het onderwijs een sleutelrol krijgen.






Over de auteur

Max Welling is hoogleraar machine learning aan de Universiteit van Amsterdam en vice president Technologies bij het Amerikaanse technologieconcern Qualcomm. Hij runt drie onderzoekslaboratoria: Quva (Qualcomm-UvA), Delta (Bosch-UvA) en Amlab (UvA). Daarnaast werkt hij voor het Canadian Institute for Advanced Research. Welling was medeoprichter van het bedrijf Scyfer, dat in 2016 werd overgenomen door Qualcomm. In 2018 richtte hij samen met vijf andere hoogleraren aan de UvA en de VU het Innovation Center for AI (ICAI) op. Het ICAI richt zich op de interactie tussen universiteit, bedrijfsleven en samenleving. (Bron en foto: achterzijde van het boek)



Eerste wist-u-dat-je:  de mens legt het af tegen het algoritme
Welling is enthousiast en optimistisch over de mogelijkheden van kunstmatige intelligentie. Hij schetst talloze voorbeelden van toepassingen. Zijn optimisme blijkt ook als hij zijn gedachten laat gaan over de toekomst van onze arbeid, de Future of work. Welling acht het bijvoorbeeld ‘zeer onwaarschijnlijk’ dat de radioloog zijn baan verliest. So far so good.

Dat optimisme gaat hand in hand met zijn verwachting dat computers ooit slimmer zullen zijn dan mensen. Op pagina 54 werpt hij de vraag op: hoe lang geldt nog de complementariteit van de mens en het algoritme? Vrij vertaald: hoe lang is er nog een zekere gelijkwaardigheid tussen die twee? Zijn antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: mensen gaan het afleggen tegen de slimheid van de algoritmen in de gezondheidszorg, bepaalde leeralgoritmen worden superieur in de planning van mobiliteitsvraagstukken en in de boardroom zal een robot betere adviezen geven dan de leden van die board zelf. Sic!

Wat daarbij opvalt is dat de auteur grote woorden niet schuwt. “Onze rechtsstaat staat op het spel”, “De deur staat wagenwijd open voor manipulatie met data op een schaal die we nog nooit eerder hebben meegemaakt”, “Het is één minuut vóór twaalf” waar het gaat om de bescherming van onze privacy en “We worden slaaf van de recommenders” (dat zijn algoritmen die aanbevelingen doen). Dat zijn toch allemaal geen malse beweringen. In elk geval beweringen die een gevoel van urgentie oproepen en de noodzaak van handelen onderstrepen. Waar pleit Welling dan voor?


Tweede wist-u-dat-je:  keuzevrijheid met data is mogelijk

Zijn pleidooi is drieledig. Voor privacywetgeving gekoppeld aan een nieuwe data-infrastructuur. Voor kritiek en diversiteit. En voor een sleutelrol voor onderwijs en kennis.

De auteur noemt een aantal ontwikkelingen op het gebied van de privacy die ons gerust zouden moeten stellen. Zoals het feit dat je aan een algoritme kunt sleutelen. Mocht dat algoritme vooroordelen bevatten, dan kun je die verwijderen. Bij menselijke vooroordelen kan dat niet. Ook de wettelijke bescherming gaat volgens Welling de goede kant op. Zo draagt de Algemene Verordening Gegevensbescherming ons op om persoonsgebonden beslissingen die op een algoritme zijn gebaseerd, uit te leggen. Desalniettemin slaat de auteur alarm! Welling is een verklaard tegenstander van het overboord gooien van onze privacywetgeving. Data immers kan in verkeerde handen vallen. En de geschiedenis leert dat dit tot rampen leidt. In dat licht pleit hij voor een infrastructuur waarbij de data altijd in het bezit is van de persoon die deze data genereert. Zo ontstaat keuzevrijheid: de persoon kan zelf beslissen of hij zijn data wil delen met een derde partij of niet. Met Google bijvoorbeeld.


Kritiek en diversiteit zijn nodig om in opstand te kunnen blijven komen. Dat klinkt vanzelfsprekend maar is dat volgens Welling niet. Hij wijst op de praktijk van de grote tech-giganten die verzekeringen op de markt willen brengen. Om je premie laag te houden moet je gedrag vertonen dat die giganten goed gezind is. Dat betekent: moet je je onderwerpen aan een data-nederigheid. Je moet je data op allerlei manieren afstaan. Mensen uit de lagere inkomensgroepen hebben hier geen keuze. Zij kunnen zich immers geen hoge premie veroorloven. Géén verweer is géén keuze is géén kritiek. Waak voor een situatie waarin we worden geleefd door onze verzekering, waarschuwt Welling. Hiertegen bestaat maar één medicijn: goed onderwijs! Dat is nodig om onze kinderen het vermogen te laten ontwikkelen om kritiek te leveren.






Derde wist-u-dat-je:  een algoritme kan beslissen over leven en dood
Op pagina 101 is Welling voorzichtig. Héél voorzichtig. Hij stelt de vraag: vinden wij het wenselijk dat algoritmen in autonome wapens beslissen over leven en dood? Hij voert twee tegenargumenten op voor de reflex dat alléén mensen hierover mogen beslissen. Allereerst de overweging dat niet alléén algoritmen maar ook mensen fouten kunnen maken. En ten tweede de gedachte dat door AI gestuurde software ten minste nog consistent, zonder vooroordelen en verifieerbaar is. Dat zijn kwaliteiten waar de mens niet altijd over beschikt. Vanuit die tegenargumenten stelt Welling dat het antwoord op zijn vraag genuanceerd ligt. Redenerend vanuit het hogere doel om wereldwijd het aantal verkeersslachtoffers te verlagen lijkt hij impliciet te kiezen voor een beslissing door het algoritme. "Dat is in ieder geval eerlijk".

Vierde wist-u-dat-je:  leren van data is de kern van de revolutie
Toch even een klein stukje theorie. Welling doceert een basisonderscheid in algoritmen. Een klassiek algoritme bestaat uit regels die achter elkaar worden uitgevoerd. Die regels worden geschreven door mensen. Een neuraal-netwerkalgoritme daarentegen bestaat uit signalen tussen neuronen om patronen in data te herkennen. Hier komt geen mens aan te pas. Dit algoritme past zichzelf voortdurend aan door te leren van de data die wordt aangeboden. "De mogelijkheid om software automatisch te verbeteren door van data te leren is misschien wel de kern van de revolutie (….) in de AI".


Vijfde wist-u-dat-je:  door spraakherkenning verdwijnt het toetsenbord
De ontwikkelingen in het vakgebied van de Natural Language Processing (NLP) zorgen voor een revolutie in spraakherkenning. Wat doet NLP? NLP zoekt de werkelijke betekenis van een zin: wat betekenen deze serie woorden, wat is de intentie achter deze vraag?
"Het resultaat is dat je smartphone nu begrijpt wat je zegt. Ik denk inderdaad dat het toetsenbord ook naar het museum gaat (…) Het lijkt duidelijk dat we met onze computers gaan praten, en niet meer naar een schermpje turen en op een toetsenbord zinnetjes intypen. Die technologie is bijna klaar."


Dit is een inzicht dat de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco bijvoorbeeld over het hoofd ziet. In zijn overigens briljante boek The Game beschouwt hij de combinatie van de mens die via een toetsenbord met een scherm is verbonden als het 'erfelijk materiaal van de digitale revolutie'. Echter, als we Welling mogen geloven heeft de trits mens - toetsenbord - scherm zijn langste tijd gehad. Zie ook: https://boekbesprekingenpaulstrijp.blogspot.com/2019/10/the-game-van-allessandro-baricco.html


Zesde wist-u-dat-je: talenonderwijs staat onder druk door automatische vertaling
Lezing van dit boek maakt pijnlijk duidelijk hoe het onderwijs in ons land achter de feiten aanloopt. Welling ergert zich daar groen en geel aan en steekt die ergernis niet onder stoelen of banken. Zijn voornaamste bron van ergernis: het denken in schoolniveaus. Laat dat los, zo bepleit hij, laat elk kind in zijn of haar eigen tempo leren. De technologie maakt dat nu al mogelijk.
De betekenis van AI voor het onderwijs is overigens nog veel verstrekkender. De auteur stelt bijvoorbeeld dat het talenonderwijs eigenlijk overbodig is door de mogelijkheden van automatische vertaling. Op een andere plaats in zijn boek illustreert hij dit aan de hand van een door Microsoft ontwikkeld systeem. Dat maakt niet alleen spraakherkenning, maar ook de vertaling van een zin in een andere taal en de omzetting van die zin in geluid mogelijk.
Deze ontwikkelingen roepen de vraag op: wat moeten we dan nog met lessen Duits, Frans, Spaans en ga zo maar door in het curriculum? Immers, in die landen kun je straks een gesprek voeren dat meteen wordt vertaald. Vanzelfsprekend heeft taalonderwijs ook een zeer belangrijke cultuurhistorische betekenis. Maar als je de inzichten van Welling even goed tot je door laat dringen dan verbaas je je toch over het feit dat onderwijsorganisaties deze ontwikkelingen niet of nauwelijks agenderen. Je leest of hoort er in het publieke debat in elk geval niets over.

Zevende wist-u-dat-je:  kunstmatige intelligentie kan ook niet alles
Welling is realistisch: kunstmatige intelligentie heeft ook zijn beperkingen. Géén halleluja-verhaal dus. De belangrijkste beperking? Kunstmatige intelligentie begrijpt nog niet genoeg van de wereld om in geheel nieuwe situaties de juiste beslissingen te nemen. De mens daarentegen beschikt over een eindeloze hoeveelheid achtergrondkennis. Over de wetten van de natuur, over de psychologie, over causaliteit. Deze kennis helpt hem om na het zien van één nieuw object een volgend exemplaar van dit object feilloos te herkennen. AI-systemen zijn dus nog niet in staat om de geleerde lessen van één situatie te generaliseren naar een nieuwe context.

Achtste wist-u-dat-je:  energie stelt grenzen aan AI-toepassingen
Bij alle euforie over de mogelijkheden van AI zijn er ook beperkingen. Platte grenzen dus. Volgens Welling zitten deze in de kosten van het energieverbruik. Die zijn vaak hoger dan de opbrengsten. Met andere woorden: aan elke AI-toepassing zou ook doodgewoon een kosten-baten-analyse ten grondslag moeten liggen. "Er is dus een economisch plafond aan hoe ingewikkeld AI kan worden voor bepaalde toepassingen", stelt Welling nuchter vast. In de toekomst gaat het dan ook niet zozeer om het genereren van zoveel mogelijk intelligentie, maar om 'intelligentie per kilowattuur'. AI komt daarmee dus in een perspectief van duurzaamheid te staan.

Negende wist-u-dat-je:  DNA op uw creditcard
Soms schrik je op van een inzicht van Welling. Bijvoorbeeld als hij de toepassingsmogelijkheden voor de gezondheidszorg bespreekt en heel droogjes opmerkt: "Het zal niet lang meer duren voordat iemand zijn volledige DNA kan laten 'meten' voor een paar honderd euro. Je draagt dan misschien je DNA met je mee op een creditcard." Het doel van dat alles? Bepalen welke afwijkingen in uw DNA voorspellend zijn voor de ontwikkeling van bepaalde ziektes.
Daarvoor is het dan wel nodig dat u niet de enige bent met zo'n vreemde creditcard. Want dat maakt Welling voortdurend duidelijk: AI werkt alléén bij grote hoeveelheden data. Met andere woorden: we zouden met zijn allen aan de DNA-creditcard moeten gaan. Mutatis mutandis gelden daarbij de privacyoverwegingen van Welling zoals hiervoor uiteengezet. Ofwel: de DNA-data op uw creditcard is van u!

Tiende wist-u-dat-je:  blockchain maakt een einde aan monopolies
Hij maakt de opmerkingen bijna terloops. Op pagina 59.
"Uber, Airbnb en Booking hebben de taxi- en hotelbranche op zijn kop gezet. Het einde van hun monopolies lijkt in zicht nu een nieuwe technologie in opkomst is: de blockchain. Blockchain is een manier om gegevens, zoals contracten en waardetransacties, veilig op te slaan in een netwerk van computers. Het blijkt vrijwel onmogelijk om deze gegevens te manipuleren, want het netwerk bevat vele kopieën van de data en het corrigeert zichzelf".

Een einde aan het monopolie van de grote tech-giganten? Dat was toch echt compleet nieuw voor mij. Dat heeft te maken met mijn verwachting dat we eerst aan de vooravond staan van een grootschalige doorbraak van de platformbedrijven. Die verwachting ontleen ik voornamelijk aan de publicatie 'Make Disruption Work. A CEO handbook for digital transformation' van Alexandra Jankovich en Tom Voskes (2018). De essentie van dit boek is dat niet alleen de reis- en de hotelbranche maar àlle sectoren een digitale disruptie zullen beleven. Dus óók de overheid, de landbouw, het onderwijs, de energiesector, de voedingsmiddelenindustrie, de gezondheidszorg, het bankwezen en ga zo maar door. Welling leert mij dat -àls deze disruptie inderdaad op deze manier doorzet- een en ander niet noodzakelijkerwijs gepaard hoeft te gaan met verdergaande monopolies.
Hoe werkt dat dan wel? Een paar citaten.
"Blockchaintechnologie maakt het mogelijk om betalingen te doen zonder tussenkomst van een derde partij, zoals een bank. (….) Blockchain maakt het in principe mogelijk dat de bank, Uber of Airbnb niet meer nodig zijn. Taxichauffeurs en huiseigenaren kunnen zelf een blockchainservice opzetten. (…) Iedereen kan onderling handelen zonder tussenpartijen die een groot deel van de winst opstrijken".
"Het wordt nog spannender als we blockchain en AI gaan combineren. Contracten kunnen in een split second worden uitonderhandeld tussen verschillende AI-systemen. (…) AI-algoritmen onderhandelen continu en autonoom met elkaar, om zo de doelen van hun baas te realiseren. Een soort megaveiling gebaseerd op de blockchain, die alle transacties registreert."
AI-algoritmen die autonoom onderhandelen? Ik had er nog nooit van gehoord.


Toegift:  een raadseltje

In plaats van een elfde wist-u-dat-je. Bij de uitleg van de exponentiële groei (een groei waarbij iets elke X jaar verdubbelt) stelt Welling ons de vraag: hoe vaak moeten we een papieren krant dubbelvouwen zodat hij zo dik is dat hij tussen de maan en de aarde kan worden geklemd? Het antwoord verraad ik hier niet. Dat doe ik pas als u door een reactie op deze boekbeschrijving een poging heeft gewaagd.


Tot slot
Dit is een razend knap boek. Het knappe schuilt in de toegankelijkheid. Door een variatie aan stijlen en invalshoeken slaagt Welling erin om een ingewikkeld domein in gewone-mensen-taal uit te leggen. Waarbij hij op een genuanceerde manier zijn eigen mening of verwachting niet onder stoelen of banken steekt.
Dit boek schreeuwt om een vervolg. Wat mij betreft zou dat over twee zaken moeten gaan. Allereerst zou ik een verdieping wenselijk vinden. Welling scheert nu oppervlakkig over verschillende maatschappelijke domeinen heen. Benoemt kansen en toepassingsmogelijkheden. En schroomt niet om sectoren die zitten te slapen een draai om de oren te geven. Zoals de telecom. "…. een slapende reus die nog wakker moet worden". Eigenlijk zou over elke maatschappelijke sector een verdiepend cahier moeten verschijnen. Ik zou ze allemaal aanschaffen.


Welling laat de lezer achter met een prettige spanning, een ongerijmdheid. Hij lost die spanning niet op. Aan de ene kant stelt hij dat menselijke keuzen nu bepalend zijn voor onze toekomst. Aan de andere kant is zijn stellige verwachting dat AI de mens zal overtreffen. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Moeten de inspanningen van de mens vooral gericht zijn op het waarborgen van de privacy? Of moet de mens de ontwikkeling van de AI -als dat al mogelijk is- afremmen om die technologische suprematie te vertragen? Ik zou er graag heel veel over willen lezen.




Paul Strijp, 27 maart 2020
















zondag 6 oktober 2019

The Game van Alessandro Baricco: briljante maar iets te lichtvoetige kijk op de digitale wereld




BOEK
Alessandro Baricco  The Game. De opvolger van de Barbaren. Vertaald uit het Italiaans door Manon Smits. De Bezige Bij. Amsterdam, 2019.



De digitale wereld waarin we leven is het gevolg van een mentale en niet van een technologische revolutie. Dat is de centrale stelling van Baricco. De onderbouwing hiervoor levert hij door de 'mentale bewegingen' achter allerhande digitale verschijningsvormen te beschrijven. Welke intelligentie, gedachten en overtuigingen zaten er bijvoorbeeld achter het internet en het world wide web? Die beschrijving is overtuigend. Baricco voegt een nieuw referentiekader over de digitale wereld toe, veel van de gangbare kaders immers zijn juist wel technologisch gefundeerd. Evenals zijn in 2012 verschenen boek De Barbaren is The Game briljant maar soms net iets te lichtvoetig. En net als in dat boek blijft zijn verwijzing naar de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog als één van de motieven voor de mentale revolutie, moeilijk te plaatsen.







Een eigenzinnige Italiaan

De Wet van Moore en de Vierde Industriële Revolutie. Twee zeer gangbare verklaringen voor het ontstaan van onze huidige digitale wereld. Gordon Moore, één van de oprichters van chipfabrikant Intel, voorspelde in 1965 dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling elke twee jaar zou verdubbelen. Die verdubbeling heeft geleid tot een enorme toename van de rekenkracht van computers, hoewel daar volgens sommigen ooit een einde aan zal komen. Zie ook: https://nl.wikipedia.org/wiki/Wet_van_Moore
En volgens Klaus Schwab, oprichter van het World Economic Forum, zorgt de versmelting van de fysieke, digitale en biologische wereld voor een nieuwe revolutie. Deze maakt het ontstaan van technologiegebieden zoals kunstmatige intelligentie, robotica en virtual reality mogelijk. Zie ook: https://www.weforum.org/about/the-fourth-industrial-revolution-by-klaus-schwab


En dan komt daar Alessandro Baricco, een eigenzinnige Italiaan die in 2012 het boek De barbaren publiceerde. Dat ging ook al over de digitale revolutie. Zie: https://boekbesprekingenpaulstrijp.blogspot.com/2013/08/briljante-baricco-biedt-houvast.html
In The Game gaat Baricco op zoek naar de oorsprong van die revolutie. En wat blijkt? Vergeefs zoek je naar de namen van Moore en Schwab. Wat stelt hij daar dan voor in de plaats? Een redenering waarbij de huidige digitale wereld het gevolg is van een mentale revolutie. Van een onderaardse beving die bestaat uit intelligentie, gedachten en overtuigingen. Een paar voorbeelden.



Mentale revolutie

De p van de personal computer, het persoonlijk maken van computers. Volgens Baricco een geniale zet van de makers van de Commodore 64 in de periode 1981 - 1984. Nog maar veertig jaar geleden stonden computers geïsoleerd als grote apparaten in laboratoria. En nu kreeg elk individu de beschikking over een computer. Wat zijn of haar macht enorm vergrootte.


Ook in de uitvinding van het web schuilt volgens Baricco een mentale beweging. Die staat op naam van Tim Berners - Lee in 1990. Het web creëerde een digitale kopie van de wereld. De onderling met elkaar verbonden sites waaruit dat web bestaat geven op digitale wijze de inhoud van die wereld weer. Volgens Baricco introduceerde Berners - Lee hiermee een nieuwe manier van denken, niet zo maar een nieuw instrument. Dat nieuwe school in de ervaring dat jij als gebruiker beweegt, dat jij navigeert en dat jij de vrijheid hebt om op dat web de dingen op te pakken die jij wilt. Vrijheid dus als mentale drijfveer.

Derde voorbeeld. De Californische tegencultuur uit de jaren zeventig, voornamelijk bestaande uit hippies en nerds in de informaticalaboratoria van de universiteiten, vocht voor een bevrijding van het heersende systeem. Deze beweging wilde de wereld veranderen door de technieken te veranderen. Collectief verzet was het credo: de wereld moest één grote hippie-commune worden. Steve Jobs, de oprichter van Apple, voelde zich verwant met deze beweging. De talloze digitale uitvindingen van Apple kunnen dan ook in deze traditie geplaatst worden.


Wederom briljant


Evenals De barbaren is The Game een briljant boek. Waarin schuilt die genialiteit? Wat mij betreft in de feitelijke uitleg van achtergrond en betekenis van de belangrijkste digitale uitvindingen van de afgelopen decennia, in de metaforen, in de concepten en noties en in de toegankelijkheid.

Allereerst maar eens die uitleg. Baricco laat het internet, het web, de MP3, de personal computer, Amazon, Google, Napster, de Blackberry, Twitter, de iPhone, Spotify en zo nog wat andere digitale verschijningsvormen chronologisch de revue passeren. Dat doet hij zakelijk, in een boek dat voor het overige nogal wat artistieke uitingen heeft. Zo laat hij bijvoorbeeld zien dat internet en het web twee verschillende grootheden zijn. The Game is daarmee in zekere zin een Digitalisering voor dummies.

Baricco bedient zich verder van landkaarten als metaforen. De geologische formaties en verschuivingen op deze kaarten laten de opkomst en soms ook ondergang zien van de MP3 en de andere hiervoor genoemde digitale uitingen. Een luchtfoto van een bergketen, noemt hij die kaarten. Een buitengewoon originele en inzichtelijke methode om de dynamiek van digitalisering weer te geven.

Op zijn fundament van de mentale revolutie strooit Baricco kwistig met allerhande concepten en noties. Zoals de trits mens-toetsenbord-scherm. Deze vormt volgens hem het genetisch materiaal van de digitale revolutie: de mens die de toetsen van een bord bedient en met een scherm verbonden is. We staan er nauwelijks nog bij stil, maar deze combinatie ligt vrijwel altijd ten grondslag aan onze digitale handelingen. Een andere interessante notie van Baricco gaat over het feit dat complexiteit in de digitale wereld onder de oppervlakte blijft. De gebruiker wordt daar niet mee vermoeid. Die ziet geen ingewikkelde schakelingen of transistors. Integendeel, het zijn juist de esthetiek en het comfort die zich aan de oppervlakte in volle omvang aandienen. De titel van zijn boek, The Game, staat weer voor een andere notie. Met de digitale revolutie werd het spel volgens de auteur de basisstructuur van onze beschaving. Met een aangenaam design, een korte tijdsspanne tussen probleem en oplossing, voortdurende beweeglijkheid en puntentelling als voorbeelden van elementen van dat spel.

Baricco schrijft buitengewoon toegankelijk. Hij spreekt de lezer aan in de jij-vorm. De auteur relativeert, bedient zich van de nodige humor en maakt korte ter zake uitstapjes. Dat alles geeft het boek een zekere luchtigheid. Deze maakt de grote informatiedichtheid ook goed 'verteerbaar'.




Kritiek

Op een briljant boek blijft kritiek mogelijk. Die stemt grotendeels overeen met mijn eerdere - tweeledige - kritiek op De barbaren. Bij dat boek had ik allereerst moeite met de notie van Baricco dat diepgang en reflectie er vandaag de dag niet meer toe zouden doen. Volgens hem waren dat begrippen uit de 20e eeuw waar je alleen maar moe van werd. Daarnaast vond ik zijn verwijzing naar de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog te simplistisch. Volgens Baricco wilde de jonge digitale generatie afrekenen met het centraal stellen van de natie en het ras, een belangrijke factor voor het ontstaan van die gruwelen. Die positionering zou een effect zijn geweest van het feit dat diepgang en reflectie voor veel mensen te hoog gegrepen waren.



Deze tweeledige kritiek is ook bij The Game aan de orde. Daar komt een derde element bij. Dat is meer technologisch van aard. De drie elementen van kritiek werk ik hieronder uit.





Optimistische maar iets te lichtvoetige grondtoon
De grondtoon van zijn boek De barbaren was buitengewoon positief. Baricco nam het op voor de jonge, digitale generatie. Zijn boodschap luidde, vrij vertaald:

"Oudjes, jullie moeten niet zeuren. De digitale oppervlakkigheid van de jeugd is géén oppervlakkigheid. Integendeel, het flitsende en snelle is juist haar wezenskenmerk. Daarin vinden jongeren hun betekenis. Dat is niet minder of inferieur, maar gewoon anders. Niet veroordelen, hoor". 

De positieve waardering van Baricco voor alles wat digitaal is, klinkt of lijkt, trekt hij in The Game door. Tot aan zijn waardering voor het gedrag van tech-giganten zoals Facebook en Google. Zijn grondtoon is buitengewoon optimistisch. Op sommige momenten iets te naïef, te lichtvoetig voor mijn gevoel. Dat is met name het geval op de pagina's 183 t/m 186.
"In het immense succes van alles wat digitaal en sociaal is staat de banale waarheid geschreven dat we nu eenmaal niet heel ver komen als we alleen worden gelaten met het stille mysterie van wat we zijn. Het helpt ons om getuigen te hebben, het helpt ons om te kunnen bestaan onder het toeziend oog van anderen, (…)"

Wat Baricco maar wil zeggen: omwille van het verminderen van je eigen eenzaamheid kun je maar beter actief zijn op social media. Mijn gedachten gingen direct naar Etty Hillesum, de joodse vrouw die tijdens de Tweede Wereldoorlog een dagboek bijhield. Zij spreekt over de spirituele ervaring van de eigen bronnen. Zij viel dus juist wel terug op het stille mysterie. En volgens haar grote voorbeeld Rainer Maria Rilke, de in 1875 geboren grote Tsjechische dichter, dien je in een relatie de hoeder van elkaars eenzaamheid te zijn. Als er in hun tijd social media waren geweest, hadden deze twee schrijvers vast geen account gehad. Wat ik maar wil zeggen: Baricco heeft een bepaalde opvatting over de wijze waarop wij met onze van nature gegeven eenzaamheid moeten omgaan.

En hij gaat daarin nog een stap verder door te spreken van het gouden land. Dat is het land waarin we het menselijk tekort niet hoeven accepteren. Immers, door een bericht naar Instagram of Twitter te sturen kunnen we onze eenzaamheid bijschaven. Deze woorden roepen het beeld op van het leven als een feest. Als een gebeurtenis waarin technologie de minder plezierige kanten van de menselijke existentie naar de achtergrond verdringt. Als een variant op de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Een kwestie van levens-filosofische overtuiging. Ik deel die van Baricco niet.


Opnieuw een 'faux pas'

Op pagina 16 stelt Baricco dat de digitale revolutie mede is ingegeven door de poging om "... fouten te corrigeren die ons duur waren komen te staan". Met andere woorden: de generatie die deze revolutie ontketende had nooit meer oorlog als belangrijk motief. Deze gedachte herhaalt hij op diverse plaatsen. Echter, Baricco onderbouwt deze niet. Dat had bijvoorbeeld gekund door een aantal uitspraken van vertegenwoordigers van de Californische tegencultuur aan te halen. In mijn bespreking van De barbaren noemde ik deze omissie een faux pas. Deze maakt hij nu weer.


Toetsenbord als museaal pronkstuk

Baricco rekent de combinatie van de mens die via een toetsenbord met een scherm is verbonden tot het erfelijk materiaal van de digitale revolutie, het logo van onze beschaving. Toch is het zeer de vraag of de trits mens - toetsenbord - scherm als erfelijk materiaal op de lange duur standhoudt. Dat heeft te maken met de ontwikkelingen rondom de Natural Language Processing (NLP), een vakgebied binnen de kunstmatige intelligentie. Zie bijvoorbeeld wat Max Welling, hoogleraar Machine Learning aan de Universiteit van Amsterdam, daarover te zeggen heeft in zijn boek Over leven met kunstmatige intelligentie (2018, pagina's 36, 44).
"Gaan we na van de typemachine afscheid te hebben genomen nu ook afscheid nemen van het toetsenbord? Het vakgebied Natural Language Processing (NLP) zorgt voor een revolutie in spraakherkenning. NLP zoekt de werkelijke betekenis van een zin. (…) Wat betekenen deze serie woorden, wat is de intentie achter deze vraag? (…) Het resultaat is dat je smartphone nu begrijpt wat je zegt. Ik denk inderdaad dat het toetsenbord ook naar het museum gaat (…) Het lijkt duidelijk dat we met onze computers gaan praten, en niet meer naar een schermpje turen en op een toetsenbord zinnetjes intypen. Die technologie is bijna klaar".


Tot slot: bijdrage aan meervoudig kijken


Baricco heeft met The Game een bijdrage geleverd aan -wat bestuurskundigen noemen- meervoudig kijken. Dat is de grote verdienste van dit boek: naar de digitale revolutie kun je niet alléén vanuit een technologisch, maar ook vanuit een cultureel oogpunt kijken. Een waardevol inzicht.



Paul Strijp, 6 oktober 2019

zondag 18 augustus 2019

Floor Milikowski laat in 'Van wie is de stad' het nieuwe, keiharde en onzichtbare kapitalisme in Amsterdam zien


BOEK
Floor Milikowski  Van wie is de stad. De strijd om Amsterdam. Uitgeverij Atlas Contact. Amsterdam / Antwerpen. Tweede druk, maart 2018.



Een toenemende ongelijkheid en segregatie, een afnemende diversiteit, een brozer wordende democratie en een steeds mono-functionelere economie. Dat zijn de lokale Amsterdamse effecten van een keiharde internationale concurrentie tussen enerzijds het nieuwe grootkapitaal en anderzijds de gemeente. In een notendop is dit de kernboodschap van Milikowski. Zij beschrijft de ontwikkelingen in Amsterdam telkens vanuit een breder regionaal, nationaal, internationaal of thematisch perspectief. Dat doet zij helder en meeslepend. Mijn belangrijkste kritiekpunt is dat de auteur vrijwel nergens zelf positie kiest.








De strijd om Amsterdam heeft Milikowski haar boek als ondertitel meegegeven. Maar als datzelfde boek één ding duidelijk maakt is het wel dat die strijd ongelijk is. Eigenlijk rijst de vraag: is er überhaupt wel een strijd? Aan de ene kant staan partijen als Airbnb, beleggers, investeringsmaatschappijen, vastgoed- en grondeigenaren en niet te vergeten de toeristenbranche. En aan de andere kant de gemeente. Machteloos, zoekend, wanhopig, achter de feiten aanhollend. Het meest pijnlijk blijkt die machteloosheid uit de woorden van Oranje, voormalig voorzitter van het stadsdeel Centrum. Hij mag wat prevelen over de veranderende economie, maar staat met lege handen en slaat werkelijk geen deuk in een pakje boter als het gaat om het aanpakken van die economie.



Nieuwe grootkapitaal


Wat zijn de effecten van dat nieuwe grootkapitaal? Milikowski laat zien hoe een conglomeraat aan grote partijen de stad onzichtbaar doch meedogenloos verandert. Zelfs zo sterk dat er volgens velen voorzichtig wordt geknibbeld "... aan de ziel van de stad, aan haar eigenheid, karakter, passie en grillen" (pagina 92). Wat is de bijdrage van elk van die partijen aan die beweging?

Airbnb zorgt voor een tweedeling op de Amsterdamse woningmarkt: eigenaren die wel tegenover zij die geen mogelijkheid hebben om hun woning via dit platform te verhuren. Per saldo worden daardoor woningen aan de voorraad onttrokken. Met een toename van de schaarste tot gevolg. Mutatis mutandis doet die segregatie zich ook in de buurten zelf voelen.

Beleggers, investeerders en beleggers kopen panden of grond op. Die verkopen zij met grote winsten door, vaak aan internationale ketens. Vooral winkeliers worden hiervan het slachtoffer. De economische diversiteit verdwijnt, de economie wordt multifunctioneler. De oorspronkelijke bewoners van Amsterdam en kunstenaars worden naar de randen van de stad verdreven. Milikowski verwijst in dit verband naar de Amerikaanse sociologe Sassen volgens wie deze dynamiek ook een bedreiging voor de democratie vormt.

De toeristenbranche behoort ook tot de grote jongens. Hotels kopen publieke gebouwen met een hoge culturele en symbolische waarde op voor eigen gebruik. De branche heeft internationaal gezorgd voor een explosieve toename van het aantal reizigers. In Amsterdam veranderen grote groepen toeristen niet alleen de binnenstad maar ook de delen daaromheen. Volgens Milikowski dringen zij hun gedag op aan de omgeving en besteden zij weinig. Zij haalt wijlen burgemeester Van der Laan aan die toerisme een fundamenteel vraagstuk noemde.

Mijn eigen interpretatie van deze ontwikkelingen? Dit nieuwe conglomeraat aan partijen zorgt niet alleen in Amsterdam maar wereldwijd voor een keihard en onzichtbaar kapitalisme. Dat lijkt een volgende fase te zijn ingegaan. Waar het kapitalisme vroeger met haar kinderarbeid voor iedereen waarneembaar was, doet dit nu haar werk met onzichtbare investeringen en platforms.



De verschillende gezichten van de gemeente

Eén van de factoren die de strijd tegen dit nieuwe partijenstelsel voor de gemeente Amsterdam lastig maakt is het gegeven dat zij zelf zeer uiteenlopende belangen heeft. Anders gesteld: de gemeente Amsterdam heeft niet één gezicht.

Aan de ene kant trekt de gemeente ten strijde. Met het oog op de hiervoor genoemde publieke waarden zoals diversiteit en het tegengaan van segregatie en ongelijkheid verklaart zij Airbnb de oorlog. Maar aan de andere kant creëert zij zelf, meestal ingegeven door financiële belangen, de condities waaronder het nieuwe grootkapitaal kan gedijen. Dat zijn de condities waarbinnen de zogeheten gentrification kan plaatsvinden. Een paar voorbeelden uit het boek.

Door nadrukkelijk te investeren in bepaalde straten en buurten trekt de gemeente hoogopgeleide kenniswerkers aan. Dat is niet bepaald een recept om de ongelijkheid tegen te gaan. Hetzelfde geldt voor het eigen vastgoed van de gemeente. Dat zou volgens sommigen veel meer ingezet kunnen worden voor maatschappelijke functies die door de gentrification in de verdrukking komen. Voor ateliers van kleine kunstenaars bijvoorbeeld. De huidige praktijk is anders, stelt Milikowski: atelierpanden worden nog steeds verkocht aan de hoogste bieder (pagina 163). En de handhaving van het bestemmingsplan dat nauwgezet de functie van elk pand in de stad vastlegt, is evenmin consequent. Functies die méér geld opbrengen krijgen soms in weerwil van dat plan de voorkeur.

Kort en goed: Milikowski laat overtuigend zien hoe de verschillende gezichten van de gemeente Amsterdam haar voor de voeten lopen bij het nastreven van publieke waarden die van oudsher hoog in haar vaandel staan.



Beoordeling en kritiek


De kracht van dit boek schuilt in het bredere perspectief. Milikowski slaagt erin om de ontwikkelingen in Amsterdam telkens te plaatsen in een regionale (de strijd van Amsterdam ten opzicht van andere steden en regio's), nationale ("Amsterdam zingt zich geleidelijk los van Nederland", pagina 217) en internationale context (de wereldwijde bewegingen rondom het nieuwe grootkapitaal). Soms is dat bredere perspectief thematisch van aard. Zo plaatst Milikowski de ontwikkelingen rondom de Amsterdamse Sluisbuurt in het kader van de discussies over hoogbouw. Dat doet zij allemaal vakkundig en toegankelijk.

Op bepaalde punten is kritiek mogelijk. Zo overdrijft Milikowski wanneer zij op pagina 63 stelt dat ons land ten tijde van de financiële crisis ruimtelijk in een ravage was beland. De ruimtelijke kwaliteit in ons land staat op onderdelen zeker onder druk, maar kan zich nog altijd ruimschoots meten met die in veel andere landen.


Serieuzer is mijn kritiek dat Milikowski zelf te weinig positie kiest. Zij laat een keur aan boeken de revue passeren en biedt een podium aan diverse deskundigen of belanghebbenden. Met name Hemel, buitengewoon hoogleraar voor grootstedelijke vraagstukken, wordt geen strobreed in de weg gelegd bij zijn pleidooi voor een verdere verdichting van Amsterdam. Wat vindt Milikowski hier zelf van? Die vraag wordt des te prangender omdat zij een aantal anderen (Bodewes, Raspe) ten tonele voert met afwijkende visies. Welke positie betrekt de auteur?


Eigenlijk is een eigen duidelijke stellingname van Milikowski alleen te ontdekken in haar kritiek op een aantal boeken (zie de pagina's 244 en 259).



Tot slot

Wat is Amsterdam in veertig jaar veranderd. Het klinkt een beetje als een verhaal in de categorie Opa vertelt. Maar lees eens mijn bespreking van een boek van Rob van Essen over het Amsterdam van begin jaren tachtig.
https://boekbesprekingenpaulstrijp.blogspot.com/2017/08/kind-van-de-verzorgingsstaat-van-rob.html



Een stad in verval, in velerlei opzicht. En nu? Een stad die van gekkigheid niet weet hoe zij de rijkdom en haar aantrekkingskracht moet beteugelen. Amsterdam is er op vooruit gegaan, zeker. Maar de strijd voor het behoud van haar historische publieke waarden is onzeker. Dat is absoluut het inzicht dat Milikowski met haar boek heeft aangedragen.




Paul Strijp, 18 augustus 2019