Translate

dinsdag 23 augustus 2016

René ten Bos heeft géén oog voor het geluk van mensen in Bureaucratie is een inktvis



BOEK
René ten Bos Bureaucratie is een inktvis. Boom. Amsterdam, Tweede oplage, 2015.


Een fenomenologische analyse van het verschijnsel bureaucratie. Dat is wat René ten Bos in dit boek levert. Hij laat zien hoe bureaucratie zich aan ons allemaal, of je dat nu wilt of niet, "aandient". Opdringt eigenlijk. En als de bureaucratie dat heeft gedaan, dan kom je er ook nooit meer van af. De auteur bedient zich daarbij van de stijlfiguur van de parodie. Licht spottend en met een glimlach. Iedereen die zelf werkzaam is in een bureaucratie zal de -soms pijnlijke- beschrijvingen herkennen. In die parodie gaat hij echter voorbij aan wat hij zelf noemt het serieuze van bureaucratie. Dat serieuze schuilt in rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Mensen moeten er van op aan kunnen dat een overheid Jantje op dezelfde manier behandelt als Pietje. Om dat waar te maken heeft een overheid de bureaucratie hard nodig. Voor dat essentiële aspect heeft Ten Bos geen aandacht.











Bureaucratie om mensen gelukkig te maken


Ruim vijftien jaar geleden gaf Saskia Stuiveling, toenmalig president van de Algemene Rekenkamer een interview in NRC Handelsblad. Zij reageerde op de uitkomsten van een onderzoek naar de factoren die mensen gelukkig maken of juist niet.

"(...) - het feit dat je van de openbare dienst verwacht dat er volgens de regels, voorspelbaar, wordt gefunctioneerd. Dat er eerlijk en fair gewerkt wordt, dat jan-met-de-pet niet anders wordt behandeld dan iemand die het wat verder heeft geschopt. Gelijke monniken, gelijke kappen. Die eerlijkheid bleek een bouwsteen van het geluk van de mensen in de samenleving" (NRC, 19 mei 2000). En dit jaar nog stelde Sandra Groeneveld, hoogleraar Publiek Management, in haar oratie: "Bureaucratie is noodzakelijk in een democratische rechtsstaat, omdat mensen van de overheid op aan moeten kunnen".


Het zijn precies deze noties die ik mis in het boek van Ten Bos. De fundamentele waartoe-vraag wordt niet of nauwelijks beantwoord: waartoe dient bureaucratie, wat is haar externe maatschappelijke functie? Het enige wat hij hierover opmerkt, is dat bureaucratie noodzakelijk is voor het financieel beheer in een kapitalistische samenleving. Om even later op te merken dat bureaucratie ook voor de klassieke socioloog Weber een onmisbare schakel is in een democratische samenleving (pagina's 20 en 21). Maar daar laat Ten Bos het bij. Het heeft mij zeer bevreemd dat de auteur deze externe wezensvraag zo stiefmoederlijk behandelt.




Bureaucratie van binnenuit



Wat heeft Ten Bos dan wel gedaan? Hoewel hij geen expliciet doel formuleert en de structuur van zijn betoog best moeilijk is te doorgronden (hij bouwt zijn verhaal op aan de hand van een door hem te verdedigen these, een stelling en twee hypothesen) zou je kunnen zeggen: de auteur beschrijft de aard van de bureaucratie van binnenuit. Vanuit de wereld van de mensen die er werkzaam zijn, de bureaucraten. Die worden door hem consequent inktschijters genoemd. En de beschrijving van die binnenwereld is op zichzelf meesterlijk. Vol raffinement en ironie.

De essentie van zijn betoog is dat, zo lang geld de basis is van onze samenleving, bureaucratie onafwendbaar is. We krijgen er allemaal mee te maken, of we dat nu willen of niet. En sterker: elk mens is vatbaar voor de mentaliteit die een bureaucratie vereist. Dat is op zichzelf best wonderlijk omdat die mens ondergeschikt wordt gemaakt aan de functie die hij vervult. Hij voelt zich er zelfs miskend. Ten Bos noemt bureaucratie een hyperobject. Dat is geen concreet waarneembaar voorwerp maar een soort oceanische ruimte waarin je makkelijk kunt verdrinken. Als bureaucratie zich eenmaal meester van je heeft gemaakt, dan kleeft hij je aan. En laat hij je ook nooit meer los.

Een belangrijke notie is de vaststelling dat een bureaucraat de nadruk legt op perfectionering van het systeem en niet op verbetering of vernieuwing. Daardoor is middelmaat de norm in plaats van de veel met de mond beleden excellentie. Die middelmatigheid leidt overigens wel tot orde en stabiliteit, maar heeft die vervreemding-van-zichzelf als keerzijde. De mens wordt een mengwezen tussen mens en functie. Van een bureaucraat weet je nooit wat hij echt voelt of denkt. Tezelfdertijd is die ondoorgrondelijkheid ook weer essentieel voor zijn functioneren.

De auteur eindigt pessimistisch. Hij ziet bureaucratie overal om zich heen slaan, óók en juist in domeinen waar dat niet gewenst is (onderwijs, zorg). Verder gaat de politiek volgens hem steeds meer op management lijken waardoor ook politici bureaucraten zijn geworden. Zijn grote angst is dat het innerlijk van de bureaucraat zo ver is uitgehold dat er überhaupt geen enkel verhaal of boodschap nog bij hem binnendringt. In plaats daarvan is de bureaucraat alleen gericht op het instandhouden van zijn eigen soort en werk.



Afbeeldingsresultaat voor rene ten bos



Feest der herkenning

Elke rechtgeaarde bureaucraat zal de beschrijving van Ten Bos herkennen en met een glimlach lezen. Soms ook met een van lichte pijn verbeten gezicht, want zijn observaties zijn soms pijnlijk raak. Regelmatig betrapte ik me op de gedachte: verrek, hij heeft gelijk, zo werkt dat inderdaad.


Om een paar voorbeelden te noemen. Allereerst die hang naar de middelmaat. Die is er inderdaad. Je mag best excelleren in een bureaucratie, maar binnen de kaders! Out-of-the-box denken wordt gestimuleerd, maar is per definitie onmogelijk. De kaders van de principaal (de opdrachtgever) zijn immers van staal. Volgens Ten Bos passen bureaucraten camouflage toe. Ook dat is herkenbaar. Zij vallen weg tegen de achtergrond van hun principaal. Die treedt op de voorgrond. Wee de bureaucraat die hem naar de achtergrond verdringt. Dat staat gelijk aan zelfmoord. Evenzeer herkenbaar is de obsessie voor hiërarchie, die zit in het systeem ingebakken. En tot slot het mysterieuze rondom de functie. Hoeveel bureaucraten dragen wel niet de aanduiding strategisch in de naam van hun functie? Strategisch beleidsadviseur: wat doet die eigenlijk anders dan een gewoon beleidsadviseur? Na meer dan vijfentwintig jaar in diverse overheidsbureaucratieën gewerkt te hebben: ik weet het nog steeds niet.


Er was één opmerking die ik niet herkende. Op pagina 64 schrijft Ten Bos dat mensen in een bureaucratie niet weten of ze het goed doen of niet. Toegegeven, een bureaucratie loopt niet over van het geven van feedback. Maar daarin is een bureaucratie niet uniek, in Nederland zijn we daar gewoon niet goed in. Dat neemt niet weg dat, zo is mijn ervaring, de meeste overheidsorganisaties over deugdelijke beoordelingssystemen beschikken. Dat zijn weliswaar bureaucratische instrumenten, maar die zorgen er toch wel voor dat je weet waar je aan toe bent.


Het pessimisme van Ten Bos deel ik evenmin. Bureaucratie is onuitroeibaar en dat is maar goed ook. Maar elk systeem, óók een bureaucratie, roept tegenkrachten op. In een bureaucratie blijven die weliswaar keurig binnen de lijntjes, binnen de kaders. Maar ze zijn er wel, die tegenkrachten. De huidige populariteit van het boek Verdraaide organisaties van Wouter Hart is wat dat betreft veelzeggend. De boodschap van Hart is eenvoudig: doe niet zo maar iets wat wordt voorgeschreven, maar vraag je bij alles af wat de bedoeling is. Verder zorgt de moderne informatietechnologie voor een tegendruk op een andere bron van zorg van Ten Bos, namelijk de informatiestroom die altijd van boven naar beneden loopt. Die technologie trekt zich niet zo heel veel van de piramidale structuur van een bureaucratie aan en voorziet een organisatie op alle niveaus van informatie. Vaak weten medewerkers iets eerder dan de hoogste baas.



Een niet helemaal geslaagde parodie

Zonder respect voor het oorspronkelijke serieuze model lukt de parodie niet, schrijft Ten Bos op pagina 103. Daarin schuilt het manco van dit boek. De parodie van Ten Bos richt zich op de binnenkant, het werk van bureaucraten. Het oorspronkelijke serieuze model van bureaucratie daarentegen ontleent haar betekenis aan de buitenkant, het geluk van mensen in de maatschappij. Als Ten Bos zich óók op die buitenkant had gericht, dan had hij nog steeds kunnen laten zien dat het gedrag van bureaucraten soms inderdaad lachen-gieren-brullen is. Maar dat gedrag dient wel een hoger doel. Geluk van mensen dus. En niet, zoals hij suggereert, het doel om als een speeltje of instrument de liberalen en kapitalisten te dienen. Dat maakt zijn parodie toch een stuk minder geslaagd.


Paul Strijp, 23 augustus 2016 

























vrijdag 12 augustus 2016

Tien gedachten naar aanleiding van het boek Na de oorlog van Tony Judt



BOEK
Tony Judt  Na de oorlog. Een geschiedenis van Europa sinds 1945. Vertaald door Hanneke Bos en Wybrand Scheffer. Uitgeverij Contact. Amsterdam / Antwerpen, 2006.


Zijn boek had net zo goed Het knotsgekke Europa kunnen heten. Of Het mirakel Europa. Want de ontwikkeling van het naoorlogse Europa leest als een aaneenschakeling van wonderlijke historische momenten en episoden. Zoals de duizelingwekkende snelheid waarmee het sovjetrijk uiteen viel. Of het verval van Groot-Brittannië: in dertig jaar van de leider van een wereldimperium naar een land op de rand van een faillissement. En wat te denken van Duitsland dat in 1946 het zorgenkind van de geallieerden was en zich vervolgens ontpopt tot het onbetwiste economisch centrum van Europa? Of van de Verenigde Staten? Dat voorziet Europa met het Marshall-plan van een strategisch programma voor de wederopbouw en wordt vijftig jaar later door datzelfde Europa nog net niet "uitgekotst". Het grootste wonder is misschien nog wel dat Europa een gedaantewisseling ondergaat. Van een ronkende puinhoop vlak na de Tweede Wereldoorlog naar een continent dat in 2004 beschikt over een grondwettelijk verdrag in de grondverf. De Britse historicus Tony Judt (1948 - 2006) schreef een door vriend en vijand bewierookt standaardwerk. Van iets meer dan duizend pagina's.


Oceanisch, zo luidde de kwalificatie van een collega die mij dit boek aanbeval. Dit boek valt niet samen te vatten, zo lezen we op de omslag. Aan een samenvatting waag ik mij dan ook maar niet. In plaats daarvan geef ik tien gedachten weer. Gedachten over zaken die mij opvielen, verrasten, verbaasden, schokten, ontroerden of anderszins raakten.





1. Dat nooit wéér gebeurt toch wéér


Hoe vaak heb je de beelden over de Tweede Wereldoorlog al niet gezien of de cijfers over de aantallen slachtoffers gelezen? En toch schrik je er weer van. Judt beschrijft het Europa van na de oorlog, maar ontkomt er niet aan om aandacht te schenken aan de weerzinwekkende gebeurtenissen van die oorlog zelf. De vele miljoenen doden vliegen je om de oren, de methoden van barbarisme laten je niet onberoerd. Maar het meest schokkende schuilt natuurlijk in de herhaling. Als naoorlogse generatie zijn we opgegroeid met de geruststellende gedachte Dat nooit wéér. En dan, vijftig jaar later, gebeurt het toch weer. Het is: etnische zuiveringen in Europa. Weliswaar niet door bij de Europese Gemeenschap aangesloten landen, maar door de Joegoslavische republieken Servië en Kroatië.


"Maar Joegoslavië was anders. Juist doordat de verschillende bevolkingsgroepen zo vermengd waren (...) bood het land zulke vruchtbare mogelijkheden voor demagogen als Milosevic en zijn Kroatisce tegenhanger Franjo Tudjman. (...) Srebrenica was de ergste massamoord in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog (...) het was enkele decennia geleden in Europa ook al gebeurd toen, verspreid over het hele continent en onder de dekmantel van een oorlog, gewone mensen buitengewone misdaden begingen". (pagina's 833, 840 en 849).


 


2. Eeuwige worsteling met het verleden


Judt spaart niemand. Genadeloos laat hij zien hoe vrijwel alle naoorlogse regeringen worstelden met hun onfrisse verleden. Concreter: met hun actieve (Frankrijk) dan wel passieve (Nederland) bijdrage aan de deportatie van joden. Dat gold zowel de West- als de Oost-Europese regeringen. Die lieten geschiedenis en fictie soms naadloos in elkaar over lopen. Maar in zijn veroordeling toont Judt zich tezelfdertijd buitengewoon pragmatisch. En daarmee ook mild. In het leven moet je soms vergeten om verder te kunnen. Anders gesteld: het vergeten van een gitzwart verleden was een noodzakelijke voorwaarde voor de wederopbouw. Die mildheid trof mij.


De auteur laat ook zien dat jongere generaties soms geen boodschap hebben aan dat belaste verleden van hun ouders. Jonge mensen willen verder, een nieuw land opbouwen. Dat was ook één van de redenen van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Maar Europa zal eeuwig belast blijven met de herinnering aan Auschwitz, zo spreekt Judt streng. Zie hier één van de grootste opgaven voor het toekomstige Europa, lijkt mij.



3. Geschiedenis is continuïteit


Het was alsof de wereld helemaal opnieuw opgebouwd moest worden. De wederopbouw als een tweede schepping, een herkansing. Dit is het beeld van de eerste vijf jaren na de Tweede Wereldoorlog. Je zou zeggen: allemaal condities om de geschiedenis opnieuw te laten beginnen. Stunde Null noemen de Duitsers dat. Maar zo werkt dat natuurlijk niet, zelfs niet bij een gebeurtenis die de wereld zo op zijn kop zet. De historische tradities en ontwikkelingslijnen van vóór de oorlog staken gewoon weer de kop op. Judt geeft daar diverse voorbeelden van. Die verschaffen dit boek een prachtige bredere context.


"De bolsjewieken richtten een enorme, permanente schade aan door de Sovjet-Unie los te snijden van zijn banden met de Europese geschiedenis en cultuur. Maar hun achterdocht jegens het Westen en hun angst voor westerse invloeden stonden niet op zich: ze wortelden in slavofiele teksten en praktijken, die ingegeven waren door onbehagen en tot ver voor 1917 teruggingen". (p. 253).



Maar los van die continuïteit zijn er soms natuurlijk ook heuse game-changers in het spel. Zoals de Korea-oorlog van 1949. Een gebeurtenis die ogenschijnlijk los stond van Europa, maar die door wederzijdse beeldvorming de verhoudingen tussen de westerse en communistische landen definitief bevroor. En daarmee het begin van de Koude Oorlog inluidde. Ook het feit dat bepaalde personen het toevallig goed met elkaar kunnen vinden, kan de loop van de geschiedenis een andere wending geven. Zo is de hedendaagse verhouding tussen Slowakije en Tsjechië mede bepaald door het mannenwerk tussen hun beider premiers, Meciar, resp. Klaus.




4. Die Fransen toch!


Het land stond bol van de trauma's. Tussen 1814 en 1940 was Frankrijk maar liefst vijfmaal bezet door de Duitsers. De nederlaag die Hitler de Fransen in 1940 bezorgde was één van de grootste militaire rampen uit de wereldgeschiedenis. Haar regering tijdens de Tweede Wereldoorlog, het Vichy-regime, collaboreerde als wettelijk gezag met de nazi's. Na de oorlog stonden de Fransen doodsangsten uit, bang als ze waren voor een te sterk Duitsland in Europa. Tot overmaat van ramp werden ze ook nog eens als een klein jongetje buitengesloten door de geallieerden. De Gaulle werd gewoon niet uitgenodigd voor overleg. Het enige krediet dat ze hadden was hun positie als koloniale mogendheid. Maar dan! Begin jaren vijftig trok Frankrijk zich aan de haren uit het moeras omhoog. Toonde zich de initiator èn schepper van de Europese samenwerking. Voor alle duidelijkheid: daar lag een welbegrepen eigenbelang aan ten grondslag, de Fransen realiseerden zich maar al te goed dat ze de Duitsers nodig hadden voor steenkool en cokes.






Wat mij trof is dubbelzinnige rol van de Fransen. Want ondanks die voortrekkersrol staan ze later toch weer op de rem. Bij de toelating van Groot-Brittannië, Spanje, Portugal en de voormalige communistische landen en bij de eenwording van Duitsland: altijd maar weer traineren! Gekrenkte trots en vernedering uit het verleden bepalen eeuwenlang het gedrag van de Fransen. Wat allemaal niet wegneemt dat Frankrijk vandaag de dag samen met Duitsland de centrale as van Europa vormt en niet te beroerd is om door de Europese Commissie opgelegde boetes te weigeren.




5. Brexit toch niet zo verrassend


Het boek van Judt is uitgegeven in 2006. Zijn geschiedschrijving eindigt dus aan de vooravond van een aantal gebeurtenissen die de positie van Europa verder onder druk hebben gezet. Zoals: het uitbreken van de krediet- en eurocrisis vanaf 2008, de annexatie van de Krim door president Poetin in 2014, de massale vluchtelingenstroom die Europa vanaf 2015 bereikte, de veelal door islamieten opgeëiste terroristische aanslagen en de Brexit in 2016. Met name die laatste gebeurtenis stort Europa in een existentiële crisis: is dit het begin van het einde van de Europese Unie of leidt het uittreden van de Britten juist tot een revitalisering?


De tijd zal het leren, maar Na de oorlog leerde mij dat het Britse uittreden toch minder verrassend was dan de afgelopen maanden door sommigen is gesuggereerd. Judt laat zien dat de Britten altijd al zeer terughoudend en sceptisch zijn geweest over het Europese project en over hun lidmaatschap van de Europese Gemeenschap (later: Unie). Met de Commonwealth hadden ze wel iets anders aan hun hoofd. Bovendien koesteren zij een diepe angst voor verandering en kennen ze niet het gevoel van een bezetting door een vreemde mogendheid.


"Groot-Brittannië koesterde een stille trots op zijn vermogen om te lijden, te volharden en te overwinnen, en daarin verschilde het van de rest van Europa. Dat gevoel was ook bepalend voor de politieke cultuur van de naoorlogse jaren". (p. 211)


Bij de Brexit kan de Britten dus géén toegenomen populisme of een gebrek aan consistentie verweten worden. Wie Judt had gelezen, was niet verrast geweest.




6. Nederland als een bedenkelijke voetnoot


We staan ons zo graag voor op onze gidsfunctie. Nederland dat moreel voorop loopt in de wereld. Dit boek wijst ons toch weer even fijntjes op onze plaats. Die plaats is een voetnoot in de Europese geschiedenis. Méér niet. Onze naoorlogse premiers worden nergens genoemd, onze inspanningen achter de schermen evenmin. Daar valt op zichzelf mee te leven, we zijn per slot van rekening maar gewoon een klein land. Pijnlijker is dat Judt ons land driemaal wat uitvoeriger onder de loep neemt en dat zijn oordeel even zo vaak niet al te vleiend is.


Tijdens de Tweede Wereldoorlog bestond zowel onder inwoners als bestuur een opmerkelijke bereidwilligheid om aan de deportaties van de joden mee te werken. Bovendien sloten maar liefst 23.000 landgenoten zich als vrijwilliger aan bij de Waffen-ss, het grootste contingent van heel West-Europa. En na de oorlog voelde het gezag er lange tijd weinig voor om de joden tegemoet te komen. Het beeld van Judt is vast onevenwichtig en doet beslist geen recht aan de moedige inspanningen van landgenoten die hun leven in de waagschaal hebben gelegd of zelfs hebben verloren. Maar zijn vileine tussenzinnetjes zoals collaborerende overheden in Nederland en medeplichtig aan genocide door de nazi's laten aan duidelijkheid niets te wensen over.


In het geval van de dekolonisatie van Nederlands-Indie werpt Judt ons een zekere zelfoverschatting voor de voeten. We wilden maar niet inzien dat we een klein en kwetsbaar land zijn.


Uit zijn beschrijving van de Nederlandse rol in de VN-vredesmissie tijdens de Servische moorden op moslims in Srebrenica in 1995 spreekt bepaald geen heldhaftigheid.


"En de Nederlandse regering sprak zijn veto uit over élke vorm van NAVO-acties op Bosnisch-Servische bolwerken tot de Nederlandse soldaten veilig in eigen land waren teruggekeerd" (p.847)


Dit boek dient ons land tot nederigheid te stemmen.




7. Wie waren de helden?


President Gorbatsjov is zijn held. Judt zegt dat niet met zoveel woorden, maar hij komt superlatieven te kort voor zijn rol in het proces van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.


"Door één verandering in te voeren, en daarna een volgende, en daarna weer een volgende, holde Gorbatjov het systeem dat hem groot had gemaakt van binnenuit uit. (...) Dat was een opmerkelijke, nooit eerder vertoonde prestatie" (p. 750)


Om die prestaties vervolgens ook weer meteen in het juiste perspectief te plaatsen. Gorbatsjov was méér strateeg dan tacticus.


"Gorbatsjov kan de eer voor de gebeurtenissen van 1989 niet rechtstreeks opeisen, want het was geen van tevoren beraamd plan en hij doorzag de gevolgen ervan maar zeer gedeeltelijk. Maar hij was wel de oorzaak door het toe te laten en te stimuleren. Het was de revolutie van Gorbatsjov" (p. 786)


Ook zijn bewondering voor president Havel van het voormalige Tsjechoslowakije, kanselier Kohl van West-Duitsland en premier Thatcher van Engeand steekt Judt niet onder stoelen of banken. Havel vanwege zijn kwaliteiten om na het vallen van de Berlijnse Muur in 1989 de stemming bij zijn volk te kanaliseren zonder al te hoge verwachtingen te wekken. Kohl dicht hij de eer toe voor de Duitse hereniging. En de schaal waarop Thatcher in Engeland veranderingen doordrukte, noemt Judt fenomenaal.


Voor mijn gevoel is de historische betekenis van Thatcher nòg groter geweest dan Judt beschrijft. Allereerst zijn de privatiseringen die zij in eigen land invoerde een voorbode geweest van de privatiseringen in de rest van Europa vanaf de jaren tachtig. En daarmee ook van de vergaande neoliberalisering van ons continent en zelfs van de globalisering in de rest van de wereld. Verder is de vraag of Thatcher niet méér eer toekomt voor haar rol bij het herijken van de verhouding tussen staat en particuliere sector. Judt suggereert nu (p. 694) dat die herijking een algemeen proces was tegen de achtergrond waarvan het thatcherisme kon gedijen. Op een andere plaats (p.673) echter spreekt hij van juist háár revolutie waar het gaat om het ontmantelen van staat en markt.




8. Heeft de Europese Unie zitten slapen?


Het blijft voor mij het grootste mysterie in de naoorlogse geschiedenis van Europa.


"Toen het in april 2003 in Athene ondertekende toetredingsverdrag op 1 mei 2004 van kracht werd, groeide de EU in één klap van 15 naar 25 leden (...)" (p. 896)


Judt wijdt er slechts een handjevol pagina's aan. Toch heeft die substantiële en zeer snelle uitbreiding het karakter van de Unie ingrijpend gewijzigd. De Europese Unie kreeg er tien nieuwe postcommunistische staten bij. Wat is er toen precies gebeurd? Waarom heeft toen niemand gewezen op de risico's van die dynamiek? Als we Judt mogen geloven, moeten we er niet te veel achter zoeken. Er was angst voor het wegglijden van die landen in ondemocratische richting en Europa wilde hen niet in onzekerheid laten. De Europese leiders hadden bovendien wel wat anders aan hun hoofd, bijvoorbeeld de oorlog in Joegoslavië. Niemand nam de uitbreiding echt serieus en dus was men wel verplicht om de aanvragen van tien prille democratieën te accepteren.


Europa heeft zitten slapen, de geschiedenis heeft zich hier verslikt.





9. Wie was die man?


Het lezen van dit boek was een buitengewone ervaring. Na de oorlog lag op de stapel te lezen boeken voor de zomervakantie. Vervolgens gebeurde iets wat ik nooit eerder heb meegemaakt: mijn belangstelling voor de streek waar wij op vakantie waren (Toscane, toch niet zo maar een regio in Europa) verdampte. Ik was ondergedompeld in het naoorlogse Europa. Oceanisch, inderdaad. Wie is de auteur die een dergelijke ervaring teweeg kan brengen?


Tony Judt was een Brits historicus, geboren als kind van Joodse ouders. Hij groeide op in het door bombardementen en voedseltekorten gehavende Londen. Vanwege de Israëlische houding jegens de Arabieren brak hij met het zionisme. Ook keerde hij zich af van het marxisme en andere linkse ideologieën. En of dat nog niet genoeg was, had hij nog méér doelwitten: de studentenopstanden in 1968 en de op economische groei gerichte neoliberale samenleving. Judt beschouwde zichzelf als een universalistisch sociaal-democraat. Zijn werk riep in wetenschappelijke kringen minder wrevel op dan in het publieke debat (https://nl.wikipedia.org/wiki/Tony_Judt).


Van die antipathie jegens linkse ideologieën heb ik weinig gemerkt. Of in elk geval geen last van gehad. De enige persoonlijke antipathie waar ik Judt op kon betrappen, was zijn afkeer van de naoorlogse architectuur. Daar moet hij echt niets van hebben. Maar daaraan heb ik mij evenmin gestoord.


Mijn enige echte kritiekpunt op Judt betreft zijn optimisme over Europa. Ik vraag mij af waar dat op gebaseerd was. Het is natuurlijk wat al te makkelijk om hem in dit licht de hierboven genoemde ontwikkelingen die Europa onder druk zetten, voor de voeten te werpen. Maar Judt rept over Europa als een verzameling waarden en een samenlevingsmodel. Dat laatste zou staan voor een brede consensus over de verplichting van de staat om burgers te beschermen tegen onfortuinlijke gebeurtenissen en tegen de markt. Ook zou dat model blijk geven van een zeker evenwicht in sociale rechten, burgerlijke solidariteit en collectieve verantwoordelijkheid. Hoe kon Judt in 2006 een dergelijke uitspraak voor zijn rekening nemen met zeker tien zéér jonge democratieën in de Unie? De postcommunistische staten hebben niet of nauwelijks een traditie in het opbouwen van een dergelijk evenwicht. Daar zijn enkele generaties voor nodig.
 
Tot slot. Judt heeft wel het verwijt gekregen zich te verliezen in details (http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6858/na-de-oorlog-geschiedenis-van-europa-sinds-1945.html). Ik herken die overvloed wel, maar had daar evenmin last van. Zoals het detail op pagina 438: in 1965 mocht 62 procent van alle Franse 16- tot 24-jarigen die nog bij hun ouders woonden hun loon houden en naar eigen inzicht uitgeven. Overbodig inderdaad, maar prettig overbodig!




10. Hoe nu verder met Europa?


De hamvraag tot slot. Net zo min als ik mij heb gewaagd aan een samenvatting van Judt's boek, waag ik mij aan een antwoord op deze vraag. Wel heeft het lezen van dit boek mij een aantal inzichten opgeleverd die ik moeiteloos durf te extrapoleren. Het belangrijkste inzicht is zonder meer dat gevoelens van vernedering en gekrenkte trots -hoe lang geleden ook ontstaan- zeer belangrijke drivers in de geschiedenis zijn. Het voorbeeld van de Duitse vernedering na het sluiten van de Vrede van Versailles in 1919 en de mede hieruit voortgekomen ellende, is genoegzaam bekend. Het effect van de Franse krenkingen is hierboven reeds beschreven.


In dit licht maak ik mij zorgen over de gevoelens van de Russen en de positie van Europa. De snelheid waarmee het Russische imperium is verdampt, is duizelingwekkend. De effecten hiervan zullen nog vele decennia zo niet eeuwen, na-ijlen. Het is dan ook de vraag in hoeverre de annexatie van de Krim slechts een eenmalige volkenrechtelijke faux pas is geweest dan wel een voorbode van verdergaande Russische ambities. Judt heeft er een paar onheilspellende zinnetjes over.


"De Sovjets zelf raakten hun wantrouwen jegens het Westen nooit kwijt" (p. 142)


"De wens om iets van het internationale 'respect' terug te winnen was een belangrijke drijfveer in het buitenlands beleid van het Moskou van na de Sovjet-Unie (...)" (p. 860)


"Op de wat langere termijn werpen de nabijheid, de omvang en het bezit van ongeëvenaarde hoeveelheden fossiele brandstoffen van Rusland natuurlijk wel een schaduw over het energiearme Europese continent (...) Vooralsnog zochten het Russische gezag en veel gewone Russische staatsburgers in Europa vooral 'respect' ". (p.946 - 947)


foto achterzijde boek



Paul Strijp, 12 augustus 2016

zondag 1 mei 2016

Saskia Sassen schetst in Uitstoting een apocalyptisch beeld van onze wereld



BOEK
Saskia Sassen  Uitstoting. Brutaliteit & complexiteit in de wereldeconomie. Acco, Leuven, 2015.


Kolken in oceanen die stijf staan van de chemicaliën uit plastic. Het vierde grootste zoetwaterreservoir ter wereld, het Aral-meer in Azië, dat door droogte als gevolg van de klimaatverandering geslonken is tot 10% van zijn oorspronkelijke volume. 6,5 miljoen Bengalen die als gevolg van diezelfde klimaatverandering op de vlucht zijn. En wereldwijd een toename van het aantal zelfmoorden en opsluitingen. Na het lezen van dit boek moest ik denken aan mijn collega Kees. Kees is diepgelovig en heeft een encyclopedische kennis van de Bijbel. Onlangs vertrouwde hij me toe: "Paul, de mens zorgt ervoor dat de wereld ten onder gaat. Het staat in de Bijbel, echt waar". Hoewel hij die niet nodig heeft, levert Saskia Sassen de wetenschappelijke bewijzen voor de religieuze overtuiging van mijn collega Kees.





`





Sassen laat zien hoe de economie vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw wereldwijd fundamenteel van karakter veranderde. Waar die economie zich vóór die tijd kenmerkte door insluiting, kwam daar na die tijd uitstoting voor in de plaats. Uitstoting van burgers en van het leven op aarde. Nogmaals: wereldwijd. Amerika verschilt in dit opzicht volgens Sassen niet van Rusland.`

Haar verdienste met dit boek is tweeërlei. In de eerste plaats beperkt Sassen zich niet tot observaties of louter empirische vaststellingen. Neen, zij graaft dieper en is voortdurend op zoek naar onderliggende processen en dynamieken. Wat is er -ondanks de verschillende verschijningsvormen van die processen en dynamieken- wereldwijd nu ècht aan de hand? En in de tweede plaats laat zij zien dat het reguliere vocabulaire niet meer volstaat als aanduiding voor die onderliggende processen. Doet een door Piketty gebezigde term als ongelijkheid wel voldoende recht aan de brutaliteit van wat vandaag de dag wereldwijd gaande is? Het antwoord van Sassen laat zich raden. Zij stelt er een alternatief vocabulaire voor in de plaats. Met als centrale notie: uitstoting. Voor de goede orde: uitstoting betekent barbaarse selectie. Sic!


Uitstoting overal

Die uitstoting is overal gaande. Sassen beschrijft de ontwikkelingen in een drietal domeinen: 1. de wereldeconomie en het bijbehorende financiële systeem 2. de mondiale markt voor grondbezit en 3. de wereld van wateronttrekkingen en ontginningen van grondstoffen. Drie compleet verschilende domeinen met verrassend gemeenschappelijke onderliggende dynamieken.


In de wereldeconomie en het financiële systeem wordt het 'gewone' extreem. Een min of meer normale economie als die van Griekenland of Spanje kan tegenwoordig razendsnel in zijn tegendeel verkeren. De middenklasse in andere landen, nu nog vaak gehuisvest in woningen met torenhoge schulden, loopt volgens Sassen het risico in eenzelfde extreme situatie van armoede terecht te komen. Een beperkt aantal ondernemingen legde de hand op een stelsel van rommelhypotheken en ging globaal. De kapitaalmarkt kreeg daardoor toegang tot miljarden huishoudens voor wie de gevolgen catastrofaal waren. 35 miljoen mensen werden getroffen door een uithuiszetting.

De mondiale markt voor grondbezit vertaalt zich in landacquisities. Deze zijn gericht op de toenemende vraag naar gewassen zoals palm voor biobrandstof en worden vaak mogelijk gemaakt door de herstructureringsprogramma's van het IMF en de Wereldbank. Sassen is hier buitengewoon kritisch op. Die programma's zetten volgens haar de nationale regeringen buitenspel vanwege de verplichte schuldaflossing en hebben desastreuze gevolgen voor bijvoorbeeld de boeren. Die lijden massaal honger. Grote traditionele economieën gaan ten onder, nationale grondgebieden worden onderdeel van internationale bedrijfsnetwerken.


Aan de hand van diverse casus in verschillende landen laat Sassen zien dat de wateronttrekkingen en ontginningen leiden tot de vernietiging van land, lucht en water. Overal en onafhankelijk van de staatsvorm. De auteur laat er evenmin twijfel over bestaan dat de temperatuurstijging wereldwijd onmiskenbaar is en dat die stijging hoofdzakelijk te wijten is aan menselijke handelingen of nalatigheid.


De rode draad in al deze domeinen? Barbaarse selectie!




Afbeeldingsresultaat voor saskia sassen







En de situatie in Nederland?

En passant besteedt Sassen, Nederlandse van geboorte, ook aandacht aan de situatie in ons land. Het beeld is niet onverdeeld negatief of positief.

In Europees verband scoort Nederland relatief gunstig op de lijst van armoede en sociale uitsluiting. Het armoederisico in de periode 2008 - 2011 is één van de laagste in Europa. Alléén Tsjechië, Noorwegen en IJsland scoren beter. Dat neemt niet weg dat Sassen - ietwat terloops maar daarom niet minder onheilspellend- ons land in één adem noemt met landen als Portugal en Spanje. Volgens haar gaat het herstel van de economie in die landen, niet in de laatste plaats door de opgelegde bezuinigingsprogramma's, over de rug van een groot deel van de beroepsbevolking.

"Dat herstel was afhankelijk van beslissingen die een sterke stijging veroorzaakten van de armoede, van het aantal kinderen die in kerken achtergelaten werden omdat hun ouders te arm waren om ze nog te eten te geven, en van het aantal suïcides." (p. 253)


Ademloos en vol bewondering

Mijn kritische noties op dit boek zijn minimaal. Ik heb dit boek ademloos en vol bewondering gelezen. Ik stond erbij en keek ernaar. Eigenlijk heb ik alleen wat gefronste wenkbrauwen bij het hiervoor weergegeven citaat. En blijf ik met een vraag zitten die te maken heeft met de actualiteit rondom de wereldwijde klimaatonderhandelingen. Eerst maar eens die gefronste wenkbrauwen.


Waarop baseert Sassen het onder één noemer scharen van ons land met Portugal en Spanje? Een bronvermelding laat zij achterwege. Er worden -voor zover ik weet- in Nederland geen kinderen in kerken achtergelaten en Sassen maakt zelf melding van de -zij het wat gedateerde- gunstige score van ons land ten aanzien van armoede. Dat neemt niet weg dat volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek het aantal zelfmoorden tussen 2007 en 2013 (zeg maar: tijdens de crisisjaren) naar recordhoogte steeg: van 1353 naar 1854 per jaar.


Verder bleef ik met één vraag zitten. Het boek van Sassen dateert van net vóór het klimaatverdrag van Parijs van december 2015. Op pagina 245 schrijft zij: "De huidige maatregelen die vele regeringen vandaag nemen, zullen niet volstaan om die klimaatverandering tegen te houden". Zou zij deze zin gehandhaafd hebben als ze haar boek na december 2015 geschreven had?


Is de wereld nog te redden?

Dat is de vraag waar de lezer na het lezen van dit boek onvermijdelijk mee blijft zitten. Wie of wat keert de allesverwoestende krachten van de onzichtbare en onpersoonlijke mondiale netwerken van markten, technologieën en overheden? Voor die netwerken heeft Sassen een prachtige benaming: roofzuchtige formaties. Zelf waagt zij zich wijselijk niet aan een begin van een antwoord op deze vraag. Zij trakteert de lezer slechts op een overstelpende hoeveelheid empirisch materiaal met een bijna niet te weerleggen bewijskracht.

In een nawoord bij dit boek doet Dirk Holemans nog een poging. We leven in een wereld zonder democratie, stelt hij. Die wereld heeft behoefte aan een sociaal-ecologische strijd. Holemans gelooft in de collectieven. Initiatieven zoals die nu bijvoorbeeld zichtbaar zijn in de energiecoöperaties en de landbouw. Die doen de grote ondernemingen in die sectoren op hun grondvesten wankelen en hebben dus een disruptief potentieel. Maar Holemans verzucht tegelijkertijd: rijken hebben nog nooit vrijwillig hun privileges afgestaan. Die verzuchting doet vermoeden dat de aarde alléén nog door een revolutie te redden is.

Mijn collega Kees zal het allemaal met een glimlach aanhoren.


Paul Strijp, 1 mei 2016

woensdag 3 februari 2016

Na Het geheim van de Laatste Staat rest het geheim van de verbintenis van Paul Frissen en Evgeny Morozov


BOEK
Paul Frissen  Het geheim van de laatste staat. Kritiek van de transparantie. Boom. Amsterdam, 2016.


Zijn boodschap is even eenvoudig als paradoxaal. Elk mens heeft geheimen nodig om een beetje interessant leven te kunnen leiden. Zonder die geheimen is zijn vrijheid in het geding. En om die vrijheid van u en mij te beschermen heeft ook de staat geheimen nodig. In een indrukwekkend betoog verweeft Frissen deze boodschap met de rest van zijn oeuvre. Dat oeuvre wordt gedragen door de gedachte dat de staat maximale terughoudendheid moet betrachten in haar bemoeienis met de burger. Dat geldt óók voor haar geheimen: die mag de staat alléén koesteren als de democratische rechtsstaat of de staatsveiligheid gevaar loopt. Te vuur en te zwaard bestrijdt hij de vanzelfsprekendheid van de notie Wie niet transparant durft te zijn, heeft iets te verbergen. Zonder dat hij er melding van maakt, toont Frissen een zeer sterke verwantschap met de Wit-Russische publicist Evgeny Morozov. Wat is het geheim van de verbintenis van die twee?


Uiteindelijk is het natuurlijk allemaal de schuld van de Verlichting. Toen sloten de menselijke vrijheid en de menselijke beheersing een monsterverbond. Een verbond om op grond van de feiten alles te willen weten, elk geheim te onthullen en daarmee vrij te zijn. En om daarmee tevens controle en overzicht te kunnen houden. Frissen laat zien dat van dat verbond een enorme sociale en normerende werking uitgaat: als we alles kùnnen weten, dan wìllen we ook alles weten. Dat is de onderliggende waarde van de hedendaagse neurose naar transparantie.




Frissen beschrijft hoe die neurose zich vandaag de dag manifesteert. Dat doet hij allereerst aan de hand van een aantal klassieke en huiveringwekkende romans. Daarin heeft de transparantie de mens juist van haar vrijheid beroofd. Ook biedt hij een kijkje in de keuken van onze geheime diensten. Hoe functioneren die, met welke dilemma's worstelen zij? Dat levert een prachtig en soms schokkend beeld op. Bijvoorbeeld als je je realiseert dat die diensten beschikken over het geheime wapen van het verraad. Ga eens even na. De spionnen van onze staat zijn er willens en wetens op gericht om anderen tot verraad aan te zetten omwille van de bescherming van de vrijheid van haar brave burgers.



Als een Hans van Mierlo



Door het hele boek strooit Frissen kwistig met paradoxen. Wijlen Hans van Mierlo zou er zijn vingers bij afgelikt hebben. Je zou er bijna een werkwoord van maken: Frissen paradoxeert onophoudelijk. Dat doet hij niet alleen maar omdat de paradox een interessante stijlfiguur is. Neen, hij laat zien dat de staat baat heeft bij schijnbare en juist niet bij ware tegenstellingen. Schijn speelt een belangrijke rol in zijn redeneringen. Zoals ook symbolen, rituelen en taboes dat doen. Die hebben we allemaal nodig om het verkeer tussen burger en staat, waarbij de grondrechten soms genadeloos worden geschonden, niet in alle naaktheid te etaleren maar juist soepel te laten verlopen.


Spiritualiteit boven wetenschap


Het interessants is Frissen als hij de rol van wetenschapper verre van zich werpt. Als hij zich -excusez le mot- als mens laat zien en de lezer deelgenoot maakt van zijn mysterieuze ervaringen. Op die momenten krijgt zijn werk licht spirituele trekken en treedt zijn katholieke achtergrond heel even aan de oppervlakte.


"En wie getuige is van zwangerschap, geboorte en dood, zal meer dan eens de adem in de keel stokken bij zoveel onbegrijpelijkheid en onverklaarbaarheid. (...) Wie alles weet, is definitief uitgepraat."


Hoe kan dat?

En toch. Bij alle euforie en opwinding bleef ik na lezing met een merkwaardig gevoel zitten. Een gevoel van herkenning: waar heb ik dit allemaal eerder gelezen? Frissen verwijst royaal naar gezaghebbende buitenlandse auteurs als Berlin, Han en Schmitt. Maar de lezer zoekt tevergeefs naar een verwijzing naar de Wit-Russische publicist Evgeny Morozov en in het bijzonder naar zijn boek Om de wereld te redden, klik hier (De Wereld, Tilburg, 2014). Net zo min overigens als Morozov in dat boek Frissen ten tonele voert. De verwantschap tussen beiden is frappant.


"Imperfectie, ambiguïteit, vaagheid, wanorde, de mogelijkheid om u te vergissen, te zondigen en de verkeerde dingen te doen: deze zaken maken allemaal onderdeel uit van de menselijke vrijheid" (Morozov, pagina 14). Deze zin had zó in een boek van Frissen kunnen staan.






"... iemands tijdelijke eetstoornis, is bij uitstek een privéaangelegenheid: hoe minder er over gezegd wordt, hoe beter" (Morozov, pagina 17)
"... handelen tegen het eigenbelang in, niet gezond maar ongezond willen leven, dat alles is ook vrijheid. Er is een fundamenteel recht op vetzucht, zogezegd." (Frissen, pagina 97).






"Hoewel internetcentristen het graag zo voor willen stellen dat de door het internet mogelijk gemaakte openheid ons een levendiger en verantwoordelijker openbaar leven op zal leveren, staat dat nog lang niet vast" (...) Maar betekent een stap terug voor een open overheid ook een stap terug voor de Argentijnse politiek of democratie?" (Morozov, pagina 83, 89).
"...transparantie hoort volgens velen bij de democratie. (...) "De verbintenis tussen transparantie en democratie is om verschillende redenen echter minder vanzelfsprekend dan in de meeste democratietheorieën wordt verondersteld". (Frissen, pagina's 38, 45)






"In ons enthousiasme voor de immense potentie van de nieuwe technologieën om meer openheid en transparantie te verkrijgen, dreigen we het zicht te verliezen op de in wezen politieke aard van de zaken waar die technologieën mee bezig zijn'. (Morozov, pagina 116)
"Ook het actuele vertoog over de smart city berust op een ongebreided techno-optimisme dat in zijn politieke naïviteit gevaarlijk is. Het combineert maakbaarheidsmegalomanie met een miskenning van machtsverhoudingen die in alle databestanden versleuteld zijn".  (Frissen, pagina's 49-50)






"Maar bij al die fouten spelen partijen een belangrijke -en vaak onzichtbare- rol in het redelijker en creatiever maken van de politiek. Ze reguleren twisten, bemiddelen bij beraadslagingen en zetten hun gewicht in bij belangrijke zaken". (Morozov, pagina 134)
"Het verlangen de representatie op te heffen is de populistische kant van transparantie". (...) De zucht naar transparantie die de laatste jaren in alle domeinen is doorgedrongen kenmerkt zich door een verafschuwing van elke bemiddeling". (Frissen, pagina 87, 235)






"Maar politiek gedijt bij middelmatigheid (...) Als onderhandelen altijd tot een win-win-situatie zou leiden, zou politiek niet nodig zijn" (Morozov, pagina 136)
"Voor de concrete, dagelijkse politiek gaat het om prudentie, proportionaliteit, bescheidenheid, oordeelsvermogen, tolerantie en kosmopolitisme. Deze deugdenethiek formuleert de eis van voortreffelijkheid (...) Deze voortreffelijkheid is altijd een midden tussen twee uitersten." (Frissen, pagina 259)






"Een project (...) lijkt een model van de politiek te omarmen dat ervan uitgaat dat hypocrisie, inconsistentie en dubbelzinnigheid in wezen slecht en schadelijk is voor goede politiek (...). Maar is dat wel zo? (...) Ze zorgen ervoor dat het politieke proces kan functioneren; zonder deze "ondeugden" zal er iets belangrijks zijn verdwenen. (...) Hypocrisie, leugenachtigheid en dubbelzinnigheid hebben allemaal een aantal belangrijke supporters (...)" (Morozov, pagina 141)
"In de transparante samenleving is alles duidelijk, omdat alles eenduidig is. Er is geen ambivalentie, geen mysterie en geen dubbelzinnigheid (...) (Frissen, pagina 82)






"Is er echt geen ruimte voor schijn in de omgang met elkaar en met onszelf? Kan schijn (...) niet productief zijn in het handhaven (...) van een moreler leven?" (...) Maar misschien moeten we ons eigen streven naar authenticiteit opgeven en accepteren dat inauthenticiteit niet altijd slecht is (...)?" (Morozov, pagina 292, 336)
"Een bestaan zonder schijn is gruwelijk in zijn saaiheid" (...) "De droom van de transparantie berust op het verlangen alle geheimen te onthullen en de wereld te doorzien. Gee facade meer, geen schijn, geen maskerade". (Frissen, pagina 18, 52)






"Al deze pogingen om de menselijke situatie te verbeteren (...) zijn een teken dat Silicon Valley niet tegen onvolmaaktheid kan (...) Als onvolmaaktheid het gevolg is van een weloverwogen besluit van een democratisch geleide gemeenschap, dan hoeven we die niet te elimineren (...)" (Morozov, pagina 332). Deze zinnen tonen verwantschap met het boek De Fatale Staat van Frissen (2013).






Hoe kan dat? Morozov immers acteert nadrukkelijk ook in Nederland (zie: http://tegenlicht.vpro.nl/afleveringen/2011-2012/evgenymorozov.html , https://zoeken.nrc.nl/?q=Evgeny+Morozov&sort=date ) Kennen die twee elkaar niet? Of nemen ze elkaar misschien niet serieus?


Kan de staat de informatiemonsters temmen?


Wat zouden ze elkaar veel te bieden hebben! Waar Frissen tekeer gaat tegen een al te enthousiaste informatiepositie van de staat, houdt Morozov een tirade tegen de ongebreidelde honger van de Facebooks, de Googles en de Twitters van deze wereld om alles van hun gebruikers te weten te komen. En zoals Frissen zelf stelt: in de technologische maatschappij zijn prominente rollen weggelegd voor staat, burgers en bedrijven. Je zou zelfs kunnen zeggen: juist om de geheimen en dus de vrijheid van de burger te beschermen is er voor de staat alle reden om zich niet alléén te bezinnen op haar eigen positie ten opzichte van die burger. Over die positie handelt de reflectie van Frissen. Er is minstens zo veel reden voor een grondige bezinning van de staat ten opzichte van die bedrijven. Welk publieke waarden en belangen vertegenwoordigen zij, bijvoorbeeld met hun algoritmen? Algoritmen zijn de geheime formules waarmee Google bepaalt hoe hoog internetberichten op de zoeklijsten verschijnen. Daarmee zou Google - zo wordt wel eens beweerd- invloed kunnen uitoefenen op verkiezingscampagnes.


Een prachtige paradox: hoe kan een overheid die de grootste moeite heeft om zichzelf te disciplineren in haar gulheid om informatie van de burger te vergaren, met recht deze informatiemonsters temmen?


Officieel verzoek aan de heer Frissen


Ik zie een vruchtbare samenwerking tussen twee heren voor me. Frissen kondigt aan dat zijn volgende boek over het taboe zal gaan. Ik verzoek hem hierbij officieel om éérst samen met Morozov een boek te schrijven over de ingewikkelde driehoeksverhouding van staat, burgers en bedrijven.


Maar voorshands rest het geheim: kennen ze elkaar of niet, Frissen en Morozov?




Paul Strijp, 3 februari 2016




P.S. Voor mijn boekbespreking van De Fatale Staat van Paul Frissen: http://boekbesprekingenpaulstrijp.blogspot.nl/search?updated-min=2013-01-01T00:00:00-08:00&updated-max=2014-01-01T00:00:00-08:00&max-results=6

donderdag 7 januari 2016

Als een Kierkegaard op de fiets schrijft Hans Boutellier Het seculiere experiment



BOEK

Hans Boutellier  Het seculiere experiment. Hoe we van God los gingen samenleven. Boom, Amsterdam, 2015.


Heeft de ontkerkelijking ons land in een chaos gestort? Neen, betoogt Boutellier. Wèl heeft de ontkerkelijking geleid tot angst om in die chaos te belanden. Om die angst het hoofd te bieden hebben we met elkaar een immense veiligheidsindustrie gecreëerd. Het verlangen naar veiligheid en geborgenheid heeft daarmee de plaats ingenomen van religie. Door de ontkerkelijking is er ook een grenzeloze vrijheid ontstaan die op haar beurt weer de voedingsbodem vormt voor ethnische conflicten. Boutellier lijkt zelf ook last te hebben van die vrijheid, hij 'snakt' naar een groot verhaal. Maar omdat dat er nu eenmaal niet meer is, zoekt hij zijn heil in socratisch zelfonderzoek en in 'flitsen van gemeenschappelijkheid'. In het gesprek dus.


Boutellier liep al zo'n vijftig jaar rond met een opmerking die zijn vader ooit maakte. Als niemand meer in God gelooft, dan wordt het een zooitje, jongen.  Die opmerking heeft hem nooit losgelaten. Tijdens een fietstocht naar Rome stelde hij zich dan ook de vraag: is dat nu zo, wat mijn vader indertijd beweerde? Iets academischer geformuleerd: kan de moraal ook zonder God worden gefundeerd?



Waar gaat u heen, mijnheer Boutellier?

Die fietstocht moet hem goed hebben gedaan. Dat kan niet anders, want het boek leest als een geestverruimende ervaring. Boutellier haalt ontzettend veel overhoop en presenteert talloze interessante en lezenswaardige gedachten. Allemaal intellectuele hoogstandjes zogezegd. Tezelfdertijd schuilt in die veelheid ook de zwakte. Het kost nogal wat moeite om de rode draad in het betoog te ontwaren. Als lezer vraag je je voortdurend af: waar gaat dit heen?


Kierkegaard op de fiets

Uiteindelijk zou je die rode draad als volgt kunnen samenvatten.

Het proces van ontkerkelijking heeft in ons land niet geleid tot chaos en evenmin tot het verdwijnen van de religie. Integendeel, religie is taaier dan we denken. Die blijft in talrijke varianten bestaan. Wel heeft dat proces geleid tot het wegvallen van elk houvast. Er is volgens Boutellier een grenzeloze vrijheid ontstaan waarin we het allemaal zelf maar moeten uitzoeken.

"(...) We zijn vrij om te bepalen wat we willen, maar we moeten iets vinden zonder te weten waar we naar zoeken."

Bij het beschrijven van die vrijheid doet Boutellier soms aan een existentialist denken. Aan Kierkegaard bijvoorbeeld. Die kon het duizelingwekkende van onze vrijheid ook zo mooi en adembenemend verwoorden.

Maar die vrije ruimte en de twijfel die daaraan inherent is, is niet probleemloos. Boutellier laat zien dat sommige islamieten en fundamentalisten er maar moeilijk mee uit de voeten kunnen. Daardoor biedt die vrijheid ook een voedingsbodem voor ethnische conflicten. Die leiden tot angst. Om die te beteugelen hebben we een ongebreidelde veiligheidsindustrie in het leven geroepen en een dito veiligheidsobsessie voor onszelf gecreëerd.




Dit boek is zeer lezenswaardig. Behave op de rode draad heb ik eigenlijk maar op één ander punt kritiek: sommige hoofdstukken roepen hier en daar vragen op.


Een beetje zouteloos

Om de opmerking van zijn vader te kunnen 'toetsen', presenteert Boutellier vijf zogeheten veldstudies in vijf verschillende hoofdstukken. Die studies zijn verkenningen waarin hij de stand van zaken opmaakt in een bepaald maatschappelijk domein. Zo schrijft hij over de criminaliteit, de surveillance ofwel de veiligheid en over de pornografie. Die studies dragen alle materiaal aan waarmee die vaderlijke opmerking op waarde kan worden geschat. Dat is niet het geval met de studies over de superdiversiteit en de sociale wetenschap.

Het hoofdstuk over de superdiversiteit is nogal zouteloos. Te veel opmerkingen waarvan je denkt: tja, wat moeten we ermee? Een paar voorbeelden.


"Het beeld van superdiversiteit kan dat van een integrerende eenheid vervangen, maar maakt de problemen niet minder groot. Ze zijn net zo rijkgeschakeerd als de samenleving divers is" (pagina 135)

"Het besturen van verschillen betekent per definitie variatie in beleid naar probleem en groep" (pagina 138)



"Het onderscheid tussen algemeen en specifiek beleid is vanuit een pragmatisch perspectief te simpel. Wat vooral telt, is dat we als samenleving verder moeten; het is het sterktste motief bij de oplossing van conflicten en het benutten van kansen"  (pagina 141)

Het hoofdstuk over de sociale wetenschap is interessant, vooral waar het gaat om haar waarheidsaanspraak. De wetenschap heeft tegenwoordig geen monopolie meer. Integendeel, zij moet zich voortdurend verantwoorden ten opzichte van belanghebbenden en participeren in een proces van consensusvorming. Maar wat kan de vader van Boutellier hiermee? Dit hoofdstuk staat erg op zichzelf en maakt een nogal geïsoleerde indruk.


En toch ...

En toch, deze kritiek valt in het niet bij de totale waarde van dit boek. Boutellier worstelt met onze moderne tijd en 'snakt' naar een groter verhaal dat hem houvast biedt. Als lezer voel je de spanning. De auteur analyseert koeltjes dat de grote verhalen vandaag de dag ontbreken. Maar de inkt van zijn analyse is nog niet droog of je voelt evenzeer dat hij als mens zo'n verhaal wel nodig heeft. Hij zoekt zijn heil dan ook in flitsen van gemeenschappelijkheid en overstijgende momenten die het gesprek gaande houden. Alleen die noties al, prachtig! We moeten elkaar bevragen over datgene wat voor ons van waarde is. Boutellier pleit dus eigenlijk -zonder dat met zoveel woorden te benoemen- voor een forse herwaardering van het socratisch zelfonderzoek.

Dat alles geeft Boutellier iets kwetsbaars en dat is mooi. Die fietstocht is niet voor niets geweest. Benieuwd wat zijn vader ervan zou vinden.


Paul Strijp, 7 januari 2016