Translate

maandag 30 december 2024

Interessante bespiegelingen kunnen niet verhullen dat Tom van der Meer in 'Waardenloze politiek' een deus ex machina aandraagt voor de problemen die hij signaleert


BOEK

Tom van der Meer. Waardenloze politiek. Hoe de Nederlandse politiek de kunst van het conflict verloor. Querido Facto. Amsterdam - Antwerpen, 2024. Eerste, tweede (e-boek) en derde druk.


Voor Hongaarse toestanden hoeven we in Nederland volgens de auteur niet bang te zijn. Ons kiesstelsel voorkomt dat één minderheid op democratische wijze de meerderheidsmacht verkrijgt. Ook voor het overige toont hij zich overwegend optimistisch. De democratie in Nederland functioneert veel beter dan we zelf vaak denken. Dat neemt niet weg dat Van der Meer wel degelijk zorgen heeft. De belangrijkste betreffen de crisis van de politieke middenpartijen. Die zijn niet meer in staat om 'politiek ruzie' te maken. Van der Meer richt zich na een eerder boek uit 2017 nogmaals tot die partijen. Maar dit nieuwe pleidooi is niet overtuigend. Gedragsverandering zou de oplossing voor de problemen moeten zijn. Maar die route werkt hij in het geheel niet uit, die verschijnt als een deus ex machina in zijn laatste hoofdstuk. Dat neemt niet weg dat zijn boek zeer lezenswaardig is. En door de afrekening met tal van vooroordelen ervoor zorgt dat je anders naar de hedendaagse politiek gaat kijken.






Over de auteur en zijn oeuvre

Tom van der Meer, geboren in 1980, is als hoogleraar politicologie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar de wisselwerking tussen burgers en de politiek en richt zich op thema's zoals kiesgedrag, politiek vertrouwen, politieke partijen en kiesstelsels. In 2017 publiceerde hij het boek Niet de kiezer is gek. Daarmee won Van der Meer de Prinsjesboekenprijs voor het beste politieke boek van dat jaar.

De overeenkomst tussen dat en het hieronder te bespreken boek is de optimistische grondtoon. In beide werken stelt Van der Meer dat de democratie in Nederland uitstekend functioneert, dat het vertrouwen in die democratie groot is en dat de kiezer in ons land is gaan doen wat van hem of haar gevraagd wordt: kiezen. Dat neemt niet weg dat hij in 2017 al een waarschuwing in petto had. Het politieke midden bewandelde volgens hem een doodlopende weg. Door zonder enige profileringsdrang deel te nemen aan diverse meerderheidscoalities. In Waardenloze politiek neemt Van der Meer de politieke ontwikkelingen van de laatste zeven jaar onder de loep. Wat is er sindsdien gebeurd?


Niets geleerd

Van der Meer bouwt zijn boek op volgens het klassieke schema voor het houden van presentaties: tell them what you gonna tell them, tell them, tell them what you've told them. Het voordeel van deze opbouw-in-drieën is dat de kernboodschap er eindeloos in gesleten wordt, het nadeel is dat je je als lezer regelmatig afvraagt hoe vaak je iets nu al  gelezen hebt.

En om dan maar meteen met zijn kernboodschap te beginnen. Welnu, het politieke midden heeft volgens Van der Meer niets geleerd van zijn waarschuwing uit 2017. Zij is die doodlopende weg doodleuk blijven bewandelen. Met als gevolg dat het politieke midden verder is verzwakt, de versplintering van de politiek heeft doorgezet en het moeilijk is om nieuwe alternatieven te bieden. Toch zit de auteur niet bij de pakken neer, hij doet met dit boek een nieuwe poging om de middenpartijen en daarmee de democratie de weg te wijzen.


Futloze politiek

Het voordeel van de opbouw van zijn boek is dat zijn eerste hoofdstuk samenvattend van aard is en meteen de gehele verhaallijn omvat. Die luidt als volgt.

Elf jaar lang, van 2012 tot 2023, heeft Nederland brede middencoalities gehad. Dat wil zeggen coalities die gevormd werden door het CDA, de CU, D66, de PvdA en de VVD. Partijen aan de flanken werden zorgvuldig buitengesloten. Ons land is hierdoor politiek alternatiefloos, je zou bijna zeggen futloos, geworden. Er sloop namelijk een grondtoon van onvermijdelijkheid in de politiek, een sfeer van we moeten wel, als politiek hebben we niets te kiezen. Uitspraken van rechters, adviezen van commissies en internationale verdragen werden leidend. Het beleid werd -wat Van der Meer noemt- technocratisch.

Dit mechanisme stortte de middenpartijen in een crisis. Waarom? Omdat zij onderling uitwisselbaar werden. Deze partijen waren vooral bezig om zich aantrekkelijk te maken voor een zo breed mogelijke achterban. En hielden hun onderliggende waarden, datgene waar ze echt voor staan, voor de kiezer verborgen. Zo ze die waarden al hadden. De kiezer op zijn beurt zocht zijn heil bij de BBB, NSC en de PVV. Deze crisis van de middenpartijen zet volgens de auteur ook meteen  de democratie als geheel onder druk. Hoewel hij deze relatie tussen middenpartijen en democratie maar mondjesmaat uitwerkt, schieten we naar zijn mening op drie punten tekort. Namelijk leiderschap, het scherp neerzetten van de inhoud van het conflict en het vermogen om het conflict in de politieke arena te agenderen.

In de rest van het boek werkt Van der Meer deze verhaallijn uit. Drie zaken vallen daarbij op.




foto auteur aan achterzijde boek


Naar het rijk der fabelen

Allereerst dat Van der Meer afrekent met allerhande vooroordelen. Waardoor je toch anders gaat kijken naar de alledaagse politiek die ons via de media wordt voorgeschoteld. Dat is een verfrissende ervaring.

Zo verwijst hij de opvatting dat er in ons land een crisis in het vertrouwen in de politiek zou bestaan, naar het rijk der fabelen. Niet waar, zegt hij, dat vertrouwen is in ons land juist veel hoger dan in andere landen. Ook de steun voor de democratie en de rechtsstaat is in Nederland nog altijd torenhoog. Onze maatschappij is dus géén low trust society. Waar we wel mee kampen, is een betrouwbaarheidscrisis. We hebben, zeker de laatste jaren, te veel schandalen gehad. De toeslagenaffaire voorop.

Hoe kan dat allemaal? Welke mechanismen zorgen, tegen alle verwachtingen in, voor dit positieve beeld? Van der Meer wijst op twee factoren. 

Allereerst de -wat hij noemt- Dutchification. Dat is een mechanisme waarbij onze democratie nogal grillig en zichtbaar kan reageren. Op de toenemende wisselingen in verkiezingsuitslagen bijvoorbeeld. Of op de versplintering van het politieke landschap of de opkomst van nieuwe partijen. Door ons radicaal evenredige stelsel manifesteren dergelijke veranderingen zich bij ons eerder en harder dan in andere westerse parlementaire democratieën. Terwijl ze juist een indicator vormen van een levendige en veerkrachtige democratie.

Daar komt bij -en dat is de tweede factor waar Van der Meer op wijst- dat Nederland traditioneel goed is in het kanaliseren, je zou ook mogen zeggen het 'inkapselen', van politiek wantrouwen. Partijen van ontevreden kiezers worden snel opgenomen in de regering. Ook dat vindt Van der Meer een positieve eigenschap van de democratie in ons land. 


Paradoxen, paradoxen

Van der Meer grossiert in paradoxen, dat is het tweede dat opvalt. Ook hierdoor rekent hij af met vooroordelen. Zijn tweede hoofdstuk is er geheel aan gewijd. En dwars door het boek blijken er nog meer paradoxen te bestaan. Wat zijn voor mij de meest intrigerende?

Kiezers zijn tegenwoordig niet meer trouw aan hun partij, maar aan hun blok. Daarvan hebben we er tegenwoordig drie. Een links blok bestaande uit de PvdA, Groen Links, de SP en de Partij voor de Dieren, een centrumrechts van de VVD en het CDA en een radicaal-rechts blok van PVV en Forum voor Democratie. Binnen deze blokken vinden de meeste politieke verschuivingen plaats, maar de blokken als zodanig blijven relatief stabiel en coherent. Je zou verwachten dat het verval van een aantal dragende partijen van deze blokken, zoals het CDA en de PvdA, afbreuk aan die stabiliteit zou doen. Dat is dus niet het geval.

Buitengewoon interessant is de paradox dat een laag vertrouwen in de politiek niet op voorhand slecht is voor de democratie. Dat vertrouwen reageert volgens Van der Meer namelijk op de betrouwbaarheid van overheid en politiek. Als die betrouwbaarheid door wanprestaties ondermaats is, zegt dat nog niks over de kwaliteit van de democratie. Laat staan over een voorkeur van burgers voor autoritair leiderschap. 

Van der Meer heeft ook nog een politiek-tactische paradox 'in de aanbieding'. Als politieke partij is het hoogst onverstandig om campagne te voeren op een issue waarvan een andere partij 'de eigenaar' is. Zoals het CDA ooit deed door zich op het VVD-thema 'veiligheid' te profileren. Dat hebben ze geweten, van het verlies aan kiezers liggen de christen-democraten bij wijze van spreken nu nog wakker.

En last but not least. In gevestigde democratieën in West-Europa heeft coalitiedeelname van radicale en populistische partijen juist niet tot een democratische achteruitgang geleid. Daarvoor ontbreekt eenvoudigweg empirisch bewijs. Dat risico van democratische verslechtering bestaat volgens Van der Meer wel in jonge democratieën.  


Geen angst voor Hongaarse toestanden

Verder valt op dat Van der Meer een rotsvast geloof heeft dat er in ons land nooit Hongaarse toestanden zullen optreden. Dus géén bewegingen waarbij een minderheidspartij het langs democratische weg voor het zeggen krijgt. Daar staat ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging volgens hem garant voor. Inclusief de geruststellende wetenschap dat Nederland een coalitieland is. Partijen zijn doordrongen van de noodzaak om samen te werken.

Dat neemt niet weg dat hij in ons land wel zorgwekkende signalen waarneemt. Niet zo heftig, maar toch een sluimerend proces van intimidatie en bedreiging waarin de media, de rechtspraak en de wetenschap 'gradueel' worden uitgeschakeld. Juist de instituties die garant moeten staan voor de checks and balances. Daarmee slaat hij een interessante brug naar de actuele politieke situatie in ons land.


Kabinet-Schoof 

Van der Meer heeft dit boek geschreven na de landelijke verkiezingen van november 2023 en vóór de vorming van het kabinet-Schoof. Daarmee biedt 'Waardenloze politiek' interessante kijkwijzers voor de beoordeling van de actuele politieke situatie in ons land. En ook dan vallen weer drie zaken op.

De eerste kijkwijzer voert naar onze dragende democratische instituties, de instituties die voor de noodzakelijke tegenkrachten zorgen. Die staan onder druk, volgens Van der Meer. Het Hoofdlijnenakkoord en het later uitgebrachte Regeerprogramma van het kabinet-Schoof bevestigen dat. Er wordt substantieel bezuinigd op de media, de wetenschap en de rechtspraak. Inherent daaraan is het voornemen om een onderzoek naar een nieuw kiesstelsel te starten. Dat klinkt onheilspellend, want als we Van der Meer mogen geloven kan ons huidige stelsel niet veel beter. Alle hens aan dek dus. 

Interessant is ook de actuele tegenstelling tussen economie en cultuur. Voor Van der Meer de twee superconflicten in de Nederlandse politiek. Economie staat daarbij voor herverdeling, werkgelegenheid en economische groei. Cultuur voor nationalisme, identiteit en soevereiniteit. Kort gezegd: links omarmt doorgaans het economische, rechts het culturele perspectief. De Volkskrant duidde de aangekondigde btw-verhoging op culturele diensten als een door rechts gevoerde strijd. Hoewel deze verhoging politiek inmiddels van de baan is, geeft deze strijd aan hoezeer die twee conflicten op dit moment nog aan de orde zijn.

De zeer moeizame start van het kabinet-Schoof kon Van der Meer bij het schrijven van zijn boek niet voorzien. Toch beschikte hij over enige voorzienigheid. De scheur tussen centrum- en radicaal-rechts is lastiger dan ooit te managen, zo schrijft hij aan het einde van zijn boek. Dat lijkt, met het oog op die start, een understatement.


The proof of the pudding

De impliciete belofte van Van der Meer was om na zijn boek uit 2017 een nieuwe poging te doen om de middenpartijen en daarmee de democratie als geheel, de weg te wijzen. Het is natuurlijk de vraag in hoeverre hij in die poging geslaagd is. Dat is, hoe lezenswaardig en interessant het boek ook is, niet het geval. Zijn voorgestelde oplossingsrichting blijft onuitgewerkt en daarmee niet overtuigend.

Eigenlijk onderneemt hij die poging pas in zijn laatste hoofdstuk. Daar poneert hij nog maar eens de kernvraag. Hoe moet het broodnodige conflict nu worden vormgegeven? Een compromis is volgens hem op zichzelf niet problematisch, wel een compromis waar geen waardenstrijd aan vooraf is gegaan. Hij breekt dan ook een lans voor een cultuurverandering. Vervolgens lanceert hij een vijftal institutionele ideeën, knoppen, voor het aanjagen van die strijd. Variërend van een ander kiesstelsel tot een gekozen minister-president. Om bij elke knop enigszins teleurgesteld te concluderen dat deze de oplossing ook niet biedt.

Dan gooit hij het over een andere boeg. Het spel zal anders gespeeld moeten worden. Om even later weer te concluderen dat er een gedragsverandering nodig is. Daar laat hij het bij, gedragsverandering dus als een deus ex machina. Hier schiet Van der Meer alle kanten op, hij komt er duidelijk niet uit. Om ons dan maar op zijn Colijns gerust te stellen. We kunnen gerust gaan slapen, zo'n vaart als in Hongarije zal het hier niet lopen. Gelukkig maar.


Al met al

Een buitengewoon interessant boek met een onbevredigend einde. Een boek ook dat veel van de lezer vraagt, de informatiedichtheid is hoog. En vanwege de mager uitgewerkte relatie tussen de crisis van de middenpartijen en die voor de democratie als geheel, bekroop mij soms het gevoel dat ik een advies voor die middenpartijen aan het lezen was.

En nu, aangekomen bij het einde van deze boekbespreking, vraag ik mij af: wat verstaat Van der Meer eigenlijk onder democratie?

Paul Strijp, 30 december 2024



 






 




zondag 29 december 2024

Marcel van Engelen luidt in 'De stad' de noodklok over de staat van Amsterdam en haar toekomst


BOEK

Marcel van Engelen. De stad. Het verhaal van AMSTERDAM van 1980 tot vandaag. De Bezige Bij, vijfde druk. Amsterdam, juli 2024.


Eén droog zinnetje, bijna aan het einde van het boek. Een zin waarin het succes en de tragiek van de stad Amsterdam besloten liggen. Die zin luidt: de vrije markt heeft Amsterdam veel gebracht, maar uiteindelijk is de stad de vrije krachten niet meer de baas. Waardoor diezelfde stad nu met de gebakken peren zit. Een groeiende sociale ongelijkheid, nauwelijks grip op de woningmarkt, een middenklasse die de stad is uitgejaagd, een niet meer te beheersen toerisme en veel inwoners die komen en net zo makkelijk ook weer vertrekken. Wat erger is, er is geen begin van een idee hoe die privatisering gekeerd moet worden. Van Engelen heeft de ruimtelijke en sociale ontwikkelingen gedurende de laatste zes decennia, dus al ruim vóór het door hem gemarkeerde jaartal 1980, meesterlijk beschreven.




omslag voorzijde boek



Van een crisis door malaise naar een crisis door succes

Eind jaren zeventig, medio jaren tachtig lag Amsterdam er beroerd bij. Drugshoofdstad, honderdduizenden die de stad verlieten zonder dat er jongeren of migranten voor terugkwamen, het einde van de industriële economie zonder dat er al een sterke dienstverlenende sector tegenover stond, op grote schaal achterstallig fysiek onderhoud en gekraakte woningen, Amsterdammers die zich niet meer thuis voelden in hun eigen stad.

Een kleine vijftig jaar later zit Amsterdam opnieuw in een crisis. Nu niet door malaise, maar door een ongekend economisch succes. De stad dreigt daaraan ten onder te gaan. Er dient zich een volgende golf aan van mensen die Amsterdam verlaten. Soms gewild, maar veel vaker ongewild. Eenvoudigweg omdat de stad onbetaalbaar en daardoor ontoegankelijk is geworden.

Tussen die crisis van nu en die van toen liggen diverse episoden. Van Engelen laat deze chronologisch de revue passeren. De buurten van Amsterdam komen daarbij aan bod, voor zover zij in een zekere periode een bepalende ontwikkeling hebben doorgemaakt. Daarbij staan de gemeente, inwoners en marktpartijen telkens in verschillende verhoudingen tot elkaar. Soms werkten zij samen, soms was er sprake van een ware machtsstrijd.

Welke episoden onderscheidt Van Engelen?


De Twintigjarige Stadsoorlog

Allereerst een periode die ruim vóór de crisis van eind jaren zeventig, medio jaren tachtig begon. Zeg maar de periode die als een aanloop die crisis heeft ingeluid. Door de auteur origineel omschreven als de Twintigjarige Stadsoorlog. Een oorlog die gevoerd werd tussen  activistische partijen met een bepaald ideaal voor de stad -Van Engelen noemt dat een romantische blik- en de gemeente.

Die partijen waren achtereenvolgens de Provo-beweging in de jaren zestig, gevolgd door de bewoners van de Dapperbuurt. Die laatsten eisten begin jaren zeventig inspraak bij de plannen van de gemeente. En wisten uiteindelijk de sloop van hun buurt tegen te houden. De oorlog werd voortgezet door de bewoners van de Nieuwmarkt. Die waren door die van de Dapperbuurt geïnspireerd en zorgden ervoor dat hun buurt een woonbuurt bleef en geen zakencentrum werd. En tot slot de krakersbeweging. Die streed aanvankelijk tegen de individuele woningnood. En groeide uit tot een brede tegenbeweging die zich óók verzette tegen apartheid en milieuvervuiling. De krakersbeweging doofde begin jaren tachtig uit door een interne strijd tussen voor- en tegenstanders van het gebruik van geweld.

Tijdens deze oorlog waren de gemeente en bewoners aan elkaar gewaagd. Bewoners hebben de gemeente meermalen gecorrigeerd. Dat gebeurde bepaald niet altijd zachtzinnig. De krakersrellen waren soms ware veldslagen met de politie, waarbij de schade tot in de miljoenen kon oplopen. De dominante partijen waren de gemeente en de, in verschillende configuraties opererende, bewoners. De marktpartijen kwamen in het stuk nog niet voor.


Exponenten van de compacte stad

Michael van der Vlis en Jan Schaefer. Deze twee mannen bepaalden tussen 1978 en 1986, de volgende episode bij Van Engelen, wat er in de stad gebeurde. Beiden wethouder, beiden prominent lid van de oppermachtige Partij van de Arbeid, Van der Vlis de strateeg en Schaefer de Macher. Niks meer slopen en dan nieuwbouw. In plaats daarvan behoud en herstel van en bouwen voor de buurt. Daarmee introduceerden zij een nieuw ruimtelijk concept, dat van de compacte stad. Dat had tot doel om een einde te maken aan de overloop van Amsterdammers naar steden zoals Purmerend en Almere. Steeds meer bezit kwam in handen van de corporaties, Van der Vlis en Schaefer hadden de marktpartijen niet nodig.

Amsterdam lag er bij het vertrek van Schaefer in 1986 beter bij dan bij zijn aantreden in 1978, stelt Van Engelen. In totaal zijn er in zijn bestuurlijke periode bijna 40.000 woningen gebouwd. Ongekende aantallen, kom daar vandaag de dag nog eens om. Niet alleen die aantallen markeerden het einde van een periode. Er gebeurde nog iets anders. Na 1985 ging Amsterdam weer groeien na een historische daling van het inwonertal. Van 872.000 in 1959 naar 675.000 in 1985. Met name de grote aantallen migranten en Marokkaanse gezinnen in het bijzonder, keerden deze trend.


De gemeente helpt de yuppen een handje

Van Engelen vervolgt zijn betoog verrassend met de opkomst van een café-imperium, dat van de Carels-en in de Pijp. Symbool voor de opwaartse beweging die Amsterdam halverwege de jaren tachtig doormaakte. Deze werd niet alleen in gang gezet door een groeiend aantal jongeren die wel van een nachtje doorzakken hielden. Andere factoren waren het ontstaan van een nieuwe economie aan de Zuidas en een afname van het aantal verslaafden en van de kleine criminaliteit. En last but not least, het ontstaan van nieuwe relaties die het gemeentebestuur met het bedrijfsleven aanging.

Twee gebieden springen hierbij in het oog. Allereerst de Pijp. Een gebied dat zich spiegelde aan de Jordaan. En in hoog tempo ver-yupte. De Pijp werd een buurt voor inwoners die bereid en in staat waren om veel geld te betalen voor hun woongenot. De gemeente stond erbij, likte haar vingers erbij af en ondersteunde dit proces, daarbij geholpen door de landelijk ingezette liberalisatie van het huurbeleid, maar al te graag.

Daarnaast trok de Zuidelijke IJ-oever de aandacht. Deze legde het af tegen de Zuidas. Waarom? Omdat de bankiers van de ABN uiteindelijk toch geen zin hadden om zich te vestigen op de door de gemeente bedachte locatie langs het water. Een ultiem symbool van de definitieve doorbraak van de marktpartijen als dominante machtsfactor in het ruimtelijk beleid van Amsterdam. Na het vertrek van Schaefer en Van der Vlist hebben die daar een kleine vijftien jaar voor nodig gehad. Maar vanaf dat moment was de marktsector niet meer van het toneel te verdrijven.




foto auteur, flap binnenzijde aan achterkant boek


Mengen, gezinnen die blijven en een diffuus publiek belang

In het jaar 1998 breekt een volgende episode aan. Die wordt ingeluid door wethouder Genet. Zijn beleid had drie speerpunten. Allereerst de menging van buurten. Lees: méér koopkrachtige inwoners. Toen nog met de beste bedoelingen om de kwaliteit en leefbaarheid van de stad te vergroten. Later bleek dit speerpunt de aanjager voor het verdrijven van de middenklasse uit de stad. Zijn tweede en derde speerpunt betroffen 'meer koopwoningen', respectievelijk 'meer ruimte voor de markt'.

Diezelfde marktpartijen sprongen meteen in dat gat en hadden ondertussen hun oog laten vallen op het Oostelijk Havengebied. Aanvankelijk een groot desolaat gebied na het wegvallen van de scheepvaart in dit deel van de stad. Maar de markt wist wel raad met het tweede speerpunt van Genet. En dus sleet zij de koopwoningen hier massaal aan hoogopgeleide gezinnen. Een nieuw kantelpunt in de geschiedenis van de stad diende zich aan, gezinnen die bleven. De woningen kwamen in dit gebied bijna volledig in handen van particulieren.

Er gebeurde nog iets opmerkelijks. Neutraal geformuleerd zou je kunnen zeggen dat Amsterdam haar eigen rol opnieuw definieerde. De gemeente ging zelf ontwikkelen. Dat betekende zelf plannen maken, dus zelf grond uitgeven voor bedrijven en tijdelijke contracten aanbieden. Maar ook zelf investeren met gebruikmaking van de inkomsten uit de erfpacht. Nou, dat heeft de gemeente Amsterdam geweten. Op de Zuidas lieten de marktpartijen haar alle hoeken van de kamer zien. De markt bepaalde wat er gebeurde. De positie van de gemeente Amsterdam was niet sterk, mede omdat zij een diffuus publiek belang behartigde. Enerzijds vroeg zij als een echte ontwikkelaar torenhoge grondprijzen. Anderzijds wilde zij ook dolgraag de diversiteit aan de Zuidas vergroten. Welnu, daar had de markt helemaal geen trek in en dus kwam die diversiteit slechts schoorvoetend van de grond.


Buurt verbeterd, verschillen gebleven, arme mensen verdwenen 

Ondertussen voltrok zich in twee andere delen van de stad al langer een parallelle episode. De Bijlmermeer en de Westelijke Tuinsteden kenden veel sociale problemen zoals werkloosheid, schooluitval, armoede en schulden. De samenstelling van de bevolking veranderde hier snel en fors. De tuinsteden moesten gezinnen van voormalige gastarbeiders huisvesten, terwijl de Bijlmermeer, tja de Bijlmermeer.... maar niet populair wilde worden onder de Amsterdammers. Behalve dan bij de Surinaamse migranten. Dat leidde tot een situatie eind jaren negentig waarin meer dan 80% van de bewoners een migratie-achtergrond had. In het begin van die jaren had de gemeente dan ook al het ingrijpende besluit genomen om meer dan de helft van de woningen in de Bijlmer te slopen. Méér dan de helft, sic!

En ook hier was 'menging' het centrale doel. De komst van meer welvarende bewoners zou de concentratie van achterstanden verminderen. De Westelijke Tuinsteden volgden dezelfde route. Het resultaat volgens Van Engelen? Beide gebieden zijn aanzienlijk verbeterd. Niet in de laatste plaats door economisch welvarende nieuwkomers, vaak bestaande uit hoogopgeleide kinderen van Turkse en Marokkaanse migranten. Maar de auteur plaatst wel kanttekeningen bij dit succes. De minder vermogende inwoners zijn door deze transformatie de stad uitgedrukt, het aandeel sociale huurwoningen is immers aanzienlijk gedaald. En voor de bewoners die konden blijven geldt dat de verschillen en de achterstanden niet zijn verdwenen.  Zowel in de buurten zelf als ook in relatie tot het gebied binnen de stadsring.  

Van Engelen permitteert zich in dit kader een uitstapje naar het, ook landelijk gevoerde, debat of stedelijke vernieuwing wel zin heeft. Dat is erg mager en bestaat eigenlijk alleen uit een verwijzing naar een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Daar is veel meer over te zeggen. Dat uitstapje had hij dan ook beter niet kunnen maken. Of hij had er een heel hoofdstuk met internationale literatuur aan moeten wijden. Eigenlijk mijn enige kritiek op het boek.


Remmen gaan los

En dan, zo'n beetje vanaf 2010, dan breekt de laatste episode aan. Alle remmen gaan los. Amsterdam wordt een stad van en voor witte, jonge en hoogopgeleide mensen. De creatieve klasse wordt door de gemeente doodgeknuffeld. De levendigheid van de binnenstad, vaak aangeduid als gentrificatie, rolt zich uit over de andere delen van de stad. Zelfs over Noord, een deel van de stad waar van oudsher een sterk gevoel van achterstelling en minderwaardigheid heerst.

In Noord herleven de tijden van de Dapperbuurt. Bewoners tekenen massaal protest aan. Nu niet tegen de dreigende sloop, maar tegen de verdichting en de sociale ongelijkheid. Maar er is één verschil met de jaren van de stadsvernieuwing. Toen had de gemeente het voor het zeggen, nu staat zij erbij en kijkt ernaar. Ondertussen denderen de marktpartijen vrolijk door. En bestaat de bevolkingsgroei voor 100% uit buitenlandse migratie, wordt Amsterdam overspoeld door toeristen, verblijven nieuwkomers steeds korter in de stad en is Amsterdam dus feitelijk al een doorgangshuis geworden.


Afdronk

Van Engelen heeft met dit boek niet alleen een meesterwerk afgeleverd maar ook de noodklok geluid. Amsterdam hangt in de touwen, heeft zich overgeleverd aan de commerciële krachten. Van oudsher beschikt de stad over veerkracht. Niet voor niets kroop zij halverwege de jaren tachtig sneller dan andere steden die met vergelijkbare problemen kampten, uit het dal. De vraag is of zij die kracht ook nu weer weet te genereren.

Van Engelen reikt daarvoor geen handelingsperspectief aan, maar heeft de sense of urgency gecreëerd. Fijntjes doet hij nog iets anders. Hij waarschuwt voor een bestuurlijk al te eigenzinnig Amsterdam. Een Amsterdam dat zich onvoldoende bewust is van haar afhankelijkheid van derden. En juist daarin schuilt de achilleshiel. Want afhankelijkheid van derden is niet iets wat van nature bij een metropool hoort. Terwijl juist dat besef juist nu hard nodig is.

Om de huidige problemen te pareren zal Amsterdam allereerst een publiek debat moeten voeren. Welke stad willen wij worden? En vervolgens zal zij haar partners uitgekiend moeten selecteren.

Paul Strijp, 29 december 2024

zaterdag 16 november 2024

Benoit Wesly is altijd zijn broertje Leon gebleven in 'Wat voorafgaat wordt vervolgd'


BOEK

Benoit Wesly. Wat vooraf gaat wordt vervolgd. Uitgeverij Leon van Dorp. Tekstnotatie en redactie: Peter Pluymen. Druk: Grafistar. ISBN 9789090381572.


Vreselijk beroerde familieomstandigheden bij zijn geboorte. En dan ook nog eens een brute ontvoering op latere leeftijd. Het leven heeft Benoit Wesly bepaald niet gespaard. Toch bleef hij altijd overeind. Meer dan dat zelfs. Als familie- en als gevierd zakenman, als prominent vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap in Limburg en als publiek figuur met toegang tot invloedrijke netwerken. Maar op successen laat hij zich niet voorstaan. Geen zelfverheerlijking dus, wel een alleszins lezenswaardige autobiografie die van kwetsbaarheid, wijsheid en levenservaring getuigt. Kritiek op het boek heb ik niet, wel vind ik het jammer dat Wesly een aantal vragen en kwesties laat liggen of niet uitdiept.





Wesly komt in 1945 in Maastricht ter wereld als oudste zoon van een Joods gezin. Zijn start kenmerkt zich door buitengewoon beroerde familieomstandigheden.

'Wanneer mijn papa en mama, na de bevrijding van Maastricht, in hun woonplaats terugkeren, hebben zij het volgende te verhapstukken. Van de meer dan ooit, uit ongeveer vijftig leden bestaande familie Wesly, zijn alleen zij en hun dochter Leni nog in leven. Hun zoon Leon is, na verraad, opgepakt en in Auschwitz vergast. Al hun bezittingen zijn door de bezetter in beslag genomen.' (p.34) 

Zijn vader verdiende de kost als veehandelaar en grossier in vlees. Wesly maakt geen melding van de werkzaamheden van zijn moeder. Maar in het katholieke Maastricht van na de oorlog is het aannemelijk dat zij het huishouden bestierde en het grootste deel van de opvoeding van de kinderen voor haar rekening nam.

Tot zover de feiten. De emotionele last daarvan manifesteert zich voor Wesly op twee fronten. Op het verlies van zijn broer Leon en op de moeizame relatie met zijn vader. 


Een overleden broer als overlevingsmechanisme

'Wat daarbij wel en altijd weer een rol speelt, zijn gedachten aan mijn in de Tweede Wereldoorlog vermoorde familie en mijn broer Leon in het bijzonder. Aan wat ze in de kampen moeten hebben meegemaakt; aan wat er in de laatste minuten van hun leven door hun hoofden kan zijn gegaan. Vraag me niet hoe zoiets werkt, maar op de een of andere manier werkt dat voor mij troostend en helend.' (p.29) 

Een overleden broer als overlevingsmechanisme. De bespiegelingen die Wesly aan hem wijdt, zijn prachtig. Leon staat symbool voor een  tere en gevoelige kant, voor behoefte aan erkenning en schouderklopjes en aan energie en zelfvertrouwen, voor het speelse en onaangepaste en voor overgevoeligheid voor onrecht. Precies de karaktertrekken die Wesly zichzelf toedicht.

'Ik heb hem postuum geadopteerd en hij woont bij me in. Zijn aanwezigheid is zowel noodzakelijk als confronterend.' (p.49) 


Een vader als autoritair staatshoofd

De relatie van Wesly met zijn vader was ronduit moeizaam.

'Mijn vader heeft, voor zover ik het nu kan beoordelen, besloten mij te harden. In hoeverre dat een bewuste keuze is geweest, weet ik niet. Maar ik denk dat hij van mening was dat een gepantserde huid en een dikke laag eelt op mijn ziel mij resistent en immuun zouden maken tegen ..... Tja, tegen wat eigenlijk? Ik vermoed tegen het leed en het verlies en alle daarmee samenhangende, onbeantwoorde en kwellende vragen in mijn vaders hoofd en hart.' (p. 38)  

Het gevolg van deze opvoedingsstijl was non-communicatie. Beiden voerden geen echte gesprekken. Wesly ontving, zelfs op het sterfbed van zijn vader, alleen instructies. Geen complimenten. Die kreeg hij wel van zijn moeder. In de laatste zin van het citaat hierboven klinkt ook nog wel een zeker begrip voor zijn vader door. Zoals hij ook stelt dat er verlies bestaat dat te groot is voor een mens. Wesly toont zich mild jegens zijn vader. 

Deze gemankeerde vader-zoon-relatie heeft hem rijp gemaakt voor het zakenleven. Ooit werken voor een baas? No way! En dat leven heeft hem bepaald geen windeieren gelegd. Wat droeg, behalve die hang naar onafhankelijkheid, nog meer bij aan zijn succes? 

'Maar ik heb in mijn leven een aantal flinke projecten alleen maar kunnen realiseren door vooral goed te luisteren naar een aantal geweldige adviseurs.' (p.25)

Luisterend vermogen als succesfactor dus. Dat moet bij Wesly dan wel heel groot zijn geweest, want reeds op zijn 42e was hij financieel onafhankelijk. Zijn successen passeren de revue, maar alleszins bescheiden. Wesly benoemt ze, maar van pocherij is geen moment sprake. Wel van iets anders, namelijk een zeker dedain jegens de publieke sector. Hoe zit dat?


Die publieke sector, die kan er niets van

Wesly ergert zich regelmatig. De ene keer omstandig, dan weer tussen de regels door. Hij stoort zich aan lange wachttijden bij de politie, aan een herinnering om een boete van 2,40 euro te voldoen en aan de bureaucratisering in de zorg. Wat een contrast met de commerciële sector en de horeca in het bijzonder, benadrukt hij regelmatig.

Breek hem de bek niet open over bijvoorbeeld de gemeente Maastricht. Wesly bespreekt een aantal aanvaringen met het gemeentebestuur. En het moet gezegd, die doen de wenkbrauwen fronsen. Er hangt vaak een luchtje van niet-integer handelen omheen. Overigens is het opvallend dat hij geen melding maakt van de afwijzing die hij ontving bij zijn sollicitatie naar het ambt van burgemeester. Daar heeft hij eerder namelijk publiekelijk wel zijn ongenoegen over laten blijken. 

En hoewel hij en passant de voorbeeldige organisatie van Koningsdag  2022 door de gemeente Maastricht noemt, voorwaar toch een huzarenstukje, komt hij met een massief verwijt. Overheden lijden volgens Wesly aan een gebrek aan competentie. Dat is toch echt te boud. Er gaat veel mis bij overheden, te veel, zeker. Maar de overheid is te groot en te gedifferentieerd voor zo'n generieke uitspraak. Er zijn ook onderdelen die, gegeven de huidige complexe maatschappelijke omstandigheden, naar behoren functioneren. Om een paar voorbeelden te noemen. Staatsbosbeheer, het Centraal Justitieel Incassobureau, de gemeente Utrecht. 


Schurende maar onbeantwoorde vragen

Wesly toont zich op meerdere plaatsen in het boek kwetsbaar. Hoewel hij ermee worstelt, erkent hij bijvoorbeeld ijdel te zijn. Die kwetsbaarheid is één van de sterke kanten van het boek. Zo stelt hij zich ook de vraag: al dat harde werken en al die zakelijke successen, waar zijn die eigenlijk goed voor geweest? Hij formuleert de vraag nog directer: heb ik wel eigenlijk wel geleefd? En heb ik wel voldoende tijd en energie gestoken in mijn huwelijk, de opvoeding van mijn kinderen en mezelf?

Als lezer denk je dan: now we are talking. Dit zijn de echte, de schurende vragen. Moedig dat Wesly deze opwerpt. Vanuit een autobiografisch oogpunt is het jammer dat hij juist deze vragen vervolgens niet of slechts sporadisch beantwoordt. Zijn boek had met  antwoorden op die vragen aan kracht kunnen winnen.


Jodendom en de staat Israël

Wesly veronachtzaamt zijn Joodse wortels niet. Uitvoerig besteedt hij aandacht aan de Joodse geschiedenis en religie en aan de staat Israël. Ook dat geeft zijn boek een interessante verdieping.

De Joden treft vaak het verwijt dat zij verantwoordelijk zijn voor de moord op Jezus Christus. Dat verwijt ligt volgens hem ten grondslag aan alle vooroordelen jegens de Joden die zich in de eeuwen daarna hebben gevormd. In dat licht toont hij zich ronduit pessimistisch. Het antisemitisme is volgens Wesly nog steeds levend, een volgende holocaust sluit hij zelfs niet uit. Sic!

Buitengewoon kritisch is hij op de staat Israël. Hoe graag hij ook in het land zelf verblijft, de aantasting van de rechtsstaat en de aantasting van de positie van de minderheden door het Israëlische kabinet baren hem grote zorgen. Wat te denken van onderstaande passage?

'Veel Palestijnse mensen die in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever of in de bezette gebieden leven, zijn voor hun werk afhankelijk van Israël. Dagelijks steken ze de grens over om 's avonds weer naar hun huizen terug te keren. Israël bewaakt die grenzen streng. Ik heb de grenscontroles bij Gaza wel eens gezien. Ik schaamde me dood. Ze zijn ronduit vernederend. Iedere dag staan die mensen twee keer twee uur in de rij. Vaak in de brandende zon.' (pp. 166-167)

Wesly werpt zich op als een pleitbezorger van de dialoog tussen Joden en Palestijnen. Een mooie rol! Hij doet mij denken aan de Israëlische schrijver David Grossman.


Wat blijft hangen

Welk beeld van Wesly blijft achter na het lezen van dit boek?

Een ondernemer die zich niet op zijn successen laat voorstaan. Een man met een groot maatschappelijk hart, gedreven door zijn Joodse achtergrond. Een man ook die open en leergierig in de wereld staat, die de dialoog als Leitmotiv voert. En verder beschikt over een ongekende mentale weerbaarheid. De ontboezemingen over de ontvoering die hem in 2019 trof, gaan door merg en been. Wesly, op dat moment de 70 ruimschoots gepasseerd, kwam er weer bovenop. 

We hadden hem nog beter leren kennen als hij ook iets van zijn blunders, zijn allergrootste 'bloopers' had laten zien. Want die zal hij toch ook vast gemaakt hebben? En daarvan zal ook hij toch het meest hebben geleerd. Of vormen die fouten zijn grote blinde vlek?

Maar het mooist van alles is toch wel dat Wesly altijd een kind is gebleven. Un Mestreechs menneke. Dat zich, voortkomend uit een gebrek aan aandacht tijdens zijn jeugd, gestreeld voelt door media-aandacht en complimenten. Een kind dat het geweldig vindt dat Frans Timmermans hem 'vriend' noemt. En dat geniet van zijn ontmoetingen met de 'groten der aarde'. Zoals André Rieu, Yasser Arafat en koning Hoessein van Jordanië. Wesly ontkent deze gevoeligheid overigens niet en schaamt zich er evenmin voor.

Een hoofdstuk gewijd aan de groten der aarde roept onvermijdelijk de vraag op: en waarom komen de 'gewone stervelingen' niet aan het woord? Zeker in zijn bestuurlijke functies voor Joodse organisaties moet hij toch ook indrukwekkende ontmoetingen met Joodse mensen hebben gehad. Nu blijft het bij een eerbetoon aan Petronella 'Nelly' Kochmann - Eymael, de schoonmoeder van André Rieu. De lezer blijft zitten met de vraag: wat zegt dit over Wesly? Gewoon toeval dat hij geen aandacht besteedt aan de gewone mensen? Of vindt hij beroemdheden interessanter?

Zijn broer Leon staat volgens Wesly symbool voor zijn zelfverklaarde behoefte aan erkenning en schouderklopjes. De grote Benoit is altijd de kleine Leon gebleven.

Paul Strijp, 16 november 2024

maandag 10 juni 2024

David Grossman is in 'De prijs die we betalen' genadeloos voor zijn eigen regering en verzoenend naar de Palestijnen


BOEK

David Grossman  De prijs die we betalen. Essays. Cossee, Amsterdam. Derde druk, februari 2024.


Een Israëlisch schrijver die de regering van zijn geboorteland keihard aanspreekt. En daarbij de mythe ontzenuwt dat Israël een democratie zou zijn. Zo kritisch als hij is naar zijn eigen regering, zo verzoenend stelt hij zich op naar de Palestijnen. Hij pleit voor een verlichting van hun lijden. Hoewel er hier en daar best kanttekeningen te plaatsen zijn, maakt juist deze milde en verzoenende toon dit tot een prachtig boekje.


 




Verraad als vertrekpunt

Grossman voelt zich verraden. Verraden door zijn eigen regering. Waarom? Omdat die regering, premier Netanyahu voorop, omwille van allerhande perverse eigenbelangen de protesten van haar burgers niet serieus heeft genomen. En daarmee de paraatheid van de staat Israël heeft verkwanseld. Wat weer kon leiden tot de afschuwelijke aanval van Hamas op 7 oktober 2023.

Dit verraad vormt het vertrekpunt voor de verzameling essays die dit boekje is. Deze essays zijn beschouwingen van vóór die aanval van Hamas. Met uitzondering van zijn inleidende beschouwing, die is drie dagen later geschreven. De militaire reactie van Israël gedurende de maanden daarna komt in dit boekje dus niet meer aan de orde.


Zou Grossman er nog steeds zo over denken?

Dat geeft direct enig ongemak. De bundel heeft hier en daar al aan actualiteitswaarde verloren. Waardoor je je als lezer soms afvraagt: zou de auteur er nu nog steeds zo over denken? Dat geldt in het bijzonder voor een gedachte in die inleidende beschouwing. Die gaat over de hiërarchie van het kwaad. Dat kwaad bestaat uit gradaties, het ene kwaad is erger dan het andere. Grossman komt in dat licht tot de volgende stellingname.
'Maar we mogen niet de vergissing begaan de zaken te verwarren: ondanks alle woede over Natanyahu, zijn kompanen en zijn gedrag zijn de verschrikkingen van de afgelopen dagen niet door Israël geïnitieerd. Hamas heeft die veroorzaakt. De bezetting is inderdaad een misdaad, maar honderden burgers, kinderen, ouders, ouderen en zieken overmeesteren en dan een voor een in koelen bloede neerschieten is een grotere misdaad.' (pagina 10)  


Israël als land van de mythen

Waar Grossman het hier in vergelijkende zin dus nog voor zijn eigen regering opneemt, gaat hij daarna helemaal 'los'. Los op diezelfde regering. Allereerst door haar uitholling van het rechts- en onderwijssysteem en van de politie, aan de kaak te stellen. Hij wijst op het gevaar van de huidige ontwikkeling naar een dictatuur. Maar wat hij zijn regering het meest kwalijk neemt, is haar bezettingen- en nederzettingenpolitiek in de Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Met het voeren daarvan verklaart zij het bezette volk als van nature inferieur. En bedrijft de Israëlische regering in wezen apartheid. 

Dat is op zichzelf al kwalijk genoeg. Maar wat het Israëlische kabinet volgens Grossman aanvullend doet, is dat zij deze politiek uit het collectief bewustzijn van haar burgers verdrijft. Alsof zij deze politiek niet voert. Door in de huidige oorlog tegen de Palestijnen geweld en tegengeweld als automatisme in te zetten. En door haatdragende overtuigingen en symbolen in dat bewustzijn te verankeren en legitimeren. Als een valse kaartspeler in een steeg. Met als gevolg dat er ook geen publiek onbehagen meer is over die bezetting. De staat Israël is dan ook een illusoire staat geworden, een staat die zich kenmerkt door ontkenning en verdringing.


Israël als schijndemocratie

De consequentie die Grossman aan dit alles verbindt, is dat Israël de kwalificatie 'democratie' niet meer waardig is. Formeel of in naam misschien nog wel, want er zijn nog steeds vrije verkiezingen in het land. Maar een 'echte' democratie beschermt de belangen van haar minderheden. En dat verzaakt Israël te enen male. Dat is bovendien iets waar het land van oudsher geen ervaring of traditie in heeft. Immers, de diverse groeperingen die nu de staat Israël vormen, hebben zelf altijd als minderheden in diaspora geleefd. In andere landen, verspreid over de hele wereld. Daar komt bij dat een bezettingsregime voor Grossman nooit een democratie kan zijn. Want zo'n regime brengt een hiërarchie aan in de waarde van mensenlevens.

Grossman geeft het Joodse volk dan ook als opdracht mee om te leren hoe een meerderheid te zijn. Welke plichten horen bij die verantwoordelijkheid? Overigens niet alleen naar de Palestijnen, maar ook naar bijvoorbeeld asielzoekers en mensen met een beperking.  


De schoonheid regeert

Er zijn best kanttekeningen bij dit boekje te maken. Zo vraag ik mij af of de beschouwingen van Grossman wel essays zijn. Daarvoor vind ik het zoekende en proberende karakter toch onvoldoende uit de verf komen. Zijn bijdragen zijn voor mijn gevoel opiniërend van aard. Verder had hij zijn verhaal in een bredere internationaal perspectief kunnen plaatsen. De uitholling van het onderwijs- en rechtssysteem bijvoorbeeld is niet alleen in Israël aan de orde. Maar ook in landen als de Verenigde Staten, Rusland, Hongarije en Polen. Zie daarvoor bijvoorbeeld ook het werk van Casper Thomas.

Maar wat overheerst bij het lezen van deze bundel, is de schoonheid. Zo schroomt Grossman niet om zich van zijn persoonlijke en kwetsbare kant te laten zien.
'Maar kijk, het schrijven heeft me de manier geleerd om enerzijds een angstaanjagend gevoel te ervaren van het niets, van een duik in verlies en de totale ontkenning van het leven, en anderzijds, tegelijkertijd, een scherp gevoel van vitaliteit, van de volheid van het leven en de bevestiging daarvan.
Ook na de ramp die ons gezin trof, toen we in een oorlog onze zoon Uri verloren, heb ik geleerd dat wat mij in staat stelt deze dualiteit aan te kunnen - de dualiteit van het niets en het zijn, volgens mij de essentie van het menselijk bestaan - de zo volledig mogelijke onderdompeling is in creatie, in kunst.' (pagina 84) 
Prachtig! Prachtig is ook zijn beschouwing over gelijkheid. Een en ander naar aanleiding van de ongelijkwaardige positie van de ultraorthodoxe joden die weigeren in dienst te gaan.
'Gelijkheid is het startpunt van burgerschap, niet het product ervan. Het is de aarde waaruit het burgerschap opgroeit.' (pagina 79)

Maar het allermooist is toch zijn verzoenende en milde houding naar de Palestijnen. Daarin is haat hem vreemd. De tragedie in het Midden-Oosten is volgens hem alleen te genezen als het lijden van de Palestijnen wordt verlicht. Deze houding getuigt niet alleen van verzoening en mildheid, maar ook van wijsheid. Hoeveel Israëlische schrijvers kunnen zich in deze traditie plaatsen?


Paul Strijp, 10 juni 2024 



dinsdag 5 maart 2024

De Graanrepubliek van Frank Westerman laat de keiharde en decennialange strijd van de landbouw in Oost-Groningen zien


BOEK

Frank Westerman  De graanrepubliek. Querido Fosfor, 36e druk. Amsterdam / Antwerpen, 2023.


De boeren tegen de arbeiders. En, minder heftig maar toch, tegen de natuur- en de waterwereld. Zie hier de twee belangrijkste conflicten in dit boek van Westerman. Een boek vol strijd en tegenstellingen. Slechts hoogstzelden slaat iemand een hand uit om die tegenstellingen te overbruggen. Mansholt, Luitjen Tijdens en Stek zijn de drie geslachten die Oost-Groningen, sommige al vanaf de negentiende eeuw, domineren. De eerste twee behoren tot de bezittende klasse en hebben ook nog eens politieke invloed, het geslacht Stek had geen bezit maar was wel bepalend voor de macht van het communisme. Eerst aan het einde van zijn boek kiest de auteur positie. En haalt dan snoeihard uit naar de boeren. Hij eist dat zij erkennen de arbeiders onrecht te hebben aangedaan. Dat massieve verwijt is toch wat ongenuanceerd en onvolledig.




Het Oldambt. Weleens van gehoord? Of van De Rode Driehoek? Oldambt was vroeger een streek, ook wel de Graanrepubliek genoemd. Tegenwoordig is Oldambt een gemeente in de provincie Groningen, op 1 januari 2010 ontstaan uit de samenvoeging van Scheemda, Winschoten en Reiderland. De Rode Driehoek lag in de Graanrepubliek en bestond uit de dorpen Finsterwolde, Midwolda en Beerta. Waarom rood? Omdat het communisme in deze dorpen welig tierde. Welnu, dit gebied vormt de habitat van het boek van Westerman.   



Het schijnt er heel bijzonder te zijn.
'Het land is zo naakt en zo weids dat je, turend door je oogharen, de kromming van de aarde kunt zien'. (pagina 16)

De selfmade adel tegen de proletariërs

De herenboeren tegen de landarbeiders. Dat is het meest basale conflict dat aan dit boek ten grondslag ligt. Westerman noemt de eersten selfmade adel. Herenboeren waren te beroerd om zelf de handen uit de mouwen te steken, zij gingen '....zonder rouwnagels of eelthanden' door het leven. Het zware werk lieten zij aan de arbeiders over.
'Het grootste deel van de Oldambster arbeiders bestond uit bezitlozen, proletariërs in de werkelijke zin des woords.' (p.26)

Onder de arbeiders heerste vaak woede. Over de tegenvallende oogst en de dito graanprijzen. En over de werkloosheid die een gevolg was van de voortgaande mechanisatie van de landbouw. Toch brak er op het platteland in Oldambt nooit een revolutie uit. Hoewel, rond 1890, had dat maar een haar gescheeld.

'Een nieuw oproer van vijftig keienkloppers in Finsterwolde markeerde het begin van 1892. (...) Het lukte ene Tjerk 'Travailleur' Luitjes om samen met Domela Nieuwenhuis het Oldambt naar het randje van de revolutie te dirigeren. Er moest met ijzeren vuist gestreden worden voor gelijkheid, propageerde Luitjes. (...) Avond aan avond werden er glazen ingegooid bij boeren, notarissen en ander rijkeluisvolk. (...)  De bijna-revolutie had de arbeiders in een religieuze extase gebracht. Het gemeste kalf zou geslacht worden, de boerderijen verdeeld, maar het heilig vuur doofde uit'. (pp. 47, 48, 51)

De boeren en arbeiders zouden tot diep in de twintigste eeuw geïsoleerd van elkaar leven en twee gescheiden werelden blijven. De verhoudingen met de natuurbeschermers en de vertegenwoordigers van de waterwereld waren minder beladen, maar zeker niet zonder spanning.


Van tractoren naar kano's en catamarans

De vondst van aardgas in Slochteren rond 1960 zorgde voor een ongekend economisch optimisme. De petrochemische fabrieken die in de Eemshaven zouden moeten verrijzen, maakten een ontsluiting van het achterland noodzakelijk. Het natuurgebied de Dollard zou daartoe ingepolderd moeten worden met dijken en sluizen. Maar daarvoor staken de natuurbeschermers, door Westerman de ondergangsprofeten genoemd, een stokje. Zij wilden de Dollard vrijwaren van elke menselijke invloed. Dat was zelfs de communisten te gortig.
" 'Het is onvoorstelbaar,' zegt Koert Stek. 'Maar kennelijk weegt de natuur zwaarder dan het belang van de mensen.' " (p.210)

Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw maakte landaanwinning door de boeren plaats voor kunstmatige natuur. Het meer De Blauwe Stad was daarvan het meest tot de verbeelding sprekende symbool. Boeren werden recreatieondernemers. En verdienden voortaan hun geld met rondvluchten en cursussen voor parachutespringen, hun tractoren maakten plaats voor kano's en catamarans.

Maar de natuurbeschermers kregen concurrentie in de strijd om de macht. Gaandeweg werd de berging van het water, noodzakelijk in de strijd tegen de klimaatverandering, steeds belangrijker. Volgens Westerman verschuift de macht dan ook naar de waterwereld.

'Als puntje bij paaltje komt, trekt de dijkgraaf aan het langste eind (...)' (p. 281)

 Al die decennia hebben drie geslachten het agrarische leven in het  Oldambt en soms zelfs ver daarbuiten, tot in Europa toe, bepaald. Mansholt, Luitjen Tijdens en Stek.


Het geslacht Mansholt: Machers omwille van de onafhankelijkheid

Rationalisatie, reguleren, technocratie, moderniteit, sturen, nationaliseren, boerensocialisme, agrarisch protectionisme, zelfvoorzienende landbouw, onafhankelijkheid van de internationale markt, maakbaarheid. Trefwoorden die drie generaties Mansholt typeren. Met opa Derk, vader Bertus en zoon Sicco. De laatste schopte het het verst en werd ook internationaal bekend.

Begonnen als boer bood Sicco samen met zijn vrouw tijdens de oorlog onderdak aan de joden. En pleegde ook gewelddadig verzet tegen de Duitse bezetter. Daarna ging het snel met zijn carrière. Van waarnemend burgemeester van Wieringermeer en minister van Landbouw tot eurocommissaris voor de landbouw. In die hoedanigheid wilde hij de prijzen van de landbouwproducten van de Europese markt, kunstmatig hoger houden dan die van de wereldmarkt. Omdat hij Europa juist niet afhankelijk wilde maken van diezelfde wereldmarkt. Een en ander verwoordde hij in een tienjarenplan van vijfhonderd bladzijden, het Plan Mansholt. De essentie? Een reductie van het aantal boeren van tien naar vijf miljoen. De kleintjes onder de agrariërs die de vooruitgang toch alleen maar tegenhielden, moesten van hem in de industrie gaan werken.

De boerenprotesten tegen zijn plan waren niet van de poes. Ook de grote voedselverwerkers sloten zich hierbij aan. Zij hadden immers een groot belang bij instandhouding van de gesubsidieerde overproductie van voedsel en dus van hun aanvoer van goedkope grondstoffen. Het Plan Mansholt werd niettemin, zij het in aangepaste vorm, aangenomen. De uitvoering daarvan luidde tragisch genoeg, vanwege die ongekende overproductie, het einde van zijn eigen tijdperk in. De volgende fase in de Europese landbouwpolitiek kenmerkte zich juist door laissez faire. Aan het einde van zijn leven was Sicco Mansholt overigens geradicaliseerd tot een natuur- en milieulobbyist.


Het geslacht Luitjen Tijdens: de vleesgeworden herenboeren met verbindende kwaliteiten

Jacob, Boelo, Jan en weer Boelo. De naamdragers van de belangrijkste representanten van vier generaties Luitjen Tijdens. Over Jacob en Jan lezen we niet zo veel. Maar de beide Boelo's waren onbetwist herenboeren pur sang, echte tsaren van het graan. Maar dan wel -paradoxaal- tsaren met verbindende kwaliteiten.

Boelo senior, geestverwant van de socialist Domela Nieuwenhuis, wilde in 1886 een front smeden van boeren, burgers en arbeiders. Dat moest ten strijde trekken tegen de bankiers, speculanten en de adel. Een unicum voor een herenboer in die tijd. Zijn broeders-herenboeren zagen dat als een dwaling. De oude Boelo maakte dat goed door zich als lid van de Tweede Kamer te beklagen over de macht van de arbeiders in Finsterwolde. Dat leidde tot de staat van beleg in het Oldambt. Waarna hij door de herenboeren weer in de armen werd gesloten.

Kleinzoon Boelo kon in tegenstelling tot zijn opa geen sympathie opbrengen voor het socialisme. Dat liet onverlet dat hij zich na de oorlog bij de PvdA aansloot. Vanuit zijn overtuiging dat het nodig was om de tegenstellingen tussen liberalen en socialisten te overbruggen. Dat lidmaatschap bleek niet voor eeuwig. Begin jaren zestig stapte Boelo junior over naar de VVD. Hij stoorde zich aan het verwijt dat de herenboeren de arbeiders zouden hebben uitgeperst. Maar juist toen bleek ook zijn verbindend vermogen. In 1965 schreef hij een -wat de auteur noemt- klasse-overstijgende brief. Met het doel om de communisten achter zijn plan voor de inpoldering van de Dollard te scharen. Een welbegrepen eigenbelang dus, maar volgens de auteur toch een zeldzame handreiking.


Het geslacht Stek: dragers van het succes van het Oost-Groningse communisme

Wie Stek zegt, zegt communisme. De bekendste namen in dit geslacht zijn Luppo en Koert, de jongste van de vier kinderen van Luppo.

Luppo was held en anti-held. Een held voor de communisten, het tegendeel voor de boeren die hem als een stoker zagen. Hij werd vooral bekend door de staking die hij in 1928 en 1929 voorbereidde, de langste uit de geschiedenis. Verder werd de man omgeven door tragiek. Zo werd hij meermalen werkloos, onder andere toen de regering in 1933 een commissaris naar Beerta stuurde en Luppo zijn baan als wethouder verloor. Ook kwam hij tragisch aan zijn einde bij de arrestatie van de twintig actiefste communisten door de Duitsers.

Zijn zoon Koert was minder met het noodlot behept. Raadslid van Beerta, leerling van het Sovjet-regime in Moskou en CPN-gedeputeerde in Groningen. Koert was ook minder omstreden, zo kon hij goed overweg met Boelo Luitjen Tijdens junior. Beiden vonden elkaar in hun gemeenschappelijke belangen bij de inpoldering van de Dollard. Dat type relaties heeft Luppo nooit gehad. De loopbaan van Koert liep parallel met de ondergang van de landelijke CPN en de ineenstorting van het internationale communisme. Maar ook met de ongekende successen van het communisme in Oost-Groningen. Zoals de absolute meerderheid in de raad van Beerta en de monsterzege bij de daaropvolgende verkiezingen. 


Wat ongenuanceerde slotkritiek

En net als het boek toch een beetje als een nachtkaars dreigt uit te gaan, komt Westerman bij des poedels kern.
'Dit raakt aan de kern van wat de graanrepubliek nu eigenlijk is: een vrijstaat van boeren die niet alleen neerkeken op hun landarbeiders, maar ze ook nog eens zo onmenselijk behandelden, als horigen, dat het tijd wordt voor erkenning van het aangedane onrecht'. (p.301)
Zo, die zit. Pats, boem. Zoals een bokser geheel onverwachts een linkse directe kan plaatsen. Onverwachts, omdat Westerman nergens eerder in het boek positie heeft bepaald. Je voelt wel zijn sympathie voor de arbeiders, maar dit verwijt is toch wat ongenuanceerd. Waarom alleen de herenboeren aangepakt? En waarom niet de voedselverwerkers? Die hadden toch ook boter op hun hoofd? Om nog maar te zwijgen over de waterwereld. Die krijgt van de schrijver het verwijt aan een klimaatobsessie te lijden. Hadden haar vertegenwoordigers dan ook niet in de epiloog een draai om hun oren verdiend? En als we dan toch bezig zijn: had Westerman bij die veroordeling van de herenboeren geen uitzondering kunnen maken voor Boelo Luitjen Tijdens junior? De beste man had misschien wat bijzondere trekken, zo hield hij wel van een glaasje, maar zijn verbindende kwaliteiten staan buiten kijf.


Verzuiling avant la lettre

Voor het overige heb ik op dit boek niets aan te merken. Meeslepend geschreven, boeiende historische context, mensen van vlees en bloed, bruikbaar voor een goed begrip van de actuele boerenconflicten. Het boek is niet voor niets een klassieker. En beleeft 25 jaar na uitgave zijn 36e druk!

Wat bij mij het meest blijft hangen? Dat is het beeld van de Graanrepubliek als een verzuilde maatschappij avant la lettre. Drie zuilen waarvan de topmensen ondanks alle verschillen, goede contacten met elkaar onderhielden omwille van het behartigen van hun eigen belangen. Boelo senior met Derk Mansholt, Boelo junior met Sicco Mansholt, Koert Stek met Boelo junior. Zo heeft de Graanrepubliek misschien toch nog wel, zij het onbedoeld en ondanks alle conflicten en tegenstellingen, model gestaan voor een succesvol Nederlands naoorlogs harmoniemodel.

Paul Strijp, 5 maart 2024  






maandag 18 december 2023

'Noodzakelijk verlies' van Judith Viorst zou verplichte kost in het onderwijs moeten zijn

 

BOEK

Judith Viorst  Noodzakelijk verlies. De liefdes, illusies, afhankelijkheid en irreële verwachtingen die wij allen moeten opgeven om te kunnen groeien. Zestiende druk, december 1998. Anthos, Baarn / Amsterdam.


Waarom hebben ze me dit allemaal niet eerder verteld? Met zo'n vraag kun je wel eens blijven zitten na het lezen van een boek. Dat overkwam mij ook bij dit werk. Zo veel levenswijsheid, zo veel psychologische inzichten, die had ik graag eerder in mijn leven aangereikt gekregen. De essentie? Om je te kunnen ontwikkelen tot een compleet mens, moet je kunnen opgeven en loslaten. Moet je verlies durven lijden. Maar dat niet alleen. Houd op met het denken in kinderlijke zwart-wit tegenstellingen, daar kom je niet verder mee. En zie onder ogen dat je anderen, óók en juist je dierbaren, kunt haten. Tot slot. Onze relaties zijn niet volmaakt. Schrik daar niet van.


 




Het was een voormalig collega die mij lang geleden op dit boek wees. Dit was het beste boek dat zij ooit gelezen had. Zoiets blijft hangen. Wat niet wegneemt dat de datum van uitgave wel voor enige twijfel zorgt. Moet je nu echt beginnen aan een boek dat vijfentwintig jaar geleden op de markt is gebracht? Is dat niet hopeloos verouderd? Ik heb er geen seconde spijt van gehad.

Als niet-psycholoog kan ik niet overzien in hoeverre de psychoanalytische inzichten waarop de auteur zich baseert, inmiddels achterhaald zijn. Er zullen vast nieuwe of aangepaste theorieën in omloop zijn. En de tijd waarin we vandaag de dag leven is echt een andere dan die aan het einde van de vorige eeuw. Maar ik vond de inzichten van Viorst, een Amerikaanse onderzoekster op het terrein van de psychoanalyse en schrijfster van kinderliteratuur, verhelderend. Zelfs zó verhelderend dat ik me afvroeg: waarom geven we onze kinderen dit allemaal niet mee in het onderwijs? Dat zou een hoop narigheid  besparen. Zelfvertrouwen en levenswijsheid daarentegen zou hun deel zijn.


De grote lijnen in dit boek

Om je te kunnen ontwikkelen tot een compleet mens moet je dingen kunnen opgeven. Moet je verlies durven lijden. Dat is de kernboodschap van dit boek. En deze gedachte ligt ook ten grondslag aan de ijzersterke paradox in de titel. Noodzakelijk verlies.

Al dan niet als uitvloeisel hiervan lopen er nog drie andere lijnen door dit boek. De eerste is die van de dubbelzinnigheden. Het leven is zogezegd ambivalent. Dat kun je maar beter onder ogen zien. Als je haat voelt jegens dierbaren, moet je niet schrikken. Volgens Viorst is het juist onze opgave om anderen te kunnen haten. En last but not least. Je kunt maar beter accepteren dat je relaties niet perfect zijn. Dat bespaart een hoop teleurstelling.

Deze boodschap en drie lijnen zullen hieronder worden uitgewerkt.


Noodzakelijk verlies in elke fase van het leven

Het begint al meteen bij onze geboorte. Zonder pardon worden we gescheiden van onze moeder met wie we negen maanden onlosmakelijk verbonden waren. Ons eerste verlies, de oerband wordt genadeloos verbroken. Vervelend maar noodzakelijk als eerste stap op weg naar onze zelfstandigheid. En die stap roept meteen een tegenbeweging op. Een verlangen naar hereniging, naar eenwording.

"Onze levenslange hunkering naar eenwording, zo beweren sommige psychoanalytici, vindt haar oorsprong in onze hunkering om terug te keren, zo niet naar de moederschoot, dan toch naar deze toestand van denkbeeldige tweeëenheid die symbiose wordt genoemd ......" (pagina 28) 

Viorst laat zien dat elke daarop volgende levensfase zo'n noodzakelijk verlies in petto heeft. Het verlies van vrijheden, eenvoudigweg omdat niet alles kan in het leven, het ons losweken van onze eigen kinderen, het opgeven van rollen die onze ouders voor ons bedacht hebben. Allemaal voorbeelden van noodzakelijk verlies. Een verlies dat we telkens zouden moeten nemen. Maar daar slagen we lang niet altijd in. Het kan zo maar voorkomen dat we tijdens één of meer fasen van het leven, in het verleden blijven hangen. En de pijn van het verlies dus niet voor onze kiezen krijgen. Daar plukken we alleen maar de wrange vruchten van. Door onszelf niet de groei te gunnen die er potentieel wel in zit.


Ophouden met die kinderlijke zwart-wit-tegenstellingen

Wie goed is, kan soms ook slecht zijn. Zo eenvoudig kan het leven zijn. Maar volgens Viorst zijn we nog zo onvolwassen dat we deze gedachte maar niet kunnen bevatten. Sommige volwassenen vertoeven hun hele leven in 'een rigide wereld van zwart-wit-categorieën'. Het valt ons maar wat zwaar om deze splitsing op te heffen. En om te leren leven met ambivalentie, dubbelzinnigheid.

In haar afsluitende hoofdstuk over de grote samenhang schrijft de auteur:
"Als ik nadenk over de menselijke ontwikkeling als een levenslange reeks van noodzakelijke verliezen - (...) - valt me voortdurend op dat in onze ervaring tegenstellingen veelvuldig samenvallen. Ik heb ontdekt dat je maar weinig kunt begrijpen in termen van 'óf - óf'. Ik heb ontdekt dat het antwoord op de vraag 'is het dit of dat?' veelal 'beide' is." (pagina 303) 


Schrik niet als je haat voelt jegens je dierbaren

Inherent aan de noodzaak om tegenstellingen op te heffen, moeten we onder ogen zien dat haat en liefde inherent zijn aan elkaar.
"Veel erger dan 'niet leuk' is de gedachte dat wij haat voelen jegens onze dierbaren, dat we hun naast goede ook wel eens slechte dingen toewensen, dat zelfs onze zuiverste liefde niet zo zuiver is, bezoedeld is met ambivalentie. Freud schrijft: 'Op een enkele situatie na zijn ook onze tederste en innigste liefdesrelaties niet geheel vrij van vijandigheid ....." (pagina 61)

De auteur geeft ons de opdracht om onze dierbaren te kunnen haten. Ga er maar aan staan! Sterker, zij draagt ons op om de mengeling van verlangens, razernijen en conflicten in onszelf, te erkennen. En ook hier geldt: ga er maar aan staan. Volgens de door Viorst aangehaalde Otto Kernberg, een in Oostenrijk geboren Amerikaanse psychoanalyticus, verandert een intense liefdes- in een liefdeloze relatie als we onze eigen agressie niet kunnen erkennen.


Het leven is niet perfect, relaties evenmin

Nog zo'n ongemakkelijke waarheid.

"En het kan lang duren eer we erachter zijn dat het leven op zijn best 'een beheerste droom' is - dat de werkelijkheid bestaat uit onvolmaakte relaties." (pagina 156)

Ook vriendschappen, zo vervolgt Viorst, zijn in het beste geval onvolmaakte relaties. Hoeveel ze ook te bieden hebben, we betalen er een prijs voor. Met de erkenning van de ambivalentie die ook dit type relatie kenmerkt bijvoorbeeld. En met de acceptatie van de beperkte tijd die ons voor vriendschappen vaak gegeven is.

Een huwelijk is, als we Viorst mogen geloven, nog veel dramatischer. Onbeantwoorde verwachtingen zijn onvermijdelijk, dat kan niet anders. Zij symboliseren de tekortkomingen van ons huwelijk wat weer leidt tot vijandige gevoelens. De auteur is niet mild in de metaforen die zij voor het huwelijk in petto heeft. Zij spreekt over 'het helse karakter van het huwelijk' en 'het huwelijk als een intrinsiek tragische relatievorm'. Tja, dat zal menig jong bruidspaar niet verteld zijn. Om met alle valse romantiek voor eens en altijd af te rekenen: voor familierelaties is het allemaal niet veel beter.







Tot slot: twee vragen

Zoals gezegd, de psychoanalyse is niet mijn vakgebied. Maar vanuit eigen levenservaring blijf ik met twee vragen zitten.

Allereerst, die haat jegens anderen. Is dat niet wat te sterk geformuleerd? Ja, jaloezie, dat herken ik nog wel enigszins. Maar haat? Viorst haalt een voorbeeld aan waarin ze haar partner vervloekt omdat hij haar te lang bij een bushalte laat wachten. Woedend is ze. Maar om dit nu 'haat' te noemen? Ik heb er moeite mee. Dat zou overigens best te maken kunnen hebben met mijn onvermogen om mijn eigen haat te erkennen, zeg ik er meteen bij.

De tweede vraag gaat over de reikwijdte van het begrip 'noodzakelijk verlies'. Viorst schaart alles hieronder. Ook de drie lijnen die ik hierboven heb behandeld. Terwijl deze laatste voor mijn gevoel soms ook gewoon los staan van dat verlies. Zo rekent ze bijvoorbeeld het accepteren van de moeilijke dubbelzinnigheden van het leven, tot de categorie 'noodzakelijke verliezen'. Terwijl het inzicht dat het leven bestaat uit 'en-en'-werkelijkheden toch echt van een andere orde is dan het verlies van het loslaten van je eigen kinderen. De pijn van dat laatste voelt iedereen, vroeger of later. Terwijl sommigen nooit in hun leven tot het inzicht komen dat het beter is om kinderlijke zwart-wit-tegenstellingen af te schudden. En daar dus ook nooit de pijn van voelen.

Toch een beetje appels en peren dus, die hoofdboodschap en de drie hierboven beschreven lijnen.

Paul Strijp, 18 december 2023